donderdag 24 mei 2012

Ouderbetrokkenheid als antwoord op welk probleem?


Er is de laatste maanden veel te doen over ouderbetrokkenheid. Demissionair minister van onderwijs Marja van Bijsterveldt wil ouders betrekken en reist daartoe door het land. Ook scholen en onderwijsondersteunende instanties organiseren studiedagen over het thema van ouderbetrokkenheid. Pedagoog Micha de Winter hield onlangs een prachtige lezing op een symposium over ouderbetrokkenheid in het mbo, waarbij hij pleitte voor een positieve pedagogische omgeving voor kinderen en jongeren, die bereikt kan worden door samenwerking tussen ouders en school.  Kortom: het thema van ouderbetrokkenheid lééft.

Maar op welk probleem is ouderbetrokkenheid nou eigenlijk een antwoord? De suggestie van het nieuwe pleidooi voor ouderbetrokkenheid is, dat ouders niet of niet voldoende betrokken zouden zijn. Dit wordt door het gezinsrapport 2011 van het Sociaal en Cultureel Planbureau tegengesproken: Nederlandse ouders doen het prima en besteden twee keer zoveel tijd aan hun kinderen als hun eigen ouders dat dertig jaar geleden deden. De meeste ouders zijn dus enorm betrokken, en ook de bijdrage die zij leveren aan de dagelijkse gang van zaken op scholen is veel groter dan enige decennia geleden, toen ouders nauwelijks de school binnen kwamen. Dat, terwijl ouders (in het geval er sprake is van twéé aanwezige ouders) tegenwoordig meestal allebei werken. Overigens zijn het vooral de moeders die in de school allerlei hand- en spandiensten verrichten. Scholen in Nederland lijken nog weinig ingesteld op werkende moeders: verzoeken om hulp komen vaak op wisselende momenten of worden steeds dringender (“we zoeken voor komende week nog ouders die…”) , terwijl een school met een béétje ervaring toch wel een fatsoenlijke jaarplanning zou kunnen maken. Je zou zelfs kunnen stellen dat de eisen van de school veel moeders belemmeren om méér uren te gaan werken, maar dat is een andere discussie. In ieder geval komen de activiteiten voor en rondom school dus nog eens bij hun gewone arbeids- en zorgtaken.

Bij discussies en symposia over ouderbetrokkenheid wordt gesproken over twee soorten ouderbetrokkenheid: de betrokkenheid in school (deze wordt ook wel –maar niet altijd- ouderparticipatie genoemd) en de betrokkenheid thuis. Deze twee worden vaak verward en vaak gaan discussies over ouderbetrokkenheid over de activiteiten van ouders in en rond de school. Uit onderzoek[1] blijkt echter dat driekwart van de schoolleiders vooral betrokkenheid thuis wil: dat ouders belangstelling hebben voor de schoolse activiteiten van hun kinderen en hen daarbij ondersteunen. Niet alle ouders vinden dit even gemakkelijk: ruim een kwart van de ouders (van kinderen op de basisschool) mist de instructies voor deze vorm van ouderbetrokkenheid.

Uit decennialang sociaalwetenschappelijk onderzoek[2] is bekend dat kinderen van middelbaar- en hoger opgeleide ouders, van wie het thuismilieu goed aansluit bij het schoolmilieu, daar optimaal van profiteren en dus (gemiddeld) beter presteren op school. Het is dan ook duidelijk dat deze ouders meer dan voldoende "betrokken" zijn om hun kind te ondersteunen. Zij weten hoe het onderwijs werkt en wat belangrijk is, en kunnen hun kinderen optimaal begeleiden. Ook het taalgebruik thuis speelt een belangrijke rol[3]. Kinderen van laagopgeleide ouders (en/of allochtone ouders met een lage opleiding) hebben te maken met grote verschillen tussen thuis- en schoolmilieu en met ouders die hun kind niet optimaal kunnen ondersteunen. Daarbij moet worden opgemerkt dat veel ouders wel "betrokken" zijn maar vaak de kennis missen om dit op een goede manier te doen. Een deel van de huidige discussie over ouderbetrokkenheid lijkt vooral over deze groep ouders te gaan of zich daarop te richten. Het belang hiervan is groot: als je deze ouders méér of effectiever kunt betrekken bij de opleiding van hun kind, maken die kinderen meer kans in het onderwijs en daarmee in de (toekomstige) samenleving. De meeste ouders (uit deze groepen) zijn van goede wil, maar weten niet hoe. Ze missen ofwel kennis van de Nederlandse cultuur, de Nederlandse taal ofwel de kennis en het taalgebruik die bij het schoolmilieu aansluit. Het is tegenwoordig `not done’ om al te specifiek in termen van sociale klasse te spreken. Daarom wordt er gestreefd naar `ouderbetrokkenheid’, zonder te vermelden om welke ouders het gaat (lager opgeleiden en/of allochtone ouders) en zonder het probleem te benoemen (de kloof tussen het school en het thuismilieu).

Wanneer het om het mbo gaat, wordt de term `ouderbetrokkenheid’ danig opgerekt. Het gaat immers om (ouders van) jongeren van 16 jaar en ouder. Dit is een nieuwe ontwikkeling in de geschiedenis van onderwijs en opvoeding.  Sinds 1950 gaan jongeren steeds langer naar school en halen ze steeds massaler hogere diploma’s.[4] Dat heeft enorme gevolgen gehad voor zowel het onderwijs als de jeugdperiode. Voor de jeugdperiode betekende dit dat jongeren steeds langer, onder leeftijdgenoten, een aparte plaats in de samenleving innemen. Ze hebben nog geen eigen inkomen en zijn afhankelijk van hun ouders. Ze bereiden zich voor in het onderwijs, op hun toekomst. Voor het onderwijs betekende dit, dat problemen met de arbeidersjeugd zich verplaatst heeft van de straat en de fabriek naar de school.[5] Deze ontwikkelingen zien we terug in het pleidooi voor ouderbetrokkenheid in het mbo. Enerzijds blijkt het dus heel belangrijk om deze ouders te betrekken, zodanig zelfs dat Minister van Bijsterveldt zich daar specifiek mee bezighoudt, vooral vanuit de vraag hoe dit moet als jongeren vanaf hun 18e niet meer leerplichtig zijn. Echter: het behalen van een startkwalificatie (havo, vwo of mbo 2 diploma) is verplicht voor jongeren tot 23 jaar. Om dat felbegeerde diploma voor deze moeilijke groep jongeren te bereiken, is de betrokkenheid van ouders èn de school bij de jongere essentieel.

Ook ouders hebben dus te maken met deze nieuwe jeugdperiode, en ook middelbaar- en hoger opgeleide ouders hebben soms moeite om hun opgroeiende kinderen optimaal te ondersteunen. Ouderschap stelt vaak tegenstrijdige eisen. Kinderen moeten `gelukkig zijn’ en `lekker in hun vel’ zitten, maar dat schooldiploma moet natuurlijk wel gehaald worden. De autoritaire opvoeding heeft afgedaan. Ouders die teveel dwingen worden al gauw `tijgerouders’ genoemd, ouders die te voorzichtig zijn `hyperouders’, of hun kind lijdt aan het `verwende kind syndroom’. Je doet het niet gauw goed. Zéker in de puberteit krijgen ouders te maken met een geduchte concurrentie van de vriendengroep van hun kinderen (wier normen en gedrag het doel van het schooldiploma eerder tegenwerken dan ondersteunen) en van de consumptiecultuur en digitale media (idem). Richtlijnen voor ouders ontbreken, verwijten zijn er te over. Geen wonder dat het recente boek van Marina van der Wal en Jan Dijkgraaf: Het enige echte eerlijke puberopvoedboek, binnen twee maanden na verschijning (2012) al zijn derde druk beleeft.

Maar ouderbetrokkenheid kan niet zonder schoolbetrokkenheid. Dit is ook deel van het betoog van Micha de Winter. In een (ideale) positieve pedagogische omgeving, werken school en ouders optimaal samen. Dat geldt voor peuterspeelzaal of kinderdagverblijf, basisschool, voortgezet onderwijs tot en met het vervolgonderwijs. Waar school en thuismilieu goed op elkaar aansluiten en samenwerken, heeft dat gunstige gevolgen voor het welzijn en de schoolprestaties van het kind of de jongere. Het is niet moeilijk om te zien dat dat vooral gaat lukken als het culturele milieu van de ouders goed aansluit bij dat van de school. Maar dit geldt net zo goed andersom: ook de opstelling en de inzet van de school is belangrijk. Het gezag van de school is niet meer vanzelfsprekend. Met de democratisering en emancipatie zijn ouders niet langer – zoals vroeger- bereid om met ontzag naar school te luisteren. Niet alleen zijn ouders tegenwoordig vaak goed opgeleid, ook is de hiërarchische structuur uit de samenleving grotendeels verdwenen en heeft de `schoolmeester’ aan gezag verloren. Ouders zijn gesprekspartners geworden, en sommige scholen kunnen daar maar moeilijk aan wennen.

In de nieuwe, moeizame overlegcultuur tussen scholen en ouders zijn het niet alleen de ouders die het wel eens af laten weten. Want lang niet altijd nemen scholen verantwoordelijkheid voor problemen van kinderen binnen de school. Zoals bijvoorbeeld bij pesten. In het ideale geval wordt pesten meteen aangepakt, ligt er minimaal een pestprotocol dat op de juiste manier ingezet wordt of is er een sociale vaardigheidstraining die meteen en effectief ingezet kan worden. Maar het komt nog steeds voor dat scholen en docenten liever een andere kant op kijken of de `schuld’ van de problemen bij de leerling leggen en vervolgens niets doen. Ouders moeten soms vechten voor hun kind, tégen de school. Zo kan het gebeuren dat er kinderen thuis zitten omdat er `geen school voor ze te vinden is.’ De recente discussie over ouderbetrokkenheid riep ook om die reden veel weerstand op: het recht van ouders (van kinderen met ontwikkelingsstoornissen) werd niet in de wet vastgelegd.[6] Kortom, waar ouderbetrokkenheid gepaard zou moeten gaan met schoolbetrokkenheid, is dit nog lang niet goed geregeld. Dit is belangrijk, want scholen hebben een heel andere machtspositie dan ouders. Niet altijd is een andere school eenvoudig gevonden (het kan heel moeilijk zijn je kind geplaatst te krijgen), maar ook als er kleine conflicten zijn is de machtspositie verschillend. Ouders vinden het vaak lastig om problemen bij de school aan te kaarten. Ze willen leerkracht en schoolleiding `te vriend’ houden en zijn bang dat eventuele conflicten gevolgen zullen hebben voor hun kind.

Conclusie: ouderbetrokkenheid is vooral het antwoord op problemen van veranderingen in de samenleving. Die problemen zijn grotendeels op het bord van de scholen komen te liggen, die op hun beurt óók niet meer dezelfde maatschappelijke positie hebben als voorheen. Samenwerking met de ouders is daarom essentieel geworden, maar samenwerking kan alleen op basis van wederkerigheid en wettelijke gelijkheid. De rechtspositie van ouders zal dus beter geregeld moeten worden en wederzijdse rechten en plichten zouden voor alle partijen duidelijk moeten worden afgesproken. In dit licht is een contract nog niet eens zo’n gek idee. Maar dan geen oudercontract, maar een samenwerkingscontract. Daarnaast is inzicht belangrijk: in de verschillen tussen thuismilieu en schoolmilieu, in de specifieke problematiek van verschillende scholen en verschillende ouders. Niet om te labelen of te stigmatiseren, maar om optimaal te kunnen streven naar samenwerking tussen ouders en scholen. In het belang van het kind en daarmee in het belang van de samenleving.


[1] Bron: Volkskrant 23 mei 2012, verwijst naar onderzoek van Ecorys
[2] Bijvoorbeeld: J. Dronkers en P.M. de Graaf: Ouders en het onderwijs van hun kinderen. In: Dronkers, J. en P.M. de Graaf. Ouders en het onderwijs van hun kinderen. In: J. Dronkers en W. Ultee (red.): Verschuivende ongelijkheid in Nederland: sociale gelaagdheid en mobiliteit. Assen: Van Gorcum, 1995 (46-66). http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=76866
[3] Zie bijvoorbeeld het promotieonderzoek van NWO-onderzoeker Lotte Henrichs: http://www.nwo.nl/nwohome.nsf/pages/NWOP_84PGTV
[4] Te verwachten is dat deze trend zal afremmen, zeker nu de studieduur beperkt is en studeren en overstappen steeds duurder wordt.
[5] Dit is een wel heel korte samenvatting van een lang en ingewikkeld verhaal. Zie ook mijn lezing op  http://miekevanstigt.blogspot.com/2012/04/langer-of-korter-naar-school.html; Christien Brinkgreve: Vroeg Mondig, Laat Volwassen (2004) en: P. de Rooy: Vetkuifje waarheen? Jongeren in Nederland in de jaren vijftig en zestig. (1986)

woensdag 9 mei 2012

Het "patatverbod" en de grenzen van de eigen verantwoordelijkheid


“Patatverbod is idioot en betuttelend”, zo moppert Aleid Truijens in De Volkskrant van woensdag 9 mei. Dit naar aanleiding van bericht over een Amsterdamse wethouder die de patatkar naast het schoolplein wil weren. Tieners hebben volgens haar altijd al veel zin in patat en andere vette snacks, weerstand daartegen bieden is de taak van de ouders. Wat we in onze mond stoppen, daar gaat de overheid niet over, aldus Truijens.

Inderdaad, daar gaat de overheid niet over. De industrie van ongezond gemaksvoer heeft een reclamebudget dat 2000 keer zo hoog is (!) als die van de (overheids-) voorlichting voor gezonde voeding. We worden niet zozeer betutteld door de overheid, als wel geïndoctrineerd en verslaafd gemaakt door de gemaksvoedselindustrie. Ratten doen in laboratoria bijna even veel voor ongezond eten als voor cocaïne, en vrijwel alle voedingsmiddelen bevatten tegenwoordig suiker of glucosestroop, zelfs ham of filet américain. Kijk eens rond in de supermarkt en probeer een gezonde keuze te maken. Hele schappen vol chips, rijen frisdrank en andere schappen vol koeken en ander snoep. Het heeft allemaal niets met gezond eten te maken. Om nog te zwijgen van de producten die adverteren met “van nature vetarm” (ontbijtkoek, bevat 35% suikers) of “met fruitvulling” (Liga Fruitkick, presenteert zich met hulp van het schaatsteam als gezond, maar die fruitvulling bevat vooral suikerstroop en 6,7% fruit. Ja je leest het goed.) In supermarkten liggen de groente en het fruit vooraan in de winkel. Niet omdat dat makkelijk is (ze worden geplet door je andere aankopen) maar omdat uit onderzoek bekend is dat je weerstand tegen verleidingen in het begin van de winkel veel hoger is dan na een paar minuten winkelen. De verleidingen liggen dus verderop, en daar is over nagedacht. Loop eens over een winkelcentrum met knagende trek: waar vind je een gezond broodje? Eerder kans dat je bezwijkt voor patat, hema-worst, kaaspizza of andere ongezonde “keuzes”. Wat tref je aan in de sportkantine? Patat en kroketten, frisdrank, zakjes chips. In het zwembad? Idem dito.

Is het weerstand bieden daaraan de taak van de ouders? Jazeker, maar hun macht is beperkt. Als je zoon of dochter naar school gaat en het aanbod in de kantine is ongezond en de superslanke klasgenootjes werken dagelijks roze koeken en saucijzenbroodjes naar binnen, dan kun je afspreken dat je zoon of dochter daar één keer per week aan mee mag doen. En dan maar hopen dat hij of zij sterk in haar schoenen staat. Liever nog zou je een gezonde kantine in de school zien. Geen frisdrank of vette hap, maar gezond eten. Wie zegt dat pubers geen fruit lusten? Zet maar eens een bord met vers gesneden fruit of rauwkost op tafel. Het is weg voor je met je ogen kan knipperen.

Truijens vraagt zich ook af of de Turkse pizza zoveel slechter is dan boterhammen met volvette kaas. Even een lijstje: Turkse pizza bevat 430 kcal, patat mèt bevat 570 kcal,  2 bruine boterhammen met halvarine en volvette kaas 280 kcal, over voedingswaarde en bijdragen aan je gezondheid zeggen deze calorieën niets, maar ik zou een dagelijkse portie patat of pizza toch niet gelijk willen stellen aan boterhammen met kaas. Truijens veronderstelt dat pubers evengoed wel naar de snackbar zullen gaan. Wellicht. Maar dat wil niet zeggen dat je de snackbar in of bij school moet halen.
Ze veronderstelt dat die pubers dat ongezonde eten heus thuis krijgen, van hun ouders. Ik vind niet dat je daar vanuit kunt gaan. Er zullen heus ouders zijn die hun kinderen dagelijks vette en ongezonde hap geven, maar daartegenover staan andere ouders die proberen het eetpatroon van hun kind gezond te houden. Tegen de verdrukking in. Welke ouder is erbij om zoon- of dochterlief tegen te houden als de patatkraam naast het schoolplein de verleidelijke geuren op de puber loslaat? Je kunt je kind gezond eten meegeven, maar als die kar er staat is de kans inderdaad groot dat het pakje brood in de prullenbak (of ernaast) belandt. Maar als die kar er niét zou staan, dan eet de puber gewoon zijn eigen lunchpakket. Of op de basisschool: dagelijks nemen kinderen een tussendoortje mee (en dat wordt georganiseerd door de school, in de klas), bestaande uit een pakje drinken en een verpakte koek (dat zijn er dus meestal twee of zelfs drie, bij Oreo zelfs 5, met een totale hoeveelheid van rond de 300 kcal, bijna een maaltijd dus). En minstens elke week komt daar nog een verjaardagstractatie - meestal een pakje chips (135 kcal)- bij. Jouw zoon of dochter een flesje water meegeven en een appel, is natuurlijk mogelijk. Maar als alle andere kinderen dat niet doen, is het vragen om pesterijen. De school wil er niets aan doen want dat is betuttelend. Hoezo verantwoordelijkheid van de ouders? En waar komt toch die Hollandse afkeer van betutteling vandaan? We hebben toch ook verkeersregels? We laten peuters van drie toch ook niet met hun stepje op de snelweg? We hebben toch ook wetten? Nee, die afkeer van betutteling ondersteunt de ideologie van de eigen keus en eigen verantwoordelijkheid. Wij hebben onze slanke lijn aan onszelf te danken en die vetzakken zijn dik door hun eigen schuld. Die proppen zich maar vol met donuts. Maar als mij iets de laatste tijd is opgevallen, is dat het juist de slanke tieners zijn die met zakken chips en cola op de bank zitten en niet hun dikkere leeftijdsgenootjes.

Inderdaad, achter computers zitten, weinig bewegen en een auto met chauffeur spelen een rol in het gestegen gewicht. Daar zit zéker een kans voor ouders om hun kind te stimuleren. Maar de overheid bouwt speelvelden vol èn zorgt niet voor voldoende beweging op school. Dus ouders moeten dat ook maar in de vrije tijd van hun kind regelen, naast het huiswerk, de bijbaantjes en hun eigen werkzaamheden.
Ik heb niets tegen eigen verantwoordelijkheid, niet van de puber en niet van de ouders. Maar de samenleving is aan alle kanten verziekt: zowel in het voedingsaanbod als in de omgeving. Het maken van gezonde keuzes en het bieden van weerstand tegen verleidingen is zéker mogelijk, maar wordt nu maximaal moeilijk gemaakt en vereist ook de nodige kennis, waar niet iedereen over beschikt, en een enorme hoeveelheid wilskracht en alertheid. Mensen worden, óók als ze van goede wil zijn, aan alle kanten tegengewerkt. Elk pleidooi voor een beetje steun en het inperken van de negatieve invloed van de omgeving wordt nu afgedaan als belachelijk en betuttelend. Maar een gezonde school en schoolomgeving voor mijn kind, is dat nou zo veel gevraagd? Een gezond mens in een gezonde omgeving, dáár zou ik nou wat steun voor willen vragen.

woensdag 25 april 2012

Jeugd van school naar werk, of het nut van een historische en maatschappelijke context.

Vorig  jaar werd ik door Motivaction gevraagd om voor het boek: De Grenzeloze Generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. Ik een hoofdstuk te schrijven. Dat hoofdstuk moest een overzicht geven van theorie en onderzoek over jongeren en de vraag hoe zij van school naar werk gaan.  Ik heb toen twee fundamentele vragen gesteld:

1.       hoe bereiden jongeren zich voor op hun toekomstige werk, en
2.      hoe worden zij door de samenleving daarop voorbereid?

Mijn hoofdstuk Jeugd van school naar werk, ontwikkelingen en achtergronden ontwikkelde zich naar drie delen. Het eerste deel gaat over de vraag waarom jongeren naar school gaan en hoe dat schoolbezoek zich heeft ontwikkeld (in de afgelopen eeuw, maar met name na de Tweede Wereldoorlog);  het tweede deel gaat over de vraag hoe jongeren zich voorbereiden op werk en hoe zij de overstap van school naar werk maken, en in het derde deel komen de knelpunten aan bod.

In april 2012 heb ik op het seminar “wie zijn mijn leerlingen/studenten?” van Motivaction een lezing gehouden, waarin ik aan de hand van actuele onderwerpen liet zien hoe de historische en sociale ontwikkelingen die ik in mijn hoofdstuk ook beschrijf een andere kijk op deze actualiteiten kunnen bieden. Èn hoe belangrijk het kan zijn om af en toe een fundamentele vraag te stellen. In mijn blogs geef ik die lezing in drie delen weer, aan de hand van drie actuele onderwerpen. Dit blog is de eerste in de serie van drie.

Vacatures in de IT sector, geen personeel te vinden. Probleem van het onderwijs of probleem van de arbeidsmarkt?

In maart 2012 zag ik op televisie een item over de IT sector. Daar zijn veel vacatures en die kunnen niet vervuld worden. Er werd een jonge man geïnterviewd, die klaagde dat hij geen personeel kon vinden en hij vond dat het onderwijs niet goed aansloot bij de vacatures die hij had. Dat lijkt een legitieme klacht: de kwaliteit van met name in dit geval het hbo-onderwijs is de laatste tijd vaker aan discussie onderhevig, het is belangrijk dat in het onderwijs de modernste apparatuur en kennis bij de docenten aanwezig is,  en dat dit aansluit bij ontwikkelingen op de arbeidsmarkt. Daarbij komt dat er overal banen verdwijnen, maar juist in de IT sector sprake is van banengroei. Jongeren lijken juist steeds minder voor bètastudies te kiezen, zo werd daarbij zorgelijk gezegd.

Als je dit geval vanuit een breder perspectief bekijkt, vallen twee belangrijke dingen op. Ten eerste: de eigenaar van het bedrijf gaat ervan uit dat het onderwijs de jongeren voorbereidt op hun werk, in dit geval in de IT branche. Dit is juist een ontwikkeling die niet altijd vanzelfsprekend is geweest. Nog tot kort na de oorlog bouwden jonge mensen aan hun loopbaan in de bedrijven zelf, vaak aangevuld met avondstudie en cursussen. Voorbeeld: in mijn hoofdstuk vertel ik hoe een gepensioneerd hoofd personeelszaken bij Stork ooit begonnen was als 14-jarige loopjongen in hetzelfde bedrijf. Onlangs zag ik een advertentie van de Hema, die voor een dergelijke functie iemand vroeg met een afgeronde hbo/wo studie èn ervaring die hij of zij ergens anders moet hebben opgedaan.

Tegenwoordig willen bedrijven dus mensen met opleiding en ervaring die zij elders hebben opgedaan, omdat zij daarin zelf niet willen investeren. En omdat alle bedrijven zo werken, moeten ze ook wel: investeren in opleiding en ervaring is duur als jonge mensen na een paar jaar weer naar een ander bedrijf gaan, dat niet heeft geïnvesteerd.
Dat er een tekort aan opgeleiden in de IT sector is, kán dus komen doordat blijkbaar te weinig jongeren in de afgelopen jaren voor die studierichting hebben gekozen. En dit kan weer veroorzaakt zijn doordat studieduur en studiefinanciering steeds verder worden afgebroken. Jongeren kiezen dan eerder voor een makkelijker, veiliger studie waarbij ze minder schuld opbouwen. Er zijn natuurlijk nog andere verklaringen mogelijk, zoals economische  en demografische ontwikkelingen. Maar dat de sector zelf óók een belangrijke rol speelt door niet te willen investeren in nieuwe mensen en in het opbouwen van werkervaring, is duidelijk.

Overigens neemt het aantal jongeren dat een natuurkundeprofiel kiest toe, en ook groeit het aantal studenten aan hbo- en wo- opleidingen informatica. Het gevaar is nu dat tevéél jongeren voor de IT richting gaan kiezen, zodat er over een paar jaar, als zij de arbeidsmarkt betreden, een overschot ontstaat. Dit is ook wel bekend als de varkenscyclus.

(De varkenscyclus is een begrip uit de economie. Als de prijs van varkensvlees stijgt gaan er meer boeren varkens houden. Daardoor stijgt het aanbod en daalt de prijs, zodat vele boeren failliet gaan. Vervolgens daalt het aanbod en stijgt de prijs weer. Voor de individuele boer hangt het geluk af van het moment waarop hij in de cyclus stapt. Dit model werkt ook op de banenmarkt. Als er veel werk is in de communicatiebranche, kiezen veel jongeren voor een studie in die richting, waardoor er een overschot aan sollicitanten kan ontstaan)

Werkgevers klagen wel dat zij geen (of niet het juiste) personeel kunnen krijgen, maar zij kunnen zelf ook niet in de toekomst kijken. Zo werden in 2005 door Defensie actief jongeren gerekruteerd, terwijl die  in 2011 weer massaal ontslagen werden. En op 5 april 2012 hoorde ik `s morgens een kort item op de radio, waarin een werkgever bij Defensie vertelde dat hij vanuit bezuinigingen duurdere krachten heeft moeten ontslaan, en daarom actief jonge mensen aan het werven was, die wel moesten bedenken dat het niet om een baan voor het leven ging.

Ergo: het bedrijfsleven heeft belang bij snelle vervulling van hun vacatures en niet teveel hoeven te investeren in jongeren die toch weer van baan wisselen. De oplossing zou echter wel eens kunnen liggen in het tegenovergestelde: het bieden van vast werk met wederzijdse verplichtingen over een langere termijn, zodat bedrijven kunnen investeren in kennis en ervaring. En dat is dan ook wat er gebeurt in de IT sector: bedrijven gaan zelf steeds meer investeren in het opleiden van hun professionals, ze moeten wel.

Langer of korter naar school?

(deel 2 van de serie: Jeugd van school naar werk, of het belang van een historische en maatschappelijke context)

In maart 2012 verschenen kort na elkaar totaal verschillende berichten. Het eerste was een pleidooi van een gepensioneerde docent uit het mbo: zij wilde het mogelijk maken voor jongeren om op 14-jarige leeftijd het onderwijs te kunnen verlaten. Haar argumenten waren uiterst redelijk: sommige jongeren willen echt niet naar school en ze dwingen is voor beide partijen zeer vervelend. Liever zou zij die jongeren willen laten uitrazen en als ze dan volwassen zijn alsnog opleiden.
Het tweede bericht was een voorstel van een wethouder in Rotterdam.  Die wil jongeren juist verplichten tot hun 23e op school te blijven of in ieder geval tot ze een startkwalificatie hebben. (Een startkwalificatie is een diploma op mbo 2, havo of vwo niveau. Gebleken is dat jongeren die géén startkwalificatie hebben het veel slechter hebben op de arbeidsmarkt)

Maar wat is hier de achtergrond van en wat is wijsheid in bovenstaande gevallen? Daarvoor nemen we een duikje in de geschiedenis. Jongeren zijn de afgelopen 60 jaar steeds massaler en steeds langer onderwijs gaan volgen. Zo’n 60 jaar geleden gingen jongeren uit de hogere sociale klasse na de lagere school naar het vervolgonderwijs, soms naar de universiteit en de meeste jongeren uit de lagere sociale klassen gingen met 14  of 16 jaar al aan het werk.  Tegenwoordig volgen vrijwel alle jongeren tot hun 18e of langer dagonderwijs. Zodanig zelfs, dat er niet meer gesproken wordt van een percentage onderwijsdeelname, alleen nog van percentages voortijdig schoolverlaten (zonder diploma) van jongeren tot 23 jaar en dat percentage ligt inmiddels onder de 4%. Deelname aan hoger onderwijs is gestegen van 4% van de 18-27 jarigen in 1950 naar 31% in 2008. De gemiddelde leeftijd van schoolverlaten is nu ruim 21 jaar.

Die ontwikkeling werd aangedreven door verschillende factoren:
*         de wens om jongeren langer te kunnen vormen en de daarbij behorende leerplichtwetten;
*         de economische ontwikkelingen die het mogelijk maakten om langer door te leren;
*         de concurrentie – naarmate steeds meer mensen hoger opgeleid werden moest je wel langer doorleren om “gekwalificeerd” te zijn
*         het verdwijnen van het meeste ongeschoolde werk naar lage- lonen landen
*          het al genoemde verschuiven van leren in het bedrijf naar leren vóórdat je gaat werken.

De groeiende onderwijsdeelname had ook een paar verstrekkende gevolgen (nog buiten beschouwing latend de kosten ervan):
*         jongeren werden steeds langer buiten de samenleving gehouden, met elkaar in een soort jeugdland.
*         De  jeugdcultuur werd belangrijker,
*         de wereld van werk kwam steeds meer buiten het blikveld van jongeren  te liggen.
*         Problemen van de samenleving kwamen binnen het onderwijs te liggen, met name waar het de voormalige “arbeidersjeugd” betreft.

Aanvankelijk gingen met name jongeren uit de lagere sociale klassen vrij vroeg aan het werk, waar ze in het bedrijf zelf het vak leerden. Dit was geen ideale situatie. In 1964 verscheen een overheidsrapport genaamd Persoonsvorming Bedrijfsjeugd, dat zorgen uitte over de jeugd van 14-16 jaar in de bedrijven. Zij hadden nog meer pedagogische vorming nodig die zij niet kregen. Omdat ze niet meer op school zaten waren ze ook nog eens moeilijk te bereiken.

Afijn, dit probleem heeft zich vanzelf opgelost, of liever gezegd, verplaatst naar het onderwijs. Veel problemen die docenten nu met jongeren hebben, zijn terug te voeren op het feit dat het gaat om jongeren uit lagere sociale klassen, van wie de thuisomgeving veel minder goed aansluit bij de schoolcultuur (en bij die van de docenten) èn op wie de straatcultuur méér invloed heeft. Dat geldt ook voor allochtone jongeren, van wie de problemen, afgezien van de invloed van taal en religie, vooral ook veel lijken op de vroegere problemen met arbeidersjongeren.  

Tegenwoordig zijn er vooral grote zorgen om jongeren die zonder startkwalificatie de school verlaten, die raak je kwijt. De schoolverlatende leeftijd omlaag is dus niet de juiste keuze, wel zou je kunnen kijken naar meer en betere leer-werkplaatsen, maar in principe bestaat dat al in de vorm van praktijkonderwijs. Het voorstel van de wethouder bestaat echter óók al, immers: jongeren tot 23 jaar zijn verplicht hun startkwalificatie te behalen en beleid om het percentage uitvallers te bestrijden is er ook in intensieve en succesvolle mate: in 2005/2006 was het percentage bijna 4%, nu is dat teruggedrongen naar 2,9% (2010/2011, voorlopige cijfers). Overigens hebben allochtone jongeren op dit moment nog een 2 tot 3 keer zo hoge kans op voortijdig schoolverlaten dan autochtone jongeren.  

Hoe aantrekkelijk is een mbo-diploma en waarom zitten jongeren op school?

(deel 3 van de serie: Jeugd van school naar werk, of het belang van een historische en maatschappelijke context) 


In april 2012 verscheen het bericht dat Minister Van Bijsterveldt een mbo opleiding voor méér jongeren aantrekkelijk wil maken. Dit lijkt in eerste instantie een nobel streven en dat is het misschien ook, maar laten we toch eens kijken naar een fundamentele vraag: waarom zitten jongeren op school?

Het huidige onderwijsstelsel is ontstaan vanuit twee gedachten die niet noodzakelijk met elkaar samenhangen. De eerste is die van vorming, de persoonlijke ontwikkeling, identiteitsvorming, waarbij de intrede in de volwassen samenleving uitgesteld wordt en de jongere wordt beschermd tegen al te volwassen eisen. Hierbij gaat het om het verwerven van kennis en vaardigheden en de ontwikkeling van het vermogen tot kritisch nadenken en moreel oordelen. Deze definitie werd in de 18e eeuw in Duitsland door Wilhelm von Humbold geformuleerd, en hij noemde dit Bildung.

De tweede gedachte is die van de beroepsvoorbereiding, waarover ik hiervoor al iets heb verteld, dit wordt Ausbildung genoemd. Deze twee gedachten zijn terug te vinden in beide soorten onderwijs: het algemeen vormende onderwijs en het beroepsvoorbereidende onderwijs, maar het zal duidelijk zijn dat de nadruk bij het algemeen vormende onderwijs ligt op jawel, de algemene vorming en bij het beroepsvoorbereidende onderwijs op … juist …de beroepsvoorbereiding. Toch is het interessant om naar beide opdrachten van het onderwijs te kijken.

Want wat er de laatste jaren zichtbaar wordt, met name in het beleid van Minister van Bijsterveldt,  is dat de opdracht van Bildung in het geding komt, met name in het mbo. En dat ook in het hoger onderwijs de nadruk steeds meer komt te liggen op Ausbildung, al was het maar omdat de studieduur enorm verkort is. Terwijl juist die Bildung op langere termijn méér kan opbrengen: iemand die lang studeert en meerdere vakken volgt, heeft een groter reservoir aan mogelijkheden, wat misschien lastig is bij de entree op de arbeidsmarkt, maar op langere termijn veel meer kansen biedt en bovendien toegevoegde waarde heeft.  Juist bij de postmodernistische kennismaatschappij die wij willen zijn sluit dit het beste aan. Natuurlijk is er in de toekomst behoefte aan specifiek geschoolde beroepskrachten. Maar die zijn ook heel kwetsbaar voor de grillen van de arbeidsmarkt, en dan is het lastig om je nog om te scholen. Op dit moment lijkt het dat jongeren in het mbo minder vaak kiezen voor techniek of zorg, terwijl in de toekomst dáár juist veel krachten gevraagd zullen worden. Maar zoals ik al zei, het is lastig in de toekomst te kijken.




Daarbij komt, en dat zagen we al bij de eerste casus, dat er door de technologische ontwikkelingen nieuwe functies ontstaan waarvoor nog geen opleiding bestaat. Het is onmogelijk voor jongeren om – als ze tot hun 70e zouden moeten werken-  bijna 50 jaar vooruit te kijken.  Hoe beroepsgerichter en hoe lager een jongere is opgeleid, des te moeilijker wordt het in de toekomst om je aan te passen. Veel jongeren (of hun ouders) beseffen dit en kiezen daarom een zo breed mogelijk pakket. Het vreemde is echter dat er zo ontzettend veel verschillende opleidingen en studies zijn (ik heb geprobeerd te achterhalen hoeveel, maar dat viel niet mee. De website studiekeuze123 zegt dat je daar 2500 studies voor hbo en wo kunt vergelijken. Het geeft een idee). Kortom: op korte termijn lijkt het goed om een specifieke studie te kiezen, op langere termijn heb je er meer aan om zo breed mogelijk geschoold te zijn.

De enorme hoeveelheid studierichtingen zorgt ook voor grote keuzestress bij jongeren. In dit geval moeten we ons vooral realiseren dat jongeren de laatste jaren naast méér keuzemogelijkheden, ook nog eens veel minder ruimte hebben om te experimenteren, te wisselen van studie of om studies te combineren. Juist deze ruimte is belangrijk voor de vorming van jongeren. Deze speelruimte is wegbezuinigd door heren en dames die wèl 8 tot 10 jaar over hun studie hebben kunnen doen. Tegenwoordig is ook veel commentaar op ouders die meegaan naar open dagen van hogeschool en universiteit, om hun kind te helpen kiezen. Deze ouders zouden hun kind niet los kunnen laten, die kinderen worden zo niet zelfstandig, zo klagen de artikelen (o.a. in het Volkskrantmagazine van 24 maart 2012).  Maar zo vreemd is het niet, met al die keuzemogelijkheden en de enorme financiële druk om meteen de “goeie”  studie te kiezen. Een onderzoeker die goede artikelen schrijft over studiekeuzes en keuzestress, is Tom Luken. Hij betoogt dat het niet zozeer een kwestie is van de juiste keuze maken, als wel leren van het gehele proces.

Wat betreft de ouders is er nog een aspect. Zoals we zagen is de onderwijsdeelname in de na-oorlogse decennia enorm gestegen. Er was een sterke opwaartse mobiliteit. Kinderen volgden langer en vaak ook hoger onderwijs dan hun ouders. Dat was destijds een reden om je ouders niet mee te nemen naar de open dag, zij wisten er minder van dan hun kinderen. Die ontwikkeling is ongeveer ten einde, voor het grootste deel van de huidige generaties kinderen en hun ouders geldt dat de ouders mogen hopen dat hun kinderen een vergelijkbare opleiding en toekomstige sociaal-economische positie zullen hebben als zij. Dit geldt overigens veel minder voor allochtone kinderen –met name bij de meisjes. Juist daar is een sterke stijging in opleiding en onderwijsdeelname ten opzichte van hun ouders zichtbaar.

Veel ouders maken zich dus zorgen om de toekomstkansen van hun kinderen, het halen van een diploma is immers belangrijker dan ooit. En lastiger. Daarbij komt dat de mobiliteit eerder neerwaarts is geworden (kinderen die ten opzichte van hun ouders dalen op de statusladder) dan opwaarts. Want tussen beide (onderwijs)systemen is weinig verbinding. Het is heel moeilijk om van vmbo naar havo te gaan, of zelfs van mbo naar hbo. Dit is dan ook de reden dat ouders hun kind liever naar mavo-havo sturen dan naar het vmbo. Dit zou ook heel goed de reden kunnen zijn dat kinderen in Nederland vaker blijven zitten (ook over dit onderwerp verschenen krantenberichten (1): ouders dringen erop aan dat ze niet naar de beroepskolom gaan, omdat ze weten dat terugkeren naar de algemeen vormende kolom heel moeilijk, zo niet onmogelijk is.

Daar wordt heel moeilijk over gedaan (het is een beetje taboe om het te zeggen), maar ouders beseffen dat de splitsing in het onderwijssysteem een weerspiegeling is van een  maatschappelijke tweedeling. De route die je neemt, die van de beroepsvoorbereiding of die van de algemene vorming, is bepalend voor je toekomst. De Minister doet er goed aan om jongeren die een beroep willen leren te stimuleren. Maar met het oog op de toekomst doet ze er nog beter aan om doorstroom tussen beide systemen te verbeteren. En het concept van een leven lang leren nog eens uit de kast te halen en af  te stoffen, want daarvan is nog niet veel terecht gekomen. Voor de toekomst van de kinderen èn voor de toekomst van de samenleving.

Wat ik in deze lezing/blogreeks heb willen laten zien is hoe actuele onderwerpen ingebed zijn in de geschiedenis van onderwijs en arbeid en dat het goed is om fundamentele vragen te stellen en/of een langeretermijnperspectief te hanteren. Voor jongeren echter, is dit onmogelijk. Zij zijn er in hun hersenontwikkeling nog niet aan toe om zoveel decennia vooruit te kijken. Als volwassenen moeten wij hun daarbij dus helpen. Dat kan door de volgende punten in gedachten te houden:

1. De beroepskolom leidt op tot een beroep. Dat is een groot goed, daar moeten we trots op zijn. De samenleving heeft goede beroepskrachten nodig. Er zijn wel nadelen: een mbo diploma geeft een lager salaris dan een hbo diploma; doorstroom van  mbo naar hbo is erg lastig, opstroom naar de algemeen vormende kolom is nog lastiger of vrijwel onmogelijk. Mensen met een specifieke beroepsopleiding zijn minder flexibel dan die met een algemeen vormende opleiding en daarmee dus kwetsbaarder voor de nukken van de arbeidsmarkt. Besef dat als werkgevers zitten te springen om kapsters, dat dit over twee jaar voorbij kan zijn, hoed je dus voor de varkenscyclus  !
Een voordeel van de beroepskolom is dat jongeren actiever bezig zijn met hun arbeidstoekomst, o.a. door stages en het kiezen van een beroepsrichting (hoewel jongeren ook nog vaak switchen, bijvoorbeeld bij de overstap van vmbo naar mbo). Door het beroepsgerichte karakter van deze onderwijsvorm is de aansluiting met de arbeidsmarkt op korte termijn heel goed. 

2.Wat betreft de algemeen vormende onderwijskolom: deze biedt op langere termijn meer kansen en hoger salaris. Het nadeel is dat de wereld van werk ver van de leefwereld van de jongere is komen te liggen. Er mag daarom best nadruk komen op de vormende werking van het algemeen vormend onderwijs en het belang daarvan voor de arbeidstoekomst. Met name kun je jongeren stimuleren om zo breed mogelijk te kiezen, tenzij sprake is van een sterk vaststaande wens.  Beperking is risico. Kiezen is noodzakelijk, maar keuzes moeten niet voorgesteld worden als: je moet in één keer de juiste, superleuke en helemaal bij jou passende studie kiezen. Dat is het recept voor teleurstellingen. Een studie is niet altijd leuk en past zeker nooit voor 100% bij je. Het gaat meer om het leerproces, daar hebben jongeren de komende vijftig jaar wat aan.

Voor alle jongeren van nu geldt: ze zullen zich in de komende 50 jaar steeds moeten aanpassen aan veranderingen op de arbeidsmarkt in een werkveld dat steeds minder zekerheden biedt. Daarom is het belangrijk dat we ze versterken in hun individuele capaciteiten èn hun flexibiliteit.

Noten:

maandag 5 maart 2012

Waarom de Tijgermoeder gelijk heeft


Onlangs schreef Sebastiaan van der Lubben op Ouders Online (1) een boeiend artikel over de Nederlandse opvoeding, Polderkinderen genaamd. Hij begon met een beschouwing over het boek van Amy Chua: Strijdlied van de Tijgermoeder (Battle Hymn of the Tiger Mother).  Voor wie (over) het boek nog niet gelezen heeft: deze moeder (van Chinese komaf, leeft in de Verenigde Staten en geeft les aan Yale University) bepleit een Aziatische manier van opvoeden, waarbij van het kind het uiterste gevraagd wordt: altijd de beste zijn van de klas, nooit spelen, altijd studeren en minimaal een klassiek instrument bespelen (op concertniveau). Van der Lubben constateert dat de Aziatische opvoedmethode de beste rekenaars en lezers voortbrengt en de oosterse landen opstuwt in de vaart der volkeren. Toch wordt deze opvoedmethode door Nederlandse pedagogen afgewezen. Nederlandse ouders blijven steeds in overleg met hun kind, onderhouden een goede relatie en stimuleren het in zijn of haar ambities. Het beste wat ouders kunnen doen, is de intrinsieke motivatie van hun kinderen te stimuleren. Niet onder dwang, want dat leidt wellicht tot uitzonderlijke prestaties, maar ook tot een “wonderlijke persoonlijkheid en een zeer verstoorde relatie met hun ouders en dat is niet echt  `normaal’.”

Het is heerlijk om door deskundigen bevestigd te krijgen dat de Nederlandse ouders het beste opvoeden. Een fijne conclusie, die toch nog heel wat vragen onbeantwoord laat. Want waaróm zijn Aziatische ouders zulke `tijgers’ en wat  kunnen Westerse ouders daarvan leren? Waarom leidde het boek over de tijgermoeder in het Westen tot zulke heftige discussies? Deze vragen kun je alleen beantwoorden vanuit een sociologisch gezichtspunt, namelijk door de opvoeding in een Aziatische context en in een Nederlandse context te zien.

Eerst de Aziatische context. In De Volkskrant (18-2-2012) stond onlangs een artikel over China dat mijn vermoedens bevestigde: in China heerst veel onzekerheid onder de middenklasse. De onderklasse is straatarm en zonder perspectief, en de middenklasse is vrijwel even slecht af. In die samenleving is alleen voor de allerbesten een leefbare plek te veroveren, die krijg je beslist niet cadeau. Daar zul je heel hard voor moeten knokken, want er is enorm veel concurrentie, en maar weinig goede plaatsen. Zo is in China slechts 0,89 procent (!) van de bevolking hoger opgeleid. Daar past geen zachtaardige opvoedstijl bij, al valt het te betwijfelen of werkelijk alle Chinese kinderen volgens de tijgermethode worden opgevoed, de meeste Chinese ouders zullen er de kennis noch de middelen voor hebben om hun kind op pianoles te sturen of naar dure scholen. De Chinese cultuur zelf blijft natuurlijk wel een rol spelen. Daarin is het individu minder belangrijk dan de gemeenschap, en zijn kinderen aan hun ouders verplicht in plaats van –zoals hier- ouders aan hun kinderen.
Maar wat de Aziatische ouders willen, is een heel essentiële wens:  namelijk een toekomst voor hun kind. En die toekomst (anders dan in volstrekte armoe en kansloosheid) is alleen –en dan nog misschien- te krijgen door heel hard te werken en absoluut de beste te zijn. Want inderdaad brengen Aziatische landen de beste rekenaars en lezers voort. Maar hoeveel van die kinderen krijgen later een toekomst met enige welvaart? I rest my case.


Waarom de Tijgermoeder ongelijk heeft

Dan de Nederlandse context. Nederland heeft misschien niet de beste uitblinkers, maar scoort over de hele linie zowel in onderwijsniveau (33% procent van de bevolking is hoogopgeleid) als in welvaart onvergelijkbaar veel hoger dan China. Wereldwijd staan we volgens de Human Development Index, een evaluatie van de Verenigde Naties waarin armoede, analfabetisme, onderwijs en levensverwachting verwerkt is, op de 11e plaats, tegenover China op de 85plaats, achter Armenië en Suriname. Daarnaast zijn hebben de jarenlange ontwikkelingen van democratisering, individualisering en emancipatie hun werk gedaan. In onze samenleving zijn kinderen het meest gebaat bij een overlegopvoeding, waarin ouders zowel sturen als luisteren. Ze stimuleren de zelfsturing, de innerlijke motivatie van de kinderen, omdat volwassenen die varen op een innerlijk kompas de beste kaarten hebben (2). Een echte tijgeropvoeding zou hier niet het gewenste resultaat hebben, de dwang komt daarbij van buitenaf. Niet voor niets kwamen de westerse kinderen van Chua in opstand. Nederlandse ouders weten dit, en hanteren daarom de door Van der Lubben beschreven opvoedstijl. Ze doen het goed. In deze samenleving.


Waarom de Tijgermoeder gelijk heeft

Waarom leidde het boek van Chua in het Westen tot zulke discussies en wat kunnen we van haar leren? Het is duidelijk dat de tijgeropvoeding botst met onze fundamentele opvoedingswaarden en ook niet voorbereidt op een optimaal functioneren in de westerse samenleving. Toch heerst ook hier onzekerheid over onze opvoeding. Niet alleen vanuit de vraag of onze liefdevolle en geluksgerichte opvoedingsmethode zulke gelukkige en succesvolle kinderen heeft voortgebracht. De jonge volwassenen, zelf opgegroeid in de tijd van vanzelfsprekende welvaart en geluk, merken namelijk hoe zwaar de last op hen drukt van het altijd maar gelukkig moeten zijn. Maar ook met het oog op de toekomst van onze maatschappij. Kon de vorige generatie opvoeders nog leunen op zekerheden (een vaste aanstelling, overwaarde op je huis, pensioenopbouw), voor de komende generatie is dat veel minder het geval. De samenleving is onzekerder geworden, en daarmee competitiever. In de onzekerheid over het behoud van je baan bij de zoveelste reorganisatie of bedrijfsovername, in de concurrentie om opdrachten voor de talloze ZZP-ers, in de dans om de vervulling van vacatures met meer dan honderd sollicitanten, worden prestaties belangrijker, óók al omdat tegenwoordig 40% van de schoolverlaters (3) hoger opgeleid is, zodat je met een hbo- of universitair diploma geen uitzondering meer bent.

Dit zijn ontwikkelingen die verklaren waarom de tijgermoeder niet geheel en al wordt afgewezen. Net als in de Verenigde Staten (Amy Chua geeft les aan Yale University), waar competitie en arbeidsonzekerheid al veel langer een belangrijke rol spelen. Een beetje ambitie voor je kinderen is in deze tijd best een goed idee, en de tijgermoeder inspireert daartoe, zonder dat Nederlandse ouders geheel en al zullen overgaan tot haar methoden. We worden geen tijgermoeders/vaders, dat zou hier niet passen. Maar zelfontplooiing alléén is niet langer het belangrijkste opvoedingsdoel. Ouders van nu zijn bewust bezig met de toekomst van hun kind. Net als ouders vroeger, en net als ouders in Azië, steeds op de manier die bij hun tijd en samenleving past.



Noten:
(1)   www.ouders-online.nl  van 05-02-2012
(2)  Zie ook C. Brinkgreve (2004): Vroeg Mondig, Laat Volwassen.

donderdag 1 maart 2012

Citotraining, of waarom ambitie geen vies woord is

Voorafgaand aan de Cito-toets[1] blijken veel ouders van kinderen uit groep 8 hun kind naar speciale Cito-trainers te sturen, om het optimaal op de Cito-toets voor te bereiden. In verontwaardigde artikelen wordt geschreven over ouders die hun kind onder buitensporige druk zetten, en over kinderen die “van de spanning niet kunnen slapen en met zwetende handen aan de Cito-toets beginnen.”[2] Het is overigens niet bekend hoevéél ouders hun kinderen naar zo’n training sturen. Een docente in groep 8 heeft dit jaar “twee meisjes met Cito stress”[3]. In een hele klas met gemiddeld 25-30 kinderen lijkt dat nog reuze mee te vallen.

Maar je zou je moeten afvragen waaróm sommige ouders hun kind naar een Cito-training sturen. Wat zegt dat over die ouders, over het onderwijs en over onze samenleving?

In een notendop bevat deze discussie namelijk vele aspecten, die allen zeer Nederlands zijn. Om te beginnen kennen wij ongeschreven regels van goed ouderschap. Daarin moeten kinderen vooral gelukkig zijn, en “ongedwongen zichzelf”. Ouders die hun kinderen pushen, overtreden deze regel. Ze overtreden ook de ongeschreven regel van gelijkheid, waarin al te openlijke ambitie voor jezelf of voor je kinderen, wordt afgestraft.

De Nederlandse cultuur is een gelijkheidscultuur. Niemand is beter dan de ander en loodgieters zijn net zo hard nodig als hersenchirurgen. Ouders die hun kind koste wat kost naar havo-vwo willen hebben, zouden zich dan ook moeten schamen, er is toch niets mis met een vmbo-diploma? Het gaat er toch om dat je kind gelukkig is? Maar het rapport De Sociale Staat van Nederland 2011[4] laat iets anders zien. Daaruit blijkt dat de levensstandaard, het inkomen en zelfs de gezondheid van mensen, in hoge mate samenhangt met hun opleidingsniveau. Met andere woorden: het maakt wel degelijk verschil of je kind loodgieter wordt, of hersenchirurg[5]. En ook al is het taboe om het hardop te zeggen, ouders weten dit. En kiezen er dan toch voor om, tegen de ongeschreven regels in, hun kind extra te laten ondersteunen.[6]

De idealen van gelijkheid, geluk en “jezelf zijn” overheersen met name in het basisonderwijs in Nederland. In andere landen worden er hogere eisen gesteld aan kinderen. En dan blijkt, dat kinderen er veel beter tegen blijken te kunnen dan wij denken, als ze een beetje worden gepusht. Dat ze met een beetje aanmoediging tot méér prestaties in staat blijken te zijn. Bovendien leert een kind dat je iets kunt bereiken door hard ervoor te werken. Dat is een betere mentale uitrusting dan het hier overheersende idee dat je er nu eenmaal talent voor moet hebben. Want waarom worden ouders er niet op aangesproken als zij hun kinderen laten meedoen aan talentenshows als The Voice Kids, maar wel als zij ze naar citotraining sturen? Omdat je blijkbaar wel een talent mag hebben, maar niet iets méér mag willen zijn dan de ander. Overigens geldt deze tolerantie dan weer niet voor hoogbegaafde kinderen, die (met hun ouders) vaak op onbegrip en grote weerstand kunnen rekenen.

Op de basisscholen heerst dus de cultuur van gelijkheid en geluk. Maar aan het eind van de basisschool komt de realiteit van ongelijkheid in zicht. Die begint bij de Cito-toets, die als verdeelsleutel is gaan werken. Maar dat deze zo zwaar weegt, komt door de tweedeling die in het vervolgonderwijs is ontstaan. Door de onderwijsveranderingen van de afgelopen 15 jaar is er een kloof ontstaan tussen het beroepsvoorbereidende onderwijs (vmbo) en het algemeen vormend onderwijs (mavo-havo-vwo)[7].  Het opklimmen van lagere naar hogere onderwijsniveaus is vrijwel tot stilstand gekomen, terwijl doubleren óók wordt ontmoedigd: eerder wordt een kind naar een lager niveau doorgestuurd. Scholen worden namelijk afgerekend (door zowel de overheid als door de ouders) op hun slagingspercentage. Kinderen die het niveau niet dreigen te halen, worden daarom  naar een lager niveau doorverwezen. Zo kan het gebeuren dat de vwo’s  uitpuilen van de (serieus studerende en goed samenwerkende) meisjes, terwijl de (wat onbesuisder) jongens in het havo oververtegenwoordigd zijn.

Het is het gebrek aan doorstroming dat de Cito-stress veroorzaakt. Als een kind heel graag naar een bepaalde school wil en weet dat het daarvoor 532 punten moet scoren, staat het onder grote druk, omdát het maar één kans krijgt. Ouders kiezen dan voor een training, desnoods met een “verkeerd schooladvies” als gevolg. Afstromen kan altijd nog, als het echt niet gaat. Maar ze hopen dat het hogere niveau hun kind tot betere prestaties prikkelt. En vaak werkt dat ook zo. Ook bij deze ouders overheerst de wens dat hun kind vooral gelukkig is. Zij willen de “juiste” plaats voor hun kind, niet per sé de hoogste. Maar ze hebben niet altijd het vertrouwen dat het kind daar vanzelf terecht zal komen[8].

Want er is nog een ander aspect. De kloof is niet alleen een intellectuele, maar ook een culturele kloof. Ook dit mag niet hardop gezegd worden, maar ook hiervan zijn ouders op de hoogte. De cultuur op het vmbo draagt ertoe bij dat het voor het kind nóg moeilijker wordt om naar boven op te klimmen. De kinderen die wèl naar het vmbo gaan, hebben hier ook last van. Omdat ze het gevoel hebben in het `afvoerputje’ terecht gekomen te zijn, omdat ze geassocieerd worden met problemen in plaats van met goed vakmanschap, omdat de weg naar boven afgesneden is en omdat daardoor de ambitie in de onderwijscultuur ontbreekt.

Kortom: ouders die hun kind naar een Cito-training sturen hebben daar vaak goede redenen voor. In plaats van naar hen te wijzen, zouden we ons eens achter de oren moeten krabben bij het bestaan van een dramatische breuklijn tussen schoolsoorten en schoolculturen. Maak doorstroming èn het koesteren van ambities op alle momenten en in alle schoolniveaus mogelijk, zodat de laatbloeiers, de dromers, de stapelaars en de toekomstige vaklieden er óók uit kunnen halen wat erin zit.


[1] Dit blogartikel verscheen eerder als opinie-artikel op www.ouders-online.nl (12 februari 2012)
[4] Sociaal Cultureel Planbureau, 2011.
[5] Overigens zijn loodgieters inderdaad onontbeerlijk en worden zij ook prima betaald. Dit geldt helaas niet voor de meeste beroepen waar het vmbo en aansluitend het mbo voor opleidt. Daarnaast is er ook sprake van een relatief hoge kans op voortijdig schoolverlaten.
[6] En kijken wel uit om daarvan iets tegen de leerkracht te zeggen, zie NRC Handelsblad 7 februari 2012: “Falen voor de Cito-toets is verboden”
[7] Zie mijn hoofdstuk: “jeugd van school naar werk, ontwikkelingen en achtergronden”, hoofdstuk 5 in: F. Spangenberg en M. Lampert (2011): De Grenzeloze Generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. IK
[8] Zo is het niet vanzelfsprekend dat een hoogbegaafd kind de Cito-toets goed zal maken, omdat hij of zij de vragen vaak anders interpreteert…