maandag 5 maart 2012

Waarom de Tijgermoeder gelijk heeft


Onlangs schreef Sebastiaan van der Lubben op Ouders Online (1) een boeiend artikel over de Nederlandse opvoeding, Polderkinderen genaamd. Hij begon met een beschouwing over het boek van Amy Chua: Strijdlied van de Tijgermoeder (Battle Hymn of the Tiger Mother).  Voor wie (over) het boek nog niet gelezen heeft: deze moeder (van Chinese komaf, leeft in de Verenigde Staten en geeft les aan Yale University) bepleit een Aziatische manier van opvoeden, waarbij van het kind het uiterste gevraagd wordt: altijd de beste zijn van de klas, nooit spelen, altijd studeren en minimaal een klassiek instrument bespelen (op concertniveau). Van der Lubben constateert dat de Aziatische opvoedmethode de beste rekenaars en lezers voortbrengt en de oosterse landen opstuwt in de vaart der volkeren. Toch wordt deze opvoedmethode door Nederlandse pedagogen afgewezen. Nederlandse ouders blijven steeds in overleg met hun kind, onderhouden een goede relatie en stimuleren het in zijn of haar ambities. Het beste wat ouders kunnen doen, is de intrinsieke motivatie van hun kinderen te stimuleren. Niet onder dwang, want dat leidt wellicht tot uitzonderlijke prestaties, maar ook tot een “wonderlijke persoonlijkheid en een zeer verstoorde relatie met hun ouders en dat is niet echt  `normaal’.”

Het is heerlijk om door deskundigen bevestigd te krijgen dat de Nederlandse ouders het beste opvoeden. Een fijne conclusie, die toch nog heel wat vragen onbeantwoord laat. Want waaróm zijn Aziatische ouders zulke `tijgers’ en wat  kunnen Westerse ouders daarvan leren? Waarom leidde het boek over de tijgermoeder in het Westen tot zulke heftige discussies? Deze vragen kun je alleen beantwoorden vanuit een sociologisch gezichtspunt, namelijk door de opvoeding in een Aziatische context en in een Nederlandse context te zien.

Eerst de Aziatische context. In De Volkskrant (18-2-2012) stond onlangs een artikel over China dat mijn vermoedens bevestigde: in China heerst veel onzekerheid onder de middenklasse. De onderklasse is straatarm en zonder perspectief, en de middenklasse is vrijwel even slecht af. In die samenleving is alleen voor de allerbesten een leefbare plek te veroveren, die krijg je beslist niet cadeau. Daar zul je heel hard voor moeten knokken, want er is enorm veel concurrentie, en maar weinig goede plaatsen. Zo is in China slechts 0,89 procent (!) van de bevolking hoger opgeleid. Daar past geen zachtaardige opvoedstijl bij, al valt het te betwijfelen of werkelijk alle Chinese kinderen volgens de tijgermethode worden opgevoed, de meeste Chinese ouders zullen er de kennis noch de middelen voor hebben om hun kind op pianoles te sturen of naar dure scholen. De Chinese cultuur zelf blijft natuurlijk wel een rol spelen. Daarin is het individu minder belangrijk dan de gemeenschap, en zijn kinderen aan hun ouders verplicht in plaats van –zoals hier- ouders aan hun kinderen.
Maar wat de Aziatische ouders willen, is een heel essentiële wens:  namelijk een toekomst voor hun kind. En die toekomst (anders dan in volstrekte armoe en kansloosheid) is alleen –en dan nog misschien- te krijgen door heel hard te werken en absoluut de beste te zijn. Want inderdaad brengen Aziatische landen de beste rekenaars en lezers voort. Maar hoeveel van die kinderen krijgen later een toekomst met enige welvaart? I rest my case.


Waarom de Tijgermoeder ongelijk heeft

Dan de Nederlandse context. Nederland heeft misschien niet de beste uitblinkers, maar scoort over de hele linie zowel in onderwijsniveau (33% procent van de bevolking is hoogopgeleid) als in welvaart onvergelijkbaar veel hoger dan China. Wereldwijd staan we volgens de Human Development Index, een evaluatie van de Verenigde Naties waarin armoede, analfabetisme, onderwijs en levensverwachting verwerkt is, op de 11e plaats, tegenover China op de 85plaats, achter Armenië en Suriname. Daarnaast zijn hebben de jarenlange ontwikkelingen van democratisering, individualisering en emancipatie hun werk gedaan. In onze samenleving zijn kinderen het meest gebaat bij een overlegopvoeding, waarin ouders zowel sturen als luisteren. Ze stimuleren de zelfsturing, de innerlijke motivatie van de kinderen, omdat volwassenen die varen op een innerlijk kompas de beste kaarten hebben (2). Een echte tijgeropvoeding zou hier niet het gewenste resultaat hebben, de dwang komt daarbij van buitenaf. Niet voor niets kwamen de westerse kinderen van Chua in opstand. Nederlandse ouders weten dit, en hanteren daarom de door Van der Lubben beschreven opvoedstijl. Ze doen het goed. In deze samenleving.


Waarom de Tijgermoeder gelijk heeft

Waarom leidde het boek van Chua in het Westen tot zulke discussies en wat kunnen we van haar leren? Het is duidelijk dat de tijgeropvoeding botst met onze fundamentele opvoedingswaarden en ook niet voorbereidt op een optimaal functioneren in de westerse samenleving. Toch heerst ook hier onzekerheid over onze opvoeding. Niet alleen vanuit de vraag of onze liefdevolle en geluksgerichte opvoedingsmethode zulke gelukkige en succesvolle kinderen heeft voortgebracht. De jonge volwassenen, zelf opgegroeid in de tijd van vanzelfsprekende welvaart en geluk, merken namelijk hoe zwaar de last op hen drukt van het altijd maar gelukkig moeten zijn. Maar ook met het oog op de toekomst van onze maatschappij. Kon de vorige generatie opvoeders nog leunen op zekerheden (een vaste aanstelling, overwaarde op je huis, pensioenopbouw), voor de komende generatie is dat veel minder het geval. De samenleving is onzekerder geworden, en daarmee competitiever. In de onzekerheid over het behoud van je baan bij de zoveelste reorganisatie of bedrijfsovername, in de concurrentie om opdrachten voor de talloze ZZP-ers, in de dans om de vervulling van vacatures met meer dan honderd sollicitanten, worden prestaties belangrijker, óók al omdat tegenwoordig 40% van de schoolverlaters (3) hoger opgeleid is, zodat je met een hbo- of universitair diploma geen uitzondering meer bent.

Dit zijn ontwikkelingen die verklaren waarom de tijgermoeder niet geheel en al wordt afgewezen. Net als in de Verenigde Staten (Amy Chua geeft les aan Yale University), waar competitie en arbeidsonzekerheid al veel langer een belangrijke rol spelen. Een beetje ambitie voor je kinderen is in deze tijd best een goed idee, en de tijgermoeder inspireert daartoe, zonder dat Nederlandse ouders geheel en al zullen overgaan tot haar methoden. We worden geen tijgermoeders/vaders, dat zou hier niet passen. Maar zelfontplooiing alléén is niet langer het belangrijkste opvoedingsdoel. Ouders van nu zijn bewust bezig met de toekomst van hun kind. Net als ouders vroeger, en net als ouders in Azië, steeds op de manier die bij hun tijd en samenleving past.



Noten:
(1)   www.ouders-online.nl  van 05-02-2012
(2)  Zie ook C. Brinkgreve (2004): Vroeg Mondig, Laat Volwassen.

donderdag 1 maart 2012

Citotraining, of waarom ambitie geen vies woord is

Voorafgaand aan de Cito-toets[1] blijken veel ouders van kinderen uit groep 8 hun kind naar speciale Cito-trainers te sturen, om het optimaal op de Cito-toets voor te bereiden. In verontwaardigde artikelen wordt geschreven over ouders die hun kind onder buitensporige druk zetten, en over kinderen die “van de spanning niet kunnen slapen en met zwetende handen aan de Cito-toets beginnen.”[2] Het is overigens niet bekend hoevéél ouders hun kinderen naar zo’n training sturen. Een docente in groep 8 heeft dit jaar “twee meisjes met Cito stress”[3]. In een hele klas met gemiddeld 25-30 kinderen lijkt dat nog reuze mee te vallen.

Maar je zou je moeten afvragen waaróm sommige ouders hun kind naar een Cito-training sturen. Wat zegt dat over die ouders, over het onderwijs en over onze samenleving?

In een notendop bevat deze discussie namelijk vele aspecten, die allen zeer Nederlands zijn. Om te beginnen kennen wij ongeschreven regels van goed ouderschap. Daarin moeten kinderen vooral gelukkig zijn, en “ongedwongen zichzelf”. Ouders die hun kinderen pushen, overtreden deze regel. Ze overtreden ook de ongeschreven regel van gelijkheid, waarin al te openlijke ambitie voor jezelf of voor je kinderen, wordt afgestraft.

De Nederlandse cultuur is een gelijkheidscultuur. Niemand is beter dan de ander en loodgieters zijn net zo hard nodig als hersenchirurgen. Ouders die hun kind koste wat kost naar havo-vwo willen hebben, zouden zich dan ook moeten schamen, er is toch niets mis met een vmbo-diploma? Het gaat er toch om dat je kind gelukkig is? Maar het rapport De Sociale Staat van Nederland 2011[4] laat iets anders zien. Daaruit blijkt dat de levensstandaard, het inkomen en zelfs de gezondheid van mensen, in hoge mate samenhangt met hun opleidingsniveau. Met andere woorden: het maakt wel degelijk verschil of je kind loodgieter wordt, of hersenchirurg[5]. En ook al is het taboe om het hardop te zeggen, ouders weten dit. En kiezen er dan toch voor om, tegen de ongeschreven regels in, hun kind extra te laten ondersteunen.[6]

De idealen van gelijkheid, geluk en “jezelf zijn” overheersen met name in het basisonderwijs in Nederland. In andere landen worden er hogere eisen gesteld aan kinderen. En dan blijkt, dat kinderen er veel beter tegen blijken te kunnen dan wij denken, als ze een beetje worden gepusht. Dat ze met een beetje aanmoediging tot méér prestaties in staat blijken te zijn. Bovendien leert een kind dat je iets kunt bereiken door hard ervoor te werken. Dat is een betere mentale uitrusting dan het hier overheersende idee dat je er nu eenmaal talent voor moet hebben. Want waarom worden ouders er niet op aangesproken als zij hun kinderen laten meedoen aan talentenshows als The Voice Kids, maar wel als zij ze naar citotraining sturen? Omdat je blijkbaar wel een talent mag hebben, maar niet iets méér mag willen zijn dan de ander. Overigens geldt deze tolerantie dan weer niet voor hoogbegaafde kinderen, die (met hun ouders) vaak op onbegrip en grote weerstand kunnen rekenen.

Op de basisscholen heerst dus de cultuur van gelijkheid en geluk. Maar aan het eind van de basisschool komt de realiteit van ongelijkheid in zicht. Die begint bij de Cito-toets, die als verdeelsleutel is gaan werken. Maar dat deze zo zwaar weegt, komt door de tweedeling die in het vervolgonderwijs is ontstaan. Door de onderwijsveranderingen van de afgelopen 15 jaar is er een kloof ontstaan tussen het beroepsvoorbereidende onderwijs (vmbo) en het algemeen vormend onderwijs (mavo-havo-vwo)[7].  Het opklimmen van lagere naar hogere onderwijsniveaus is vrijwel tot stilstand gekomen, terwijl doubleren óók wordt ontmoedigd: eerder wordt een kind naar een lager niveau doorgestuurd. Scholen worden namelijk afgerekend (door zowel de overheid als door de ouders) op hun slagingspercentage. Kinderen die het niveau niet dreigen te halen, worden daarom  naar een lager niveau doorverwezen. Zo kan het gebeuren dat de vwo’s  uitpuilen van de (serieus studerende en goed samenwerkende) meisjes, terwijl de (wat onbesuisder) jongens in het havo oververtegenwoordigd zijn.

Het is het gebrek aan doorstroming dat de Cito-stress veroorzaakt. Als een kind heel graag naar een bepaalde school wil en weet dat het daarvoor 532 punten moet scoren, staat het onder grote druk, omdát het maar één kans krijgt. Ouders kiezen dan voor een training, desnoods met een “verkeerd schooladvies” als gevolg. Afstromen kan altijd nog, als het echt niet gaat. Maar ze hopen dat het hogere niveau hun kind tot betere prestaties prikkelt. En vaak werkt dat ook zo. Ook bij deze ouders overheerst de wens dat hun kind vooral gelukkig is. Zij willen de “juiste” plaats voor hun kind, niet per sé de hoogste. Maar ze hebben niet altijd het vertrouwen dat het kind daar vanzelf terecht zal komen[8].

Want er is nog een ander aspect. De kloof is niet alleen een intellectuele, maar ook een culturele kloof. Ook dit mag niet hardop gezegd worden, maar ook hiervan zijn ouders op de hoogte. De cultuur op het vmbo draagt ertoe bij dat het voor het kind nóg moeilijker wordt om naar boven op te klimmen. De kinderen die wèl naar het vmbo gaan, hebben hier ook last van. Omdat ze het gevoel hebben in het `afvoerputje’ terecht gekomen te zijn, omdat ze geassocieerd worden met problemen in plaats van met goed vakmanschap, omdat de weg naar boven afgesneden is en omdat daardoor de ambitie in de onderwijscultuur ontbreekt.

Kortom: ouders die hun kind naar een Cito-training sturen hebben daar vaak goede redenen voor. In plaats van naar hen te wijzen, zouden we ons eens achter de oren moeten krabben bij het bestaan van een dramatische breuklijn tussen schoolsoorten en schoolculturen. Maak doorstroming èn het koesteren van ambities op alle momenten en in alle schoolniveaus mogelijk, zodat de laatbloeiers, de dromers, de stapelaars en de toekomstige vaklieden er óók uit kunnen halen wat erin zit.


[1] Dit blogartikel verscheen eerder als opinie-artikel op www.ouders-online.nl (12 februari 2012)
[4] Sociaal Cultureel Planbureau, 2011.
[5] Overigens zijn loodgieters inderdaad onontbeerlijk en worden zij ook prima betaald. Dit geldt helaas niet voor de meeste beroepen waar het vmbo en aansluitend het mbo voor opleidt. Daarnaast is er ook sprake van een relatief hoge kans op voortijdig schoolverlaten.
[6] En kijken wel uit om daarvan iets tegen de leerkracht te zeggen, zie NRC Handelsblad 7 februari 2012: “Falen voor de Cito-toets is verboden”
[7] Zie mijn hoofdstuk: “jeugd van school naar werk, ontwikkelingen en achtergronden”, hoofdstuk 5 in: F. Spangenberg en M. Lampert (2011): De Grenzeloze Generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. IK
[8] Zo is het niet vanzelfsprekend dat een hoogbegaafd kind de Cito-toets goed zal maken, omdat hij of zij de vragen vaak anders interpreteert…


donderdag 16 februari 2012

Wat leren jongeren van bijbaantjes?

“Eenderde van de 12-jarigen in Nederland heeft een betaalde bijbaan of had die in het verleden, terwijl werk op die leeftijd niet is toegestaan. Met armoede heeft dat niks te maken: het zijn vooral kinderen van welgestelde tweeverdieners die al op jonge leeftijd aan de slag gaan om hun luxe telefoons en computerspellen te bekostigen.”  Zo blijkt uit onderzoek van Irewoc, een wetenschappelijk instituut dat kinderarbeid wereldwijd onderzoekt, onder ruim 2500 kinderen tussen de 12 en 15 jaar.[1]
Deze week kwam het onderzoek in het nieuws, waarbij scherpe kanttekeningen werden geplaatst bij bijbaantjes voor jongeren. De onderzoekster trekt met name de leerzaamheid van het bijbaantje in twijfel en  merkt op dat “kinderen het vrijwel uitsluitend voor het geld doen”. De baantjes zelf zijn niet leerzaam, maar “saai en vermoeiend”.
Hoog tijd dus om de leerzaamheid van bijbaantjes aan een nader onderzoek te onderwerpen. Wat leren kinderen (13-15 jaar)[2] van bijbaantjes?
In de jaren vóór en kort na de Tweede Wereldoorlog, was het voor veel jongeren – met name uit de lagere sociale klassen- gebruikelijk om op hun 13e of 14e de schoolbanken te verruilen voor werk. In de fabrieken, werkplaatsen of kantoren leerden zij vervolgens hun vak, door eenvoudig te beginnen en langzaam op te klimmen – vaak ook door het volgen van aanvullend avondonderwijs. Doordat jongeren in de afgelopen decennia steeds langer in de schoolbanken bleven zitten, was arbeid langzaamaan uit het leven van kinderen verdwenen. Maar de afgelopen 15 jaar is het bijbaantje sterk in opkomst en tegenwoordig heeft 22% van de 12-jarigen, oplopend tot 68% van de 17-jarigen een bijbaantje van gemiddeld 7 uur (15-jarigen) tot 9 uur (18-jarigen) per week.[3]
Maar wat leren ze nou? Hun werkzaamheden hebben meestal niets te maken met hun eventuele toekomstige beroep en zijn vaak eentonig en saai. Dat stelt ook de onderzoekster van bovenstaand artikel.  Maar een bijbaantje kan een jongere wel degelijk iets leren, ze leren er bijvoorbeeld de eerste beroepsvaardigheden als op tijd komen, verantwoordelijkheid voor hun eigen werk en opdrachten van leidinggevenden uitvoeren. Dat leren ze op een andere manier dan op school. Nu zijn ze niet het kind dat opgevoed, gemotiveerd en toegesproken moet worden, maar de werknemer die zijn of haar verantwoordelijkheden heeft en bij goed werk betaald en bij falen ontslagen wordt. Het is hun eerste kennismaking met de volwassen wereld van bedrijven, bazen en werkgevenden. Omdat ze nog niet financieel (geheel) afhankelijk zijn van hun inkomsten, kunnen ze op deze manier met vallen en opstaan leren hoe werken werkt.
Ouders weten dit, en moedigen daarom het bijbaantje tot op zekere hoogte aan. Omdat voor de langere termijn het schooldiploma belangrijker is, houden ze wel in de gaten dat het baantje de schoolprestaties niet te negatief beïnvloedt. Maar ouders weten ook dat werkervaring belangrijk is als hun kind later met diploma de arbeidsmarkt betreedt. Kortom: het staat goed op je c.v. en ouders zijn ook bezig met de toekomst van het kind.
Volgens de onderzoeksters werken kinderen alleen maar voor het geld, en daar heeft ze zeker een punt. Per jaar verdienen de jongeren gemiddeld ruim 1400 euro aan hun bijbaantje. Ter vergelijking: hun zakgeld is gemiddeld 350 euro per jaar.[4] De inkomsten uit het bijbaantje zijn dan ook vooral voor eigen consumptie, ook al is het afstaan van kostgeld zeker niet verdwenen.[5]  Het consumptiepeil van jongeren ligt hoog, vooral als gevolg van groepsdruk en druk van de commercie. Deze zijn zo hoog dat maar liefst 60% van de jongeren nog wel eens geld tekort komt.[6]
Ook hier bewijst zich de vormende waarde van het bijbaantje. Volgens de onderzoekster van Irewoc werken kinderen niet zozeer uit armoede, want met name kinderen van welgestelde ouders hebben een bijbaantje. Zij ziet als mogelijke verklaring dat deze kinderen van huis uit meer arbeidsethos meekrijgen en dat zij wellicht over een beter netwerk beschikken dat hen aan een baantje kan helpen. Dat laatste is aannemelijk, hoewel er voor een folderwijk niet veel netwerk hoeft te zijn. Aan de factor arbeidsethos twijfel ik wel. Het lijkt me tamelijk discriminerend om te veronderstellen dat minder welgestelde ouders minder arbeidsethos zouden hebben. Een kijkje in de werkplaats en een kijkje in de kantoortuin levert echt een ander beeld op van wat van hard werken inhoudt.
Maar op een andere manier kan de factor arbeidsethos wel degelijk een rol spelen. Kinderen van welgestelde ouders groeien op in weelde. Zij hebben een eigen kamer met alle luxe, krijgen mooie kleren, gaan op dure vakanties en de electronische gadgets zijn all over the place. Deze ouders hebben –wanneer het kind om de nieuwste Ipad vraagt- niet als excuus dat ze er het geld niet voor hebben, maar willen hun kinderen toch leren dat het geld niet uit de lucht komt vallen. Dat juist deze kinderen dus vaker een bijbaantje blijken te hebben, getuigt daarom van een lovenswaardig pedagogisch inzicht bij die ouders.


[1] De Volkskrant, 15 februari 2011: “Eenderde van 12-jarigen heeft ‘leerzaam’ betaald baantje: http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2686/Binnenland/article/detail/3180670/2012/02/15/Eenderde-van-12-jarigen-heeft-leerzaam-betaald-baantje.dhtm
[2] Werken is voor 12-jarigen wettelijk niet toegestaan, maar het blijkt dus wel te gebeuren. Onderzocht zou moeten worden om welk werk het gaat en of het schadelijk is voor de kinderen. In dat laatste geval zou de wet dus veel strenger moeten worden nageleefd.
[3] Zie: F.Spangenberg en M.Lampert (2011): “De Grenzeloze Generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. IK.”Hoofdstuk 5, door Mieke van Stigt: Jeugd van School naar werk, ontwikkelingen en achtergronden.
[4] VWS beleidsnota: “Onze jeugd van tegenwoordig” 2009.
[6] VWS beleidsnota 2009 p. 16

woensdag 1 februari 2012

Ik wil beroemd worden!

Kinderen op tv, niet alleen in The Voice Kids en Junior Master Chef, maar ook bij programma’s die niet alléén met jonge kinderen werken, zoals The Voice of Holland en Holland’s Got Talent. Waar komt die drang van ouders en hun kinderen om op die manier op de voorgrond te treden, toch vandaan? In De Volkskrant van vandaag (1 februari 2012) maakt pedagoog Stijn Sieckelinck de vergelijking met de simpele Italiaanse shows met rondborstige dames, en noemt hij de kinderen: “The Voice Kids, gedresseerde apen in een arena van verval.” *

Hoe duidelijk die mening ook is – voor de zekerheid stelt de pedagoog nog even dat hij niet de helft van de dag met zijn neus in de boeken zit en dat hij zijn neus óók niet ophaalt voor populaire cultuur- programma’s als The Voice Kids, en zowel het feit dat zowel kinderen eraan mee willen doen als het feit dat ouders dat nog goed vinden óók,  zijn culturele verschijnselen die we alleen kunnen begrijpen als we ons verdiepen in onze cultuur en onze samenleving.

Want wat brengt ouders en hun kinderen ertoe om massaal aan deze programma’s mee te willen doen? Dat heeft alles te maken met status en de mogelijkheden van status in onze samenleving.

Vaak wordt geklaagd over Nederland, dat je je hoofd niet boven het maaiveld mag uitsteken of het wordt er (figuurlijk gesproken) afgemaaid. “Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg” en “je hoeft niet te denken dat je beter bent dan een ander”  zijn sterke normen die ons gedrag naar gelijkvormigheid dwingen. Hoogbegaafde kinderen (en volwassenen) hebben hier behoorlijk last van, omdat ze niet, of slechts met veel moeite, zich kunnen aanpassen aan dat maaiveld.

Dat Nederland zo’n horizontale samenleving is, heeft een lange geschiedenis en heeft te maken met onze handelsnatie. Al in de Gouden Eeuw waren de koopmannen belangrijker dan de adel. Waar in andere landen (bijvoorbeeld Frankrijk) de gewoonten van het Hof, via de adel, via de burgerij, konden doordringen in de hele cultuur, waren in Nederland de normen en waarden van de handelslieden en dus de (hogere) middenklasse bepalend voor onze gehele samenleving. Dit verklaart waarom Franse presidenten in zorgvuldig gekozen bewoordingen hun favoriete filosofen bespreken, terwijl je dat de Nederlandse Minister-president nooit zult horen doen.  Het verklaart ook waarom het in Frankrijk als behulpzaam wordt beschouwd als je het taalgebruik van een ander corrigeert (we streven toch samen naar het hogere?) en in Nederland het corrigeren van de ander (“nee, het is niet beter als hun, het is beter dan zij!”) als een grove belediging.  Wij zijn een horizontale cultuur.

Sinds de enorme economische vooruitgang na de Tweede Wereldoorlog en de daarmee gepaard gaande processen van democratisering, emancipatie en individualisering, is het al helemaal taboe geworden om onze samenleving in termen van sociale klasse te bespreken. Wij zijn immers allemaal gelijk en niemand is beter dan de ander. Toch is er nog wel degelijk sprake van het bestaan van sociale verschillen. Het Sociaal Cultureel Planbureau stelt in het rapport “De Sociale Staat van Nederland 2011” dat er duidelijke verschillen zijn in leefsituatie tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden. Dit is zowel in politiek, als in sociaal-economisch en in sociaal-cultureel opzicht. Met andere woorden: in de politieke keuzes, in je opleiding en werk èn in je culturele smaak en leefstijl zijn er duidelijke verschillen tussen die groepen.

De verdeling in Nederland is volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek als volgt: in 2003 was een kwart van de bevolking tussen de 25 en 65 jaar hoogopgeleid (HBO of hoger) en zo’n 32 procent was laagopgeleid (basisonderwijs en onder het niveau van de startkwalificatie). De rest zit daar tussen, zo’n 43 %.  Het brede midden is ook hier duidelijk zichtbaar. Daarbij moet worden opgemerkt dat er een bijzonder sterk verband is tussen het opleidingsniveau van de ouders en dat wat de kinderen zullen bereiken, kortom, de cultuur thuis is in sterke mate bepalend.

De individualisering heeft ertoe geleid dat we tegenwoordig alles wat we doen als een puur individuele keuze beschouwen. Maar het maakt nog steeds uit in welk nest je bent geboren (de positie van je ouders), de plek waar je bent geboren (stad of platteland), welke opleiding je hebt gedaan, of je man of vrouw bent, of je autochtoon of allochtoon bent en in welk decennium je bent geboren. Al deze factoren spelen wel degelijk een rol bij de kansen die je krijgt en de keuzes die je maakt.  Daarnaast heeft ieder individu zijn of haar eigen mogelijkheden en beperkingen. Het ligt weer aan bovenstaande factoren wat er vervolgens mee gebeurt.

Goed, we leven dus in een horizontale cultuur met verborgen en zo goed als onbespreekbare sociale verschillen. De werkelijke weg naar een betere positie is die van de hogere opleiding. Immers: hoe hoger opgeleid, des te beter je kansen op een gezonde en welvarende leefsituatie. De meeste ouders weten dit, ze proberen immers koste wat het  kost hun kind een goede Cito-score te laten krijgen en vervolgens een plekje in een scholengemeenschap met Havo-Vwo. Die ouders hebben echter de cultuur tegen: een al te openlijk streven naar die betere school voor je kind is strijdig met het maaiveld-principe (“daar heb je weer zo’n ouder met een zogenaamd hoogbegaafd kind”).

Het maaiveldprincipe geldt heel sterk voor mensen die zich willen onderscheiden op school (nerds, stuudjes) werk (strebers), in de buurt (uitslovers), in de familie (“omhooggevallen”). Opmerkelijk is dat de kinderen die op het gebied van sport of muziek uitblinken, véél populairder zijn dan de kinderen die steeds maar hoge cijfers halen en moeilijke boeken lezen. Maar dit heeft dus alles te maken met onze horizontale cultuur. De iconen van deze cultuur zijn namelijk de sportmensen en de televisiemensen, met name de zangers. Onder voorbehoud natuurlijk dat zij zo gewoon mogelijk doen (René en Natascha Froger, Marco Borsato) en zich niet al te duidelijk onderscheiden (Ivo Niehe werd onlangs hard teruggefloten omdat hij iets te openlijk blij was met zichzelf). Dergelijke programma's zijn bij uitstek uitingen van de horizontale populaire volkscultuur.

Meedoen aan een wedstrijd als The Voice Kids biedt tal van voordelen en sluit aan bij deze horizontale cultuur. Het is een legitieme manier om status te krijgen (tenzij je onbescheiden gelooft dat je de beste bent, let dus wel op je woordkeuze).  Ouders verkrijgen die status via hun kinderen, dus werken ze eraan mee. En het sluit aan bij het geloof in het individu. Vandaar dat er vooral gesproken wordt van Talent. Dat heb je en dat mag je blijkbaar ook hebben – dat wil zeggen: voor sport, zingen of iets anders op televisie. Vandaar ook dat de kinderen zo’n harde klap krijgen van de afwijzing. Of dat ze niet eens te horen krijgen dat ze nauwelijks kunnen zingen. Het zou veel eerlijker zijn om ze te vertellen dat er maar heel weinig echte talenten zijn, die ook nog succesvol zijn. Dat is een combinatie van talent, heel hard werken en lessen volgen en een hele hoop geluk met de juiste persoon op het juiste moment. Dat wordt ze echter nooit verteld. De droom is daarna heel rijk en beroemd te zijn. Dat die droom vrijwel nooit uitkomt en dat roem zijn prijs heeft, wordt daarbij verzwegen. De "eeuwige roem" van televisie duurt sowieso maar een paar dagen, hooguit weken. Maar het belangrijkste is en blijft: ze zijn even op tv geweest. En dat geeft status in een samenleving waarin het heel lastig is om te schitteren.



*naschrift: in de uitzending van Debatop2 van 4 februari 2012 over dit onderwerp, was deze pedagoog ook aanwezig. Hij zei dat het kopje "gedresseerde apen in een arena van verval" niet zijn woorden waren, maar door de redactie waren toegevoegd. Waarvan akte. Hij vroeg zich in de uitzending af wat voor programma The Voice Kids nou was. Immers, als het een kinderprogramma was, zou het toch niet zo laat worden uitgezonden? Goed punt. In opzet is het programma natuurlijk vooral gericht op het trekken van zoveel mogelijk kijkers en daarmee reclame-inkomsten (en later natuurlijk de sms-jes van de kijkers). Dat de medewerkers van het programma liefdevol en zorgvuldig met de kinderen omgaan, wil ik meteen geloven. In de opzet van het programma wegen andere belangen echter duidelijk zwaarder. 

woensdag 4 januari 2012

Overgewicht: aanleg of opvoeding?

Het NCRV-programma Debat op 2 stelt deze week de vraag: "Overgewicht, is het aanleg of is het opvoeding?"  Dit is echter niet de goede vraag. Natuurlijk speelt aanleg een rol, en uiteraard is het gedrag van de ouders belangrijk. Maar op deze manier worden de belangrijkste factoren over het hoofd gezien. De gehele voedingsindustrie is gericht op zoveel mogelijk instant behoeftenbevrediging. Kennis over gezonde voeding is ver te zoeken, maar dit wordt door de supermarkten, fabrikanten en fastfoodleveranciers in alle gedaanten zeker niet goedgemaakt. Laat staan dat het mogelijk of duidelijk gemaakt wordt. Zoete yoghurt en ontbijtkoek worden geadverteerd met "vetvrij" of "vetarm". In de snackbar een advertentie dat deze frites "minder calorieën bevatten dan een broodje kaas" - ja, als je inderdaad een portie van 150 gram (vijf van die dikke frieten?) zonder mayo neemt. Niet dus. "Gezonde tussendoortjes" bevatten weliswaar weinig vet maar gewoonlijk heel veel suiker, en worden verpakt per twee of drie stuks. Kortom, voor de gewone consument is het maken van een gezonde keuze buitengewoon lastig, zo niet onmogelijk. Lees hierover ook mijn blog: http://miekevanstigt.blogspot.com/2011/10/de-schijf-van-vijf-is-in-de-supermarkt.html
Daarnaast zijn er nog zoveel factoren die een rol spelen: ongezonde kantines op scholen. Frietverkopende zwembaden en sportkantines, de rol van suiker, de rol van hormonen, enzovoorts. Overgewicht is een veelkoppig monster, dat niet onder één oorzaak te vangen is. Maar bovenal is overgewicht een klassenkwestie. Kinderen van hoogopgeleide ouders krijgen eerder te weinig vet (dat ze wel nodig hebben voor hun groei) dan te veel. Die ouders hebben ook iets te verliezen, namelijk status. Overgewicht wordt geassocieerd met lage status en lage intelligentie. Al lang is bewezen dat zelfbeheersing veel minder een rol speelt dan wordt aangenomen. De overheid laat een taak liggen in voorlichting over wat gezonde voeding is en wat een gezonde leefwijze is. Vettaks is te makkelijk, suiker speelt een grotere rol. Tegelijk wordt vergoeding van de diëtiste uit het verzekeringspakket geschrapt. De overheid en de voedingsindustrie hebben zeker baat bij het stigmatiseren van overgewicht als eigen schuld, dikke bult. Dan wordt de verantwoordelijkheid bij de dikkerds gelegd en hoeft verder niemand iets te doen. Maar de wetenschapsjournaliste Asha ten Broeke heeft al uitgezocht dat een bijstandsmoeder geen gezond voedingspatroon kan betalen, wel een vette hap (http://www.ashatenbroeke.nl/asha/2011/12/22/wat-kost-eten-eigenlijk/).
Conclusie: in het woud der verleidingen zijn de gezonde keuzes steevast duur, ingewikkeld, lastig en onbekend en kosten bovenmatig veel zelfbeheersing, veel meer dan mensen gemiddeld kunnen opbrengen, tenzij ze daar aan status mee kunnen winnen (en er het geld èn de kennis voor hebben!). De overheid doet hier heel weinig aan en de voedingsindustrie maakt winst. De dikkerds worden gestigmatiseerd als schuldig, dom en ongedisciplineerd, en zijn nu ook nog eens de veroorzakers van dure ziektekosten. Maar wist u dat gezond leven ons ook op kosten jaagt? Sportblessures kosten ons jaarlijks 1,4 miljard euro. Maar daar hoor je verder niemand over, dat valt natuurlijk niet binnen het stigmatiseringsbeleid. 
(http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ziekten-en-aandoeningen/letsels-en-vergiftigingen/sportblessures/sportblessures-samengevat/ )