woensdag 25 april 2012

Jeugd van school naar werk, of het nut van een historische en maatschappelijke context.

Vorig  jaar werd ik door Motivaction gevraagd om voor het boek: De Grenzeloze Generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. Ik een hoofdstuk te schrijven. Dat hoofdstuk moest een overzicht geven van theorie en onderzoek over jongeren en de vraag hoe zij van school naar werk gaan.  Ik heb toen twee fundamentele vragen gesteld:

1.       hoe bereiden jongeren zich voor op hun toekomstige werk, en
2.      hoe worden zij door de samenleving daarop voorbereid?

Mijn hoofdstuk Jeugd van school naar werk, ontwikkelingen en achtergronden ontwikkelde zich naar drie delen. Het eerste deel gaat over de vraag waarom jongeren naar school gaan en hoe dat schoolbezoek zich heeft ontwikkeld (in de afgelopen eeuw, maar met name na de Tweede Wereldoorlog);  het tweede deel gaat over de vraag hoe jongeren zich voorbereiden op werk en hoe zij de overstap van school naar werk maken, en in het derde deel komen de knelpunten aan bod.

In april 2012 heb ik op het seminar “wie zijn mijn leerlingen/studenten?” van Motivaction een lezing gehouden, waarin ik aan de hand van actuele onderwerpen liet zien hoe de historische en sociale ontwikkelingen die ik in mijn hoofdstuk ook beschrijf een andere kijk op deze actualiteiten kunnen bieden. Èn hoe belangrijk het kan zijn om af en toe een fundamentele vraag te stellen. In mijn blogs geef ik die lezing in drie delen weer, aan de hand van drie actuele onderwerpen. Dit blog is de eerste in de serie van drie.

Vacatures in de IT sector, geen personeel te vinden. Probleem van het onderwijs of probleem van de arbeidsmarkt?

In maart 2012 zag ik op televisie een item over de IT sector. Daar zijn veel vacatures en die kunnen niet vervuld worden. Er werd een jonge man geïnterviewd, die klaagde dat hij geen personeel kon vinden en hij vond dat het onderwijs niet goed aansloot bij de vacatures die hij had. Dat lijkt een legitieme klacht: de kwaliteit van met name in dit geval het hbo-onderwijs is de laatste tijd vaker aan discussie onderhevig, het is belangrijk dat in het onderwijs de modernste apparatuur en kennis bij de docenten aanwezig is,  en dat dit aansluit bij ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Daarbij komt dat er overal banen verdwijnen, maar juist in de IT sector sprake is van banengroei. Jongeren lijken juist steeds minder voor bètastudies te kiezen, zo werd daarbij zorgelijk gezegd.

Als je dit geval vanuit een breder perspectief bekijkt, vallen twee belangrijke dingen op. Ten eerste: de eigenaar van het bedrijf gaat ervan uit dat het onderwijs de jongeren voorbereidt op hun werk, in dit geval in de IT branche. Dit is juist een ontwikkeling die niet altijd vanzelfsprekend is geweest. Nog tot kort na de oorlog bouwden jonge mensen aan hun loopbaan in de bedrijven zelf, vaak aangevuld met avondstudie en cursussen. Voorbeeld: in mijn hoofdstuk vertel ik hoe een gepensioneerd hoofd personeelszaken bij Stork ooit begonnen was als 14-jarige loopjongen in hetzelfde bedrijf. Onlangs zag ik een advertentie van de Hema, die voor een dergelijke functie iemand vroeg met een afgeronde hbo/wo studie èn ervaring die hij of zij ergens anders moet hebben opgedaan.

Tegenwoordig willen bedrijven dus mensen met opleiding en ervaring die zij elders hebben opgedaan, omdat zij daarin zelf niet willen investeren. En omdat alle bedrijven zo werken, moeten ze ook wel: investeren in opleiding en ervaring is duur als jonge mensen na een paar jaar weer naar een ander bedrijf gaan, dat niet heeft geïnvesteerd.
Dat er een tekort aan opgeleiden in de IT sector is, kán dus komen doordat blijkbaar te weinig jongeren in de afgelopen jaren voor die studierichting hebben gekozen. En dit kan weer veroorzaakt zijn doordat studieduur en studiefinanciering steeds verder worden afgebroken. Jongeren kiezen dan eerder voor een makkelijker, veiliger studie waarbij ze minder schuld opbouwen. Er zijn natuurlijk nog andere verklaringen mogelijk, zoals economische  en demografische ontwikkelingen. Maar dat de sector zelf óók een belangrijke rol speelt door niet te willen investeren in nieuwe mensen en in het opbouwen van werkervaring, is duidelijk.

Overigens neemt het aantal jongeren dat een natuurkundeprofiel kiest toe, en ook groeit het aantal studenten aan hbo- en wo- opleidingen informatica. Het gevaar is nu dat tevéél jongeren voor de IT richting gaan kiezen, zodat er over een paar jaar, als zij de arbeidsmarkt betreden, een overschot ontstaat. Dit is ook wel bekend als de varkenscyclus.

(De varkenscyclus is een begrip uit de economie. Als de prijs van varkensvlees stijgt gaan er meer boeren varkens houden. Daardoor stijgt het aanbod en daalt de prijs, zodat vele boeren failliet gaan. Vervolgens daalt het aanbod en stijgt de prijs weer. Voor de individuele boer hangt het geluk af van het moment waarop hij in de cyclus stapt. Dit model werkt ook op de banenmarkt. Als er veel werk is in de communicatiebranche, kiezen veel jongeren voor een studie in die richting, waardoor er een overschot aan sollicitanten kan ontstaan)

Werkgevers klagen wel dat zij geen (of niet het juiste) personeel kunnen krijgen, maar zij kunnen zelf ook niet in de toekomst kijken. Zo werden in 2005 door Defensie actief jongeren gerekruteerd, terwijl die  in 2011 weer massaal ontslagen werden. En op 5 april 2012 hoorde ik `s morgens een kort item op de radio, waarin een werkgever bij Defensie vertelde dat hij vanuit bezuinigingen duurdere krachten heeft moeten ontslaan, en daarom actief jonge mensen aan het werven was, die wel moesten bedenken dat het niet om een baan voor het leven ging.

Ergo: het bedrijfsleven heeft belang bij snelle vervulling van hun vacatures en niet teveel hoeven te investeren in jongeren die toch weer van baan wisselen. De oplossing zou echter wel eens kunnen liggen in het tegenovergestelde: het bieden van vast werk met wederzijdse verplichtingen over een langere termijn, zodat bedrijven kunnen investeren in kennis en ervaring. En dat is dan ook wat er gebeurt in de IT sector: bedrijven gaan zelf steeds meer investeren in het opleiden van hun professionals, ze moeten wel.

Langer of korter naar school?

(deel 2 van de serie: Jeugd van school naar werk, of het belang van een historische en maatschappelijke context)

In maart 2012 verschenen kort na elkaar totaal verschillende berichten. Het eerste was een pleidooi van een gepensioneerde docent uit het mbo: zij wilde het mogelijk maken voor jongeren om op 14-jarige leeftijd het onderwijs te kunnen verlaten. Haar argumenten waren uiterst redelijk: sommige jongeren willen echt niet naar school en ze dwingen is voor beide partijen zeer vervelend. Liever zou zij die jongeren willen laten uitrazen en als ze dan volwassen zijn alsnog opleiden.
Het tweede bericht was een voorstel van een wethouder in Rotterdam.  Die wil jongeren juist verplichten tot hun 23e op school te blijven of in ieder geval tot ze een startkwalificatie hebben. (Een startkwalificatie is een diploma op mbo 2, havo of vwo niveau. Gebleken is dat jongeren die géén startkwalificatie hebben het veel slechter hebben op de arbeidsmarkt)

Maar wat is hier de achtergrond van en wat is wijsheid in bovenstaande gevallen? Daarvoor nemen we een duikje in de geschiedenis. Jongeren zijn de afgelopen 60 jaar steeds massaler en steeds langer onderwijs gaan volgen. Zo’n 60 jaar geleden gingen jongeren uit de hogere sociale klasse na de lagere school naar het vervolgonderwijs, soms naar de universiteit en de meeste jongeren uit de lagere sociale klassen gingen met 14  of 16 jaar al aan het werk.  Tegenwoordig volgen vrijwel alle jongeren tot hun 18e of langer dagonderwijs. Zodanig zelfs, dat er niet meer gesproken wordt van een percentage onderwijsdeelname, alleen nog van percentages voortijdig schoolverlaten (zonder diploma) van jongeren tot 23 jaar en dat percentage ligt inmiddels onder de 4%. Deelname aan hoger onderwijs is gestegen van 4% van de 18-27 jarigen in 1950 naar 31% in 2008. De gemiddelde leeftijd van schoolverlaten is nu ruim 21 jaar.

Die ontwikkeling werd aangedreven door verschillende factoren:
*         de wens om jongeren langer te kunnen vormen en de daarbij behorende leerplichtwetten;
*         de economische ontwikkelingen die het mogelijk maakten om langer door te leren;
*         de concurrentie – naarmate steeds meer mensen hoger opgeleid werden moest je wel langer doorleren om “gekwalificeerd” te zijn
*         het verdwijnen van het meeste ongeschoolde werk naar lage- lonen landen
*          het al genoemde verschuiven van leren in het bedrijf naar leren vóórdat je gaat werken.

De groeiende onderwijsdeelname had ook een paar verstrekkende gevolgen (nog buiten beschouwing latend de kosten ervan):
*         jongeren werden steeds langer buiten de samenleving gehouden, met elkaar in een soort jeugdland.
*         De  jeugdcultuur werd belangrijker,
*         de wereld van werk kwam steeds meer buiten het blikveld van jongeren  te liggen.
*         Problemen van de samenleving kwamen binnen het onderwijs te liggen, met name waar het de voormalige “arbeidersjeugd” betreft.

Aanvankelijk gingen met name jongeren uit de lagere sociale klassen vrij vroeg aan het werk, waar ze in het bedrijf zelf het vak leerden. Dit was geen ideale situatie. In 1964 verscheen een overheidsrapport genaamd Persoonsvorming Bedrijfsjeugd, dat zorgen uitte over de jeugd van 14-16 jaar in de bedrijven. Zij hadden nog meer pedagogische vorming nodig die zij niet kregen. Omdat ze niet meer op school zaten waren ze ook nog eens moeilijk te bereiken.

Afijn, dit probleem heeft zich vanzelf opgelost, of liever gezegd, verplaatst naar het onderwijs. Veel problemen die docenten nu met jongeren hebben, zijn terug te voeren op het feit dat het gaat om jongeren uit lagere sociale klassen, van wie de thuisomgeving veel minder goed aansluit bij de schoolcultuur (en bij die van de docenten) èn op wie de straatcultuur méér invloed heeft. Dat geldt ook voor allochtone jongeren, van wie de problemen, afgezien van de invloed van taal en religie, vooral ook veel lijken op de vroegere problemen met arbeidersjongeren.  

Tegenwoordig zijn er vooral grote zorgen om jongeren die zonder startkwalificatie de school verlaten, die raak je kwijt. De schoolverlatende leeftijd omlaag is dus niet de juiste keuze, wel zou je kunnen kijken naar meer en betere leer-werkplaatsen, maar in principe bestaat dat al in de vorm van praktijkonderwijs. Het voorstel van de wethouder bestaat echter óók al, immers: jongeren tot 23 jaar zijn verplicht hun startkwalificatie te behalen en beleid om het percentage uitvallers te bestrijden is er ook in intensieve en succesvolle mate: in 2005/2006 was het percentage bijna 4%, nu is dat teruggedrongen naar 2,9% (2010/2011, voorlopige cijfers). Overigens hebben allochtone jongeren op dit moment nog een 2 tot 3 keer zo hoge kans op voortijdig schoolverlaten dan autochtone jongeren.  

Hoe aantrekkelijk is een mbo-diploma en waarom zitten jongeren op school?

(deel 3 van de serie: Jeugd van school naar werk, of het belang van een historische en maatschappelijke context) 


In april 2012 verscheen het bericht dat Minister Van Bijsterveldt een mbo opleiding voor méér jongeren aantrekkelijk wil maken. Dit lijkt in eerste instantie een nobel streven en dat is het misschien ook, maar laten we toch eens kijken naar een fundamentele vraag: waarom zitten jongeren op school?

Het huidige onderwijsstelsel is ontstaan vanuit twee gedachten die niet noodzakelijk met elkaar samenhangen. De eerste is die van vorming, de persoonlijke ontwikkeling, identiteitsvorming, waarbij de intrede in de volwassen samenleving uitgesteld wordt en de jongere wordt beschermd tegen al te volwassen eisen. Hierbij gaat het om het verwerven van kennis en vaardigheden en de ontwikkeling van het vermogen tot kritisch nadenken en moreel oordelen. Deze definitie werd in de 18e eeuw in Duitsland door Wilhelm von Humbold geformuleerd, en hij noemde dit Bildung.

De tweede gedachte is die van de beroepsvoorbereiding, waarover ik hiervoor al iets heb verteld, dit wordt Ausbildung genoemd. Deze twee gedachten zijn terug te vinden in beide soorten onderwijs: het algemeen vormende onderwijs en het beroepsvoorbereidende onderwijs, maar het zal duidelijk zijn dat de nadruk bij het algemeen vormende onderwijs ligt op jawel, de algemene vorming en bij het beroepsvoorbereidende onderwijs op … juist …de beroepsvoorbereiding. Toch is het interessant om naar beide opdrachten van het onderwijs te kijken.

Want wat er de laatste jaren zichtbaar wordt, met name in het beleid van Minister van Bijsterveldt,  is dat de opdracht van Bildung in het geding komt, met name in het mbo. En dat ook in het hoger onderwijs de nadruk steeds meer komt te liggen op Ausbildung, al was het maar omdat de studieduur enorm verkort is. Terwijl juist die Bildung op langere termijn méér kan opbrengen: iemand die lang studeert en meerdere vakken volgt, heeft een groter reservoir aan mogelijkheden, wat misschien lastig is bij de entree op de arbeidsmarkt, maar op langere termijn veel meer kansen biedt en bovendien toegevoegde waarde heeft.  Juist bij de postmodernistische kennismaatschappij die wij willen zijn sluit dit het beste aan. Natuurlijk is er in de toekomst behoefte aan specifiek geschoolde beroepskrachten. Maar die zijn ook heel kwetsbaar voor de grillen van de arbeidsmarkt, en dan is het lastig om je nog om te scholen. Op dit moment lijkt het dat jongeren in het mbo minder vaak kiezen voor techniek of zorg, terwijl in de toekomst dáár juist veel krachten gevraagd zullen worden. Maar zoals ik al zei, het is lastig in de toekomst te kijken.




Daarbij komt, en dat zagen we al bij de eerste casus, dat er door de technologische ontwikkelingen nieuwe functies ontstaan waarvoor nog geen opleiding bestaat. Het is onmogelijk voor jongeren om – als ze tot hun 70e zouden moeten werken-  bijna 50 jaar vooruit te kijken.  Hoe beroepsgerichter en hoe lager een jongere is opgeleid, des te moeilijker wordt het in de toekomst om je aan te passen. Veel jongeren (of hun ouders) beseffen dit en kiezen daarom een zo breed mogelijk pakket. Het vreemde is echter dat er zo ontzettend veel verschillende opleidingen en studies zijn (ik heb geprobeerd te achterhalen hoeveel, maar dat viel niet mee. De website studiekeuze123 zegt dat je daar 2500 studies voor hbo en wo kunt vergelijken. Het geeft een idee). Kortom: op korte termijn lijkt het goed om een specifieke studie te kiezen, op langere termijn heb je er meer aan om zo breed mogelijk geschoold te zijn.

De enorme hoeveelheid studierichtingen zorgt ook voor grote keuzestress bij jongeren. In dit geval moeten we ons vooral realiseren dat jongeren de laatste jaren naast méér keuzemogelijkheden, ook nog eens veel minder ruimte hebben om te experimenteren, te wisselen van studie of om studies te combineren. Juist deze ruimte is belangrijk voor de vorming van jongeren. Deze speelruimte is wegbezuinigd door heren en dames die wèl 8 tot 10 jaar over hun studie hebben kunnen doen. Tegenwoordig is ook veel commentaar op ouders die meegaan naar open dagen van hogeschool en universiteit, om hun kind te helpen kiezen. Deze ouders zouden hun kind niet los kunnen laten, die kinderen worden zo niet zelfstandig, zo klagen de artikelen (o.a. in het Volkskrantmagazine van 24 maart 2012).  Maar zo vreemd is het niet, met al die keuzemogelijkheden en de enorme financiële druk om meteen de “goeie”  studie te kiezen. Een onderzoeker die goede artikelen schrijft over studiekeuzes en keuzestress, is Tom Luken. Hij betoogt dat het niet zozeer een kwestie is van de juiste keuze maken, als wel leren van het gehele proces.

Wat betreft de ouders is er nog een aspect. Zoals we zagen is de onderwijsdeelname in de na-oorlogse decennia enorm gestegen. Er was een sterke opwaartse mobiliteit. Kinderen volgden langer en vaak ook hoger onderwijs dan hun ouders. Dat was destijds een reden om je ouders niet mee te nemen naar de open dag, zij wisten er minder van dan hun kinderen. Die ontwikkeling is ongeveer ten einde, voor het grootste deel van de huidige generaties kinderen en hun ouders geldt dat de ouders mogen hopen dat hun kinderen een vergelijkbare opleiding en toekomstige sociaal-economische positie zullen hebben als zij. Dit geldt overigens veel minder voor allochtone kinderen –met name bij de meisjes. Juist daar is een sterke stijging in opleiding en onderwijsdeelname ten opzichte van hun ouders zichtbaar.

Veel ouders maken zich dus zorgen om de toekomstkansen van hun kinderen, het halen van een diploma is immers belangrijker dan ooit. En lastiger. Daarbij komt dat de mobiliteit eerder neerwaarts is geworden (kinderen die ten opzichte van hun ouders dalen op de statusladder) dan opwaarts. Want tussen beide (onderwijs)systemen is weinig verbinding. Het is heel moeilijk om van vmbo naar havo te gaan, of zelfs van mbo naar hbo. Dit is dan ook de reden dat ouders hun kind liever naar mavo-havo sturen dan naar het vmbo. Dit zou ook heel goed de reden kunnen zijn dat kinderen in Nederland vaker blijven zitten (ook over dit onderwerp verschenen krantenberichten (1): ouders dringen erop aan dat ze niet naar de beroepskolom gaan, omdat ze weten dat terugkeren naar de algemeen vormende kolom heel moeilijk, zo niet onmogelijk is.

Daar wordt heel moeilijk over gedaan (het is een beetje taboe om het te zeggen), maar ouders beseffen dat de splitsing in het onderwijssysteem een weerspiegeling is van een  maatschappelijke tweedeling. De route die je neemt, die van de beroepsvoorbereiding of die van de algemene vorming, is bepalend voor je toekomst. De Minister doet er goed aan om jongeren die een beroep willen leren te stimuleren. Maar met het oog op de toekomst doet ze er nog beter aan om doorstroom tussen beide systemen te verbeteren. En het concept van een leven lang leren nog eens uit de kast te halen en af  te stoffen, want daarvan is nog niet veel terecht gekomen. Voor de toekomst van de kinderen èn voor de toekomst van de samenleving.

Wat ik in deze lezing/blogreeks heb willen laten zien is hoe actuele onderwerpen ingebed zijn in de geschiedenis van onderwijs en arbeid en dat het goed is om fundamentele vragen te stellen en/of een langeretermijnperspectief te hanteren. Voor jongeren echter, is dit onmogelijk. Zij zijn er in hun hersenontwikkeling nog niet aan toe om zoveel decennia vooruit te kijken. Als volwassenen moeten wij hun daarbij dus helpen. Dat kan door de volgende punten in gedachten te houden:

1. De beroepskolom leidt op tot een beroep. Dat is een groot goed, daar moeten we trots op zijn. De samenleving heeft goede beroepskrachten nodig. Er zijn wel nadelen: een mbo diploma geeft een lager salaris dan een hbo diploma; doorstroom van  mbo naar hbo is erg lastig, opstroom naar de algemeen vormende kolom is nog lastiger of vrijwel onmogelijk. Mensen met een specifieke beroepsopleiding zijn minder flexibel dan die met een algemeen vormende opleiding en daarmee dus kwetsbaarder voor de nukken van de arbeidsmarkt. Besef dat als werkgevers zitten te springen om kapsters, dat dit over twee jaar voorbij kan zijn, hoed je dus voor de varkenscyclus  !
Een voordeel van de beroepskolom is dat jongeren actiever bezig zijn met hun arbeidstoekomst, o.a. door stages en het kiezen van een beroepsrichting (hoewel jongeren ook nog vaak switchen, bijvoorbeeld bij de overstap van vmbo naar mbo). Door het beroepsgerichte karakter van deze onderwijsvorm is de aansluiting met de arbeidsmarkt op korte termijn heel goed. 

2.Wat betreft de algemeen vormende onderwijskolom: deze biedt op langere termijn meer kansen en hoger salaris. Het nadeel is dat de wereld van werk ver van de leefwereld van de jongere is komen te liggen. Er mag daarom best nadruk komen op de vormende werking van het algemeen vormend onderwijs en het belang daarvan voor de arbeidstoekomst. Met name kun je jongeren stimuleren om zo breed mogelijk te kiezen, tenzij sprake is van een sterk vaststaande wens.  Beperking is risico. Kiezen is noodzakelijk, maar keuzes moeten niet voorgesteld worden als: je moet in één keer de juiste, superleuke en helemaal bij jou passende studie kiezen. Dat is het recept voor teleurstellingen. Een studie is niet altijd leuk en past zeker nooit voor 100% bij je. Het gaat meer om het leerproces, daar hebben jongeren de komende vijftig jaar wat aan.

Voor alle jongeren van nu geldt: ze zullen zich in de komende 50 jaar steeds moeten aanpassen aan veranderingen op de arbeidsmarkt in een werkveld dat steeds minder zekerheden biedt. Daarom is het belangrijk dat we ze versterken in hun individuele capaciteiten èn hun flexibiliteit.

Noten:

maandag 5 maart 2012

Waarom de Tijgermoeder gelijk heeft


Onlangs schreef Sebastiaan van der Lubben op Ouders Online (1) een boeiend artikel over de Nederlandse opvoeding, Polderkinderen genaamd. Hij begon met een beschouwing over het boek van Amy Chua: Strijdlied van de Tijgermoeder (Battle Hymn of the Tiger Mother).  Voor wie (over) het boek nog niet gelezen heeft: deze moeder (van Chinese komaf, leeft in de Verenigde Staten en geeft les aan Yale University) bepleit een Aziatische manier van opvoeden, waarbij van het kind het uiterste gevraagd wordt: altijd de beste zijn van de klas, nooit spelen, altijd studeren en minimaal een klassiek instrument bespelen (op concertniveau). Van der Lubben constateert dat de Aziatische opvoedmethode de beste rekenaars en lezers voortbrengt en de oosterse landen opstuwt in de vaart der volkeren. Toch wordt deze opvoedmethode door Nederlandse pedagogen afgewezen. Nederlandse ouders blijven steeds in overleg met hun kind, onderhouden een goede relatie en stimuleren het in zijn of haar ambities. Het beste wat ouders kunnen doen, is de intrinsieke motivatie van hun kinderen te stimuleren. Niet onder dwang, want dat leidt wellicht tot uitzonderlijke prestaties, maar ook tot een “wonderlijke persoonlijkheid en een zeer verstoorde relatie met hun ouders en dat is niet echt  `normaal’.”

Het is heerlijk om door deskundigen bevestigd te krijgen dat de Nederlandse ouders het beste opvoeden. Een fijne conclusie, die toch nog heel wat vragen onbeantwoord laat. Want waaróm zijn Aziatische ouders zulke `tijgers’ en wat  kunnen Westerse ouders daarvan leren? Waarom leidde het boek over de tijgermoeder in het Westen tot zulke heftige discussies? Deze vragen kun je alleen beantwoorden vanuit een sociologisch gezichtspunt, namelijk door de opvoeding in een Aziatische context en in een Nederlandse context te zien.

Eerst de Aziatische context. In De Volkskrant (18-2-2012) stond onlangs een artikel over China dat mijn vermoedens bevestigde: in China heerst veel onzekerheid onder de middenklasse. De onderklasse is straatarm en zonder perspectief, en de middenklasse is vrijwel even slecht af. In die samenleving is alleen voor de allerbesten een leefbare plek te veroveren, die krijg je beslist niet cadeau. Daar zul je heel hard voor moeten knokken, want er is enorm veel concurrentie, en maar weinig goede plaatsen. Zo is in China slechts 0,89 procent (!) van de bevolking hoger opgeleid. Daar past geen zachtaardige opvoedstijl bij, al valt het te betwijfelen of werkelijk alle Chinese kinderen volgens de tijgermethode worden opgevoed, de meeste Chinese ouders zullen er de kennis noch de middelen voor hebben om hun kind op pianoles te sturen of naar dure scholen. De Chinese cultuur zelf blijft natuurlijk wel een rol spelen. Daarin is het individu minder belangrijk dan de gemeenschap, en zijn kinderen aan hun ouders verplicht in plaats van –zoals hier- ouders aan hun kinderen.
Maar wat de Aziatische ouders willen, is een heel essentiële wens:  namelijk een toekomst voor hun kind. En die toekomst (anders dan in volstrekte armoe en kansloosheid) is alleen –en dan nog misschien- te krijgen door heel hard te werken en absoluut de beste te zijn. Want inderdaad brengen Aziatische landen de beste rekenaars en lezers voort. Maar hoeveel van die kinderen krijgen later een toekomst met enige welvaart? I rest my case.


Waarom de Tijgermoeder ongelijk heeft

Dan de Nederlandse context. Nederland heeft misschien niet de beste uitblinkers, maar scoort over de hele linie zowel in onderwijsniveau (33% procent van de bevolking is hoogopgeleid) als in welvaart onvergelijkbaar veel hoger dan China. Wereldwijd staan we volgens de Human Development Index, een evaluatie van de Verenigde Naties waarin armoede, analfabetisme, onderwijs en levensverwachting verwerkt is, op de 11e plaats, tegenover China op de 85plaats, achter Armenië en Suriname. Daarnaast zijn hebben de jarenlange ontwikkelingen van democratisering, individualisering en emancipatie hun werk gedaan. In onze samenleving zijn kinderen het meest gebaat bij een overlegopvoeding, waarin ouders zowel sturen als luisteren. Ze stimuleren de zelfsturing, de innerlijke motivatie van de kinderen, omdat volwassenen die varen op een innerlijk kompas de beste kaarten hebben (2). Een echte tijgeropvoeding zou hier niet het gewenste resultaat hebben, de dwang komt daarbij van buitenaf. Niet voor niets kwamen de westerse kinderen van Chua in opstand. Nederlandse ouders weten dit, en hanteren daarom de door Van der Lubben beschreven opvoedstijl. Ze doen het goed. In deze samenleving.


Waarom de Tijgermoeder gelijk heeft

Waarom leidde het boek van Chua in het Westen tot zulke discussies en wat kunnen we van haar leren? Het is duidelijk dat de tijgeropvoeding botst met onze fundamentele opvoedingswaarden en ook niet voorbereidt op een optimaal functioneren in de westerse samenleving. Toch heerst ook hier onzekerheid over onze opvoeding. Niet alleen vanuit de vraag of onze liefdevolle en geluksgerichte opvoedingsmethode zulke gelukkige en succesvolle kinderen heeft voortgebracht. De jonge volwassenen, zelf opgegroeid in de tijd van vanzelfsprekende welvaart en geluk, merken namelijk hoe zwaar de last op hen drukt van het altijd maar gelukkig moeten zijn. Maar ook met het oog op de toekomst van onze maatschappij. Kon de vorige generatie opvoeders nog leunen op zekerheden (een vaste aanstelling, overwaarde op je huis, pensioenopbouw), voor de komende generatie is dat veel minder het geval. De samenleving is onzekerder geworden, en daarmee competitiever. In de onzekerheid over het behoud van je baan bij de zoveelste reorganisatie of bedrijfsovername, in de concurrentie om opdrachten voor de talloze ZZP-ers, in de dans om de vervulling van vacatures met meer dan honderd sollicitanten, worden prestaties belangrijker, óók al omdat tegenwoordig 40% van de schoolverlaters (3) hoger opgeleid is, zodat je met een hbo- of universitair diploma geen uitzondering meer bent.

Dit zijn ontwikkelingen die verklaren waarom de tijgermoeder niet geheel en al wordt afgewezen. Net als in de Verenigde Staten (Amy Chua geeft les aan Yale University), waar competitie en arbeidsonzekerheid al veel langer een belangrijke rol spelen. Een beetje ambitie voor je kinderen is in deze tijd best een goed idee, en de tijgermoeder inspireert daartoe, zonder dat Nederlandse ouders geheel en al zullen overgaan tot haar methoden. We worden geen tijgermoeders/vaders, dat zou hier niet passen. Maar zelfontplooiing alléén is niet langer het belangrijkste opvoedingsdoel. Ouders van nu zijn bewust bezig met de toekomst van hun kind. Net als ouders vroeger, en net als ouders in Azië, steeds op de manier die bij hun tijd en samenleving past.



Noten:
(1)   www.ouders-online.nl  van 05-02-2012
(2)  Zie ook C. Brinkgreve (2004): Vroeg Mondig, Laat Volwassen.

donderdag 1 maart 2012

Citotraining, of waarom ambitie geen vies woord is

Voorafgaand aan de Cito-toets[1] blijken veel ouders van kinderen uit groep 8 hun kind naar speciale Cito-trainers te sturen, om het optimaal op de Cito-toets voor te bereiden. In verontwaardigde artikelen wordt geschreven over ouders die hun kind onder buitensporige druk zetten, en over kinderen die “van de spanning niet kunnen slapen en met zwetende handen aan de Cito-toets beginnen.”[2] Het is overigens niet bekend hoevéél ouders hun kinderen naar zo’n training sturen. Een docente in groep 8 heeft dit jaar “twee meisjes met Cito stress”[3]. In een hele klas met gemiddeld 25-30 kinderen lijkt dat nog reuze mee te vallen.

Maar je zou je moeten afvragen waaróm sommige ouders hun kind naar een Cito-training sturen. Wat zegt dat over die ouders, over het onderwijs en over onze samenleving?

In een notendop bevat deze discussie namelijk vele aspecten, die allen zeer Nederlands zijn. Om te beginnen kennen wij ongeschreven regels van goed ouderschap. Daarin moeten kinderen vooral gelukkig zijn, en “ongedwongen zichzelf”. Ouders die hun kinderen pushen, overtreden deze regel. Ze overtreden ook de ongeschreven regel van gelijkheid, waarin al te openlijke ambitie voor jezelf of voor je kinderen, wordt afgestraft.

De Nederlandse cultuur is een gelijkheidscultuur. Niemand is beter dan de ander en loodgieters zijn net zo hard nodig als hersenchirurgen. Ouders die hun kind koste wat kost naar havo-vwo willen hebben, zouden zich dan ook moeten schamen, er is toch niets mis met een vmbo-diploma? Het gaat er toch om dat je kind gelukkig is? Maar het rapport De Sociale Staat van Nederland 2011[4] laat iets anders zien. Daaruit blijkt dat de levensstandaard, het inkomen en zelfs de gezondheid van mensen, in hoge mate samenhangt met hun opleidingsniveau. Met andere woorden: het maakt wel degelijk verschil of je kind loodgieter wordt, of hersenchirurg[5]. En ook al is het taboe om het hardop te zeggen, ouders weten dit. En kiezen er dan toch voor om, tegen de ongeschreven regels in, hun kind extra te laten ondersteunen.[6]

De idealen van gelijkheid, geluk en “jezelf zijn” overheersen met name in het basisonderwijs in Nederland. In andere landen worden er hogere eisen gesteld aan kinderen. En dan blijkt, dat kinderen er veel beter tegen blijken te kunnen dan wij denken, als ze een beetje worden gepusht. Dat ze met een beetje aanmoediging tot méér prestaties in staat blijken te zijn. Bovendien leert een kind dat je iets kunt bereiken door hard ervoor te werken. Dat is een betere mentale uitrusting dan het hier overheersende idee dat je er nu eenmaal talent voor moet hebben. Want waarom worden ouders er niet op aangesproken als zij hun kinderen laten meedoen aan talentenshows als The Voice Kids, maar wel als zij ze naar citotraining sturen? Omdat je blijkbaar wel een talent mag hebben, maar niet iets méér mag willen zijn dan de ander. Overigens geldt deze tolerantie dan weer niet voor hoogbegaafde kinderen, die (met hun ouders) vaak op onbegrip en grote weerstand kunnen rekenen.

Op de basisscholen heerst dus de cultuur van gelijkheid en geluk. Maar aan het eind van de basisschool komt de realiteit van ongelijkheid in zicht. Die begint bij de Cito-toets, die als verdeelsleutel is gaan werken. Maar dat deze zo zwaar weegt, komt door de tweedeling die in het vervolgonderwijs is ontstaan. Door de onderwijsveranderingen van de afgelopen 15 jaar is er een kloof ontstaan tussen het beroepsvoorbereidende onderwijs (vmbo) en het algemeen vormend onderwijs (mavo-havo-vwo)[7].  Het opklimmen van lagere naar hogere onderwijsniveaus is vrijwel tot stilstand gekomen, terwijl doubleren óók wordt ontmoedigd: eerder wordt een kind naar een lager niveau doorgestuurd. Scholen worden namelijk afgerekend (door zowel de overheid als door de ouders) op hun slagingspercentage. Kinderen die het niveau niet dreigen te halen, worden daarom  naar een lager niveau doorverwezen. Zo kan het gebeuren dat de vwo’s  uitpuilen van de (serieus studerende en goed samenwerkende) meisjes, terwijl de (wat onbesuisder) jongens in het havo oververtegenwoordigd zijn.

Het is het gebrek aan doorstroming dat de Cito-stress veroorzaakt. Als een kind heel graag naar een bepaalde school wil en weet dat het daarvoor 532 punten moet scoren, staat het onder grote druk, omdát het maar één kans krijgt. Ouders kiezen dan voor een training, desnoods met een “verkeerd schooladvies” als gevolg. Afstromen kan altijd nog, als het echt niet gaat. Maar ze hopen dat het hogere niveau hun kind tot betere prestaties prikkelt. En vaak werkt dat ook zo. Ook bij deze ouders overheerst de wens dat hun kind vooral gelukkig is. Zij willen de “juiste” plaats voor hun kind, niet per sé de hoogste. Maar ze hebben niet altijd het vertrouwen dat het kind daar vanzelf terecht zal komen[8].

Want er is nog een ander aspect. De kloof is niet alleen een intellectuele, maar ook een culturele kloof. Ook dit mag niet hardop gezegd worden, maar ook hiervan zijn ouders op de hoogte. De cultuur op het vmbo draagt ertoe bij dat het voor het kind nóg moeilijker wordt om naar boven op te klimmen. De kinderen die wèl naar het vmbo gaan, hebben hier ook last van. Omdat ze het gevoel hebben in het `afvoerputje’ terecht gekomen te zijn, omdat ze geassocieerd worden met problemen in plaats van met goed vakmanschap, omdat de weg naar boven afgesneden is en omdat daardoor de ambitie in de onderwijscultuur ontbreekt.

Kortom: ouders die hun kind naar een Cito-training sturen hebben daar vaak goede redenen voor. In plaats van naar hen te wijzen, zouden we ons eens achter de oren moeten krabben bij het bestaan van een dramatische breuklijn tussen schoolsoorten en schoolculturen. Maak doorstroming èn het koesteren van ambities op alle momenten en in alle schoolniveaus mogelijk, zodat de laatbloeiers, de dromers, de stapelaars en de toekomstige vaklieden er óók uit kunnen halen wat erin zit.


[1] Dit blogartikel verscheen eerder als opinie-artikel op www.ouders-online.nl (12 februari 2012)
[4] Sociaal Cultureel Planbureau, 2011.
[5] Overigens zijn loodgieters inderdaad onontbeerlijk en worden zij ook prima betaald. Dit geldt helaas niet voor de meeste beroepen waar het vmbo en aansluitend het mbo voor opleidt. Daarnaast is er ook sprake van een relatief hoge kans op voortijdig schoolverlaten.
[6] En kijken wel uit om daarvan iets tegen de leerkracht te zeggen, zie NRC Handelsblad 7 februari 2012: “Falen voor de Cito-toets is verboden”
[7] Zie mijn hoofdstuk: “jeugd van school naar werk, ontwikkelingen en achtergronden”, hoofdstuk 5 in: F. Spangenberg en M. Lampert (2011): De Grenzeloze Generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. IK
[8] Zo is het niet vanzelfsprekend dat een hoogbegaafd kind de Cito-toets goed zal maken, omdat hij of zij de vragen vaak anders interpreteert…


donderdag 16 februari 2012

Wat leren jongeren van bijbaantjes?

“Eenderde van de 12-jarigen in Nederland heeft een betaalde bijbaan of had die in het verleden, terwijl werk op die leeftijd niet is toegestaan. Met armoede heeft dat niks te maken: het zijn vooral kinderen van welgestelde tweeverdieners die al op jonge leeftijd aan de slag gaan om hun luxe telefoons en computerspellen te bekostigen.”  Zo blijkt uit onderzoek van Irewoc, een wetenschappelijk instituut dat kinderarbeid wereldwijd onderzoekt, onder ruim 2500 kinderen tussen de 12 en 15 jaar.[1]
Deze week kwam het onderzoek in het nieuws, waarbij scherpe kanttekeningen werden geplaatst bij bijbaantjes voor jongeren. De onderzoekster trekt met name de leerzaamheid van het bijbaantje in twijfel en  merkt op dat “kinderen het vrijwel uitsluitend voor het geld doen”. De baantjes zelf zijn niet leerzaam, maar “saai en vermoeiend”.
Hoog tijd dus om de leerzaamheid van bijbaantjes aan een nader onderzoek te onderwerpen. Wat leren kinderen (13-15 jaar)[2] van bijbaantjes?
In de jaren vóór en kort na de Tweede Wereldoorlog, was het voor veel jongeren – met name uit de lagere sociale klassen- gebruikelijk om op hun 13e of 14e de schoolbanken te verruilen voor werk. In de fabrieken, werkplaatsen of kantoren leerden zij vervolgens hun vak, door eenvoudig te beginnen en langzaam op te klimmen – vaak ook door het volgen van aanvullend avondonderwijs. Doordat jongeren in de afgelopen decennia steeds langer in de schoolbanken bleven zitten, was arbeid langzaamaan uit het leven van kinderen verdwenen. Maar de afgelopen 15 jaar is het bijbaantje sterk in opkomst en tegenwoordig heeft 22% van de 12-jarigen, oplopend tot 68% van de 17-jarigen een bijbaantje van gemiddeld 7 uur (15-jarigen) tot 9 uur (18-jarigen) per week.[3]
Maar wat leren ze nou? Hun werkzaamheden hebben meestal niets te maken met hun eventuele toekomstige beroep en zijn vaak eentonig en saai. Dat stelt ook de onderzoekster van bovenstaand artikel.  Maar een bijbaantje kan een jongere wel degelijk iets leren, ze leren er bijvoorbeeld de eerste beroepsvaardigheden als op tijd komen, verantwoordelijkheid voor hun eigen werk en opdrachten van leidinggevenden uitvoeren. Dat leren ze op een andere manier dan op school. Nu zijn ze niet het kind dat opgevoed, gemotiveerd en toegesproken moet worden, maar de werknemer die zijn of haar verantwoordelijkheden heeft en bij goed werk betaald en bij falen ontslagen wordt. Het is hun eerste kennismaking met de volwassen wereld van bedrijven, bazen en werkgevenden. Omdat ze nog niet financieel (geheel) afhankelijk zijn van hun inkomsten, kunnen ze op deze manier met vallen en opstaan leren hoe werken werkt.
Ouders weten dit, en moedigen daarom het bijbaantje tot op zekere hoogte aan. Omdat voor de langere termijn het schooldiploma belangrijker is, houden ze wel in de gaten dat het baantje de schoolprestaties niet te negatief beïnvloedt. Maar ouders weten ook dat werkervaring belangrijk is als hun kind later met diploma de arbeidsmarkt betreedt. Kortom: het staat goed op je c.v. en ouders zijn ook bezig met de toekomst van het kind.
Volgens de onderzoeksters werken kinderen alleen maar voor het geld, en daar heeft ze zeker een punt. Per jaar verdienen de jongeren gemiddeld ruim 1400 euro aan hun bijbaantje. Ter vergelijking: hun zakgeld is gemiddeld 350 euro per jaar.[4] De inkomsten uit het bijbaantje zijn dan ook vooral voor eigen consumptie, ook al is het afstaan van kostgeld zeker niet verdwenen.[5]  Het consumptiepeil van jongeren ligt hoog, vooral als gevolg van groepsdruk en druk van de commercie. Deze zijn zo hoog dat maar liefst 60% van de jongeren nog wel eens geld tekort komt.[6]
Ook hier bewijst zich de vormende waarde van het bijbaantje. Volgens de onderzoekster van Irewoc werken kinderen niet zozeer uit armoede, want met name kinderen van welgestelde ouders hebben een bijbaantje. Zij ziet als mogelijke verklaring dat deze kinderen van huis uit meer arbeidsethos meekrijgen en dat zij wellicht over een beter netwerk beschikken dat hen aan een baantje kan helpen. Dat laatste is aannemelijk, hoewel er voor een folderwijk niet veel netwerk hoeft te zijn. Aan de factor arbeidsethos twijfel ik wel. Het lijkt me tamelijk discriminerend om te veronderstellen dat minder welgestelde ouders minder arbeidsethos zouden hebben. Een kijkje in de werkplaats en een kijkje in de kantoortuin levert echt een ander beeld op van wat van hard werken inhoudt.
Maar op een andere manier kan de factor arbeidsethos wel degelijk een rol spelen. Kinderen van welgestelde ouders groeien op in weelde. Zij hebben een eigen kamer met alle luxe, krijgen mooie kleren, gaan op dure vakanties en de electronische gadgets zijn all over the place. Deze ouders hebben –wanneer het kind om de nieuwste Ipad vraagt- niet als excuus dat ze er het geld niet voor hebben, maar willen hun kinderen toch leren dat het geld niet uit de lucht komt vallen. Dat juist deze kinderen dus vaker een bijbaantje blijken te hebben, getuigt daarom van een lovenswaardig pedagogisch inzicht bij die ouders.


[1] De Volkskrant, 15 februari 2011: “Eenderde van 12-jarigen heeft ‘leerzaam’ betaald baantje: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/detail/3180670/2012/02/15/Eenderde-van-12-jarigen-heeft-leerzaam-betaald-baantje.dhtm
[2] Werken is voor 12-jarigen wettelijk niet toegestaan, maar het blijkt dus wel te gebeuren. Onderzocht zou moeten worden om welk werk het gaat en of het schadelijk is voor de kinderen. In dat laatste geval zou de wet dus veel strenger moeten worden nageleefd.
[3] Zie: F.Spangenberg en M.Lampert (2011): “De Grenzeloze Generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. IK.”Hoofdstuk 5, door Mieke van Stigt: Jeugd van School naar werk, ontwikkelingen en achtergronden.
[4] VWS beleidsnota: “Onze jeugd van tegenwoordig” 2009.
[6] VWS beleidsnota 2009 p. 16

woensdag 1 februari 2012

Ik wil beroemd worden!

Kinderen op tv, niet alleen in The Voice Kids en Junior Master Chef, maar ook bij programma’s die niet alléén met jonge kinderen werken, zoals The Voice of Holland en Holland’s Got Talent. Waar komt die drang van ouders en hun kinderen om op die manier op de voorgrond te treden, toch vandaan? In De Volkskrant van vandaag (1 februari 2012) maakt pedagoog Stijn Sieckelinck de vergelijking met de simpele Italiaanse shows met rondborstige dames, en noemt hij de kinderen: “The Voice Kids, gedresseerde apen in een arena van verval.” *

Hoe duidelijk die mening ook is – voor de zekerheid stelt de pedagoog nog even dat hij niet de helft van de dag met zijn neus in de boeken zit en dat hij zijn neus óók niet ophaalt voor populaire cultuur- programma’s als The Voice Kids, en zowel het feit dat zowel kinderen eraan mee willen doen als het feit dat ouders dat nog goed vinden óók,  zijn culturele verschijnselen die we alleen kunnen begrijpen als we ons verdiepen in onze cultuur en onze samenleving.

Want wat brengt ouders en hun kinderen ertoe om massaal aan deze programma’s mee te willen doen? Dat heeft alles te maken met status en de mogelijkheden van status in onze samenleving.

Vaak wordt geklaagd over Nederland, dat je je hoofd niet boven het maaiveld mag uitsteken of het wordt er (figuurlijk gesproken) afgemaaid. “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg” en “je hoeft niet te denken dat je beter bent dan een ander”  zijn sterke normen die ons gedrag naar gelijkvormigheid dwingen. Hoogbegaafde kinderen (en volwassenen) hebben hier behoorlijk last van, omdat ze niet, of slechts met veel moeite, zich kunnen aanpassen aan dat maaiveld.

Dat Nederland zo’n horizontale samenleving is, heeft een lange geschiedenis en heeft te maken met onze handelsnatie. Al in de Gouden Eeuw waren de koopmannen belangrijker dan de adel. Waar in andere landen (bijvoorbeeld Frankrijk) de gewoonten van het Hof, via de adel, via de burgerij, konden doordringen in de hele cultuur, waren in Nederland de normen en waarden van de handelslieden en dus de (hogere) middenklasse bepalend voor onze gehele samenleving. Dit verklaart waarom Franse presidenten in zorgvuldig gekozen bewoordingen hun favoriete filosofen bespreken, terwijl je dat de Nederlandse Minister-president nooit zult horen doen.  Het verklaart ook waarom het in Frankrijk als behulpzaam wordt beschouwd als je het taalgebruik van een ander corrigeert (we streven toch samen naar het hogere?) en in Nederland het corrigeren van de ander (“nee, het is niet beter als hun, het is beter dan zij!”) als een grove belediging.  Wij zijn een horizontale cultuur.

Sinds de enorme economische vooruitgang na de Tweede Wereldoorlog en de daarmee gepaard gaande processen van democratisering, emancipatie en individualisering, is het al helemaal taboe geworden om onze samenleving in termen van sociale klasse te bespreken. Wij zijn immers allemaal gelijk en niemand is beter dan de ander. Toch is er nog wel degelijk sprake van het bestaan van sociale verschillen. Het Sociaal Cultureel Planbureau stelt in het rapport “De Sociale Staat van Nederland 2011” dat er duidelijke verschillen zijn in leefsituatie tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden. Dit is zowel in politiek, als in sociaal-economisch en in sociaal-cultureel opzicht. Met andere woorden: in de politieke keuzes, in je opleiding en werk èn in je culturele smaak en leefstijl zijn er duidelijke verschillen tussen die groepen.

De verdeling in Nederland is volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek als volgt: in 2003 was een kwart van de bevolking tussen de 25 en 65 jaar hoogopgeleid (HBO of hoger) en zo’n 32 procent was laagopgeleid (basisonderwijs en onder het niveau van de startkwalificatie). De rest zit daar tussen, zo’n 43 %.  Het brede midden is ook hier duidelijk zichtbaar. Daarbij moet worden opgemerkt dat er een bijzonder sterk verband is tussen het opleidingsniveau van de ouders en dat wat de kinderen zullen bereiken, kortom, de cultuur thuis is in sterke mate bepalend.

De individualisering heeft ertoe geleid dat we tegenwoordig alles wat we doen als een puur individuele keuze beschouwen. Maar het maakt nog steeds uit in welk nest je bent geboren (de positie van je ouders), de plek waar je bent geboren (stad of platteland), welke opleiding je hebt gedaan, of je man of vrouw bent, of je autochtoon of allochtoon bent en in welk decennium je bent geboren. Al deze factoren spelen wel degelijk een rol bij de kansen die je krijgt en de keuzes die je maakt.  Daarnaast heeft ieder individu zijn of haar eigen mogelijkheden en beperkingen. Het ligt weer aan bovenstaande factoren wat er vervolgens mee gebeurt.

Goed, we leven dus in een horizontale cultuur met verborgen en zo goed als onbespreekbare sociale verschillen. De werkelijke weg naar een betere positie is die van de hogere opleiding. Immers: hoe hoger opgeleid, des te beter je kansen op een gezonde en welvarende leefsituatie. De meeste ouders weten dit, ze proberen immers koste wat het  kost hun kind een goede Cito-score te laten krijgen en vervolgens een plekje in een scholengemeenschap met Havo-Vwo. Die ouders hebben echter de cultuur tegen: een al te openlijk streven naar die betere school voor je kind is strijdig met het maaiveld-principe (“daar heb je weer zo’n ouder met een zogenaamd hoogbegaafd kind”).

Het maaiveldprincipe geldt heel sterk voor mensen die zich willen onderscheiden op school (nerds, stuudjes) werk (strebers), in de buurt (uitslovers), in de familie (“omhooggevallen”). Opmerkelijk is dat de kinderen die op het gebied van sport of muziek uitblinken, véél populairder zijn dan de kinderen die steeds maar hoge cijfers halen en moeilijke boeken lezen. Maar dit heeft dus alles te maken met onze horizontale cultuur. De iconen van deze cultuur zijn namelijk de sportmensen en de televisiemensen, met name de zangers. Onder voorbehoud natuurlijk dat zij zo gewoon mogelijk doen (René en Natascha Froger, Marco Borsato) en zich niet al te duidelijk onderscheiden (Ivo Niehe werd onlangs hard teruggefloten omdat hij iets te openlijk blij was met zichzelf). Dergelijke programma's zijn bij uitstek uitingen van de horizontale populaire volkscultuur.

Meedoen aan een wedstrijd als The Voice Kids biedt tal van voordelen en sluit aan bij deze horizontale cultuur. Het is een legitieme manier om status te krijgen (tenzij je onbescheiden gelooft dat je de beste bent, let dus wel op je woordkeuze).  Ouders verkrijgen die status via hun kinderen, dus werken ze eraan mee. En het sluit aan bij het geloof in het individu. Vandaar dat er vooral gesproken wordt van Talent. Dat heb je en dat mag je blijkbaar ook hebben – dat wil zeggen: voor sport, zingen of iets anders op televisie. Vandaar ook dat de kinderen zo’n harde klap krijgen van de afwijzing. Of dat ze niet eens te horen krijgen dat ze nauwelijks kunnen zingen. Het zou veel eerlijker zijn om ze te vertellen dat er maar heel weinig echte talenten zijn, die ook nog succesvol zijn. Dat is een combinatie van talent, heel hard werken en lessen volgen en een hele hoop geluk met de juiste persoon op het juiste moment. Dat wordt ze echter nooit verteld. De droom is daarna heel rijk en beroemd te zijn. Dat die droom vrijwel nooit uitkomt en dat roem zijn prijs heeft, wordt daarbij verzwegen. De "eeuwige roem" van televisie duurt sowieso maar een paar dagen, hooguit weken. Maar het belangrijkste is en blijft: ze zijn even op tv geweest. En dat geeft status in een samenleving waarin het heel lastig is om te schitteren.



*naschrift: in de uitzending van Debatop2 van 4 februari 2012 over dit onderwerp, was deze pedagoog ook aanwezig. Hij zei dat het kopje "gedresseerde apen in een arena van verval" niet zijn woorden waren, maar door de redactie waren toegevoegd. Waarvan akte. Hij vroeg zich in de uitzending af wat voor programma The Voice Kids nou was. Immers, als het een kinderprogramma was, zou het toch niet zo laat worden uitgezonden? Goed punt. In opzet is het programma natuurlijk vooral gericht op het trekken van zoveel mogelijk kijkers en daarmee reclame-inkomsten (en later natuurlijk de sms-jes van de kijkers). Dat de medewerkers van het programma liefdevol en zorgvuldig met de kinderen omgaan, wil ik meteen geloven. In de opzet van het programma wegen andere belangen echter duidelijk zwaarder.