donderdag 6 september 2012

Lekker gruwelen over onbeheerste mensen


-deze column verscheen eerder op www.socialevraagstukken.nl-  


"We” worden steeds dikker, zo luiden recentelijk de zorgelijke krantenkoppen en tweets. Op televisie strijden realityprogramma’s over afvallen (1) met discussieprogramma’s (2) om de aandacht, maar ook de politiek maakt zich zorgen. Zo wil de minister via het “pubergesprek” een gezond voedingspatroon promoten, terwijl in Amsterdam inmiddels drie (veel) te zware kinderen uit een gezin onder toezicht zijn geplaatst.(3) Op het eerste gezicht lijkt al deze ophef gegrond. Inmiddels kampt de helft van de Nederlanders (60% van de mannen en 44% van de vrouwen) met overgewicht, heeft 13-14% van hen obesitas (4) en worden de medische kosten en risico’s geschat op 1,2 miljard euro per jaar aan directe (ziekte)kosten en 2 miljard aan indirecte kosten als verlies van arbeidsproductiviteit. (5)

Toch kunnen de heftige emoties rondom overgewicht en obesitas niet helemaal verklaard worden vanuit de zorgen om de gezondheid en de maatschappelijke kosten ervan. Immers, alcoholmisbruik kost de Nederlandse samenleving zo’n 3,7 miljard euro per jaar (6) en roken kost 2,5 miljard euro per jaar. (7) En hoe heftig de discussies over alcohol en sigaretten de laatste tijd ook zijn, beelden van rokende of drinkende mensen roepen minder heftige gevoelens op. Daarnaast kosten sportblessures (en sporten wordt geacht gezond te zijn) de samenleving 1,4 miljard euro per jaar.(8) Over kosten gesproken.


De kosten op zich verklaren niet waarom overgewicht zulke heftige gevoelens oproept, ja, er zelfs van dikke mensen zo gewalgd wordt. Steevast worden artikelen over obesitas vergezeld door foto’s van extreme vetrollen, meestal bij volwassenen of kinderen zonder hoofd (9), met in hun handen of daarnaast afbeeldingen van patat en/of hamburgers. De hoofdloze foto’s dragen door hun anonimiteit bij aan de stigmatisering en de walging. (10) Maar wie worden er precies gestigmatiseerd?


Overgewicht en obesitas komen veel vaker voor onder lager opgeleiden. Van deze groep heeft 54% overgewicht, tegen 33% van de hoogopgeleiden. Ernstig overgewicht heeft 18,4% van de laagopgeleiden, tegen 6,5% van de hoogopgeleiden.(11) De “zorg” en walging over overgewicht en dikke mensen zijn dan ook een verkapte en veilige (want vanuit bezorgdheid gelegitimeerde) manier om je af te zetten tegen de lagere sociale klassen en hun (al dan niet vermeende) onmatige gedrag. Juist in deze zogenaamde egalitaire tijd is het taboe om al te opzichtig te spreken in termen van hogere of lagere klasse. Maar wie er oog voor heeft ziet talloze opzichtige en minder opzichtige uitingen van deze vorm van distinctiedrang. De afbeeldingen van patat en hamburgers bijvoorbeeld, worden vooral geassocieerd met de eetcultuur van “het volk”.(12) Ook de subtiele opmerkingen in de categorie“ik moet nodig twee kilo afvallen” zijn vooral bedoeld om het gemeenschappelijke doel en ideaal van zijn of haar statusgroep te bevestigen. Iemand die twee kilo zegt te moeten afvallen is beslist niet te dik en geeft vooral aan dik zijn en onmatigheid af te keuren. Onder de hogeropgeleiden of hogere klassen wordt alom gegruweld van vet of veel eten, ja is het juist bon ton om weinig te eten, zie in de betere restaurants de bordjes met de piepkleine stukjes vis of vlees, gegarneerd met wat remsporen (13) van de één of andere verfijnde smaak. Zet dit af tegen de enorme porties bij de fastfoodzaken en het verschil is duidelijk.

Het is erg kortzichtig om de samenhang tussen overgewicht en sociale klasse aan onmatigheid en een gebrek aan zelfbeheersing te wijten. De geschiedenis en biologie geven meer inzicht. Als je kijkt naar foto’s van oudere volksvrouwen rond de vorige eeuwwisseling, zie je schommelende moekes. Hun gewicht was niet het gevolg van een onbeperkt voedselaanbod, maar van hun genetische aanleg (“grofgebouwd”)èn een voedingspatroon dat bij de lagere sociale klasse hoort. Waar boeren en arbeiders voornamelijk veel koolhydraten (aardappelen) aten en zware lichamelijke arbeid verrichtten – de mannen evengoed als de vrouwen- had de hogere klasse meer geld voor eiwitten (vlees) en hield zij er een ander, gematigder eetpatroon op na, in combinatie met lichte arbeid en sportieve ontspanning in de buitenlucht. Zowel de klassenverschillen in eetcultuur als het beweegpatroon van de hogeropgeleiden (sporten) zien we vandaag de dag nog terug. De zware lichamelijke arbeid voor de lagere klassen is echter grotendeels verdwenen – met de zichtbare gevolgen.

Zowel genetische aanleg als eetcultuur houden verband met sociale klasse. De eetcultuur van je omgeving heeft een sterke invloed op je eigen voedingspatroon, eten is immers een sociaal bindmiddel. Maar ook de afkeer van teveel eten en van dikke mensen is in bepaalde kringen een bindende factor. En terwijl de kennis van een gezond eet- en beweegpatroon (en de benodigde financiële middelen!) de hoger opgeleide van hogere sociale afkomst ondersteunt in het slank blijven (die vermoedelijk ook genetisch gunstig is aangelegd –bijvoorbeeld door een hugenoot in de voorvaderen) staat de dikkerd van boerenafkomst er in de gewone Nederlandse volkscultuur alleen voor. De omgeving eet gewoon door, je bent “ongezellig” als je niet meedoet, het aanbod van ongezond voedsel is alomtegenwoordig (14) en Opa en Oma blijven het kleinkind volstoppen met lekkers – een traditionele volkse manier van verwennen en troosten.

Het moge duidelijk zijn dat gezond en matig eten voor iemand uit de volksklasse door zowel de genetische aanleg als het gebrek aan steun, kennis en gerichte eetgewoonten in de sociale omgeving, een veel grotere zelfbeheersing vraagt. Overigens zónder de beloning van een betere sociale positie- die voor veel slanke hoogopgeleiden zo vanzelfsprekend is. Toch worden dikke mensen steevast als onbeheerst neergezet. Daarmee blijven de rol van de voedingsindustrie, de reclame en de samenleving zelf buiten beeld. Voor de slankere hoogopgeleiden is dit wel zo prettig. Zij mogen gruwelen van de mateloze dikkerds terwijl hun eigen positie èn hun slanke lichaam hun eigen verdienste lijken te zijn.(15)

Al aan het begin van de vorige eeuw en dus lang voor de obesitasdiscussie was gematigdheid als vorm van sociale onderscheiding bij de hogere klasse terug te vinden. Zo beschrijft Ileen Montijn: “zelfbeheersing te allen tijde is een morele plicht – maar ook een kwestie van standsbesef.”(16) Bij Elias en Bourdieu vinden we sociologische theorieën die lichaamsbeheersing als vorm van distinctiedrang kunnen helpen duiden. De keerzijde van deze distinctiedrang is wel dat dikke mensen worden geassocieerd met dom en van lage(re) sociale status, hetgeen tegenwoordig niet meer openlijk geschiedt maar verkapt en vooral geïndividualiseerd, los van geschiedenis, cultuur en sociale klasse. Alles is immers vrije keus en eigen verantwoordelijkheid? Bij overgewicht en obesitas schiet het individu moreel en sociaal tekort. Die stigmatisering is enorm – onrechtvaardig.(17)

Het wordt tijd dat er echt gekeken wordt naar sociale en biologische achtergronden van overgewicht. Niet alleen vanwege de verhoogde kans op een werkelijk effectieve aanpak, maar vooral uit het oogpunt van sociale en morele rechtvaardigheid. Maar aangezien ik niet verwacht dat dit snel zal gebeuren, zou ik willen zeggen: ga lekker door met gruwelen en walgen over dikke mensen, daar blijf je slank bij.

 

Noten:

(1) I used to be fat, Too fat for 15, Help mijn kind is te dik, etc.
(2) Debatop2, Hollandse Zaken, etc.
(5) http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2672/Wetenschap-Gezondheid/article/detail/1044418/2010/11/02/Overgewicht-kost-3-miljard-per-jaar.dhtml
(6) http://www.alcoholinfo.nl/index.cfm?act=esite.tonen&pagina=323
(7) http://www.ad.nl/ad/nl/1012/Nederland/article/detail/1939795/2010/09/30/Drinkers-kosten-maatschappij-meer-dan-rokers.dhtmldit onderzoek zegt overigens dat de kosten van alcoholmisbruik 2,6 miljard zijn en niet 3,7, zoals in de vorige noot.
(8) http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ziekten-en-aandoeningen/letsels-en-vergiftigingen/sportblessures/sportblessures-samengevat/
(9) Zie hiervoor ook de ijzersterke column van Asha ten Broeke in Trouw: http://www.trouw.nl/tr/nl/8367/Asha-ten-Broeke/article/detail/3303617/2012/08/20/Geef-mollige-medemensen-hun-gezicht-terug.dhtml
(10) http://www.huffingtonpost.co.uk/sue-thomason/obesity-rates-cause-hat-s_b_1405283.html
(11) http://www.nationaalkompas.nl/gezondheidsdeterminanten/persoonsgebonden/lichaamsgewicht/verschillen-sociaaleconomisch/
(12) Voor een prachtig standaardwerk over eetcultuur en sociale klasse verwijs ik graag naar Stephen Mennell: Smaken verschillen 1989.
(13) Briljante aanduiding van dergelijke culinaire hoogstandjes door Ilja Gort in Slurp (2009).
(14) Lees daarvoor mijn blog http://miekevanstigt.blogspot.nl/2012_01_01_archive.html
(15) Zie bijvoorbeeld Dieter Vandebroeck in zijn abstract Distinctions in the Flesh. Obesity, weight and the class body: “By durably inscribing themselves in the bodies of social agents, class tastes become (mis)perceived as indicators of innate moral fiber, distinguishing those who have a “natural”capacity for restraint and self-control from those who apparently lack the will power and self-discipline to harness their primary needs.” http://www.soc.aau.dk/forskning/scud/network-seminars/papers-manchester/
(16) Ileen Montijn: Leven op stand, 2008, p. 183.
(17) http://www.afvallen-weblog.nl/discriminatie-op-basis-van-gewicht-komt-vaker-voor-dan-racisme/

dinsdag 10 juli 2012

Goede kinderopvang of thuisblijvende moeders? Een oude discussie


Dit artikel schreef ik in 2002 voor het tijdschrift van de kinderopvang waar ik destijds als invalkracht werkte. Dat was ruimschoots vóór Robert M., maar de inhoud van dit artikel lijkt me nog altijd actueel. Vandaar dus een blog uit de oude doos…

In de afgelopen weken is er in de media een ware paniek ontstaan over crèchekinderen. Crèches zouden schadelijk zijn voor kinderen en ze zouden er gedragsproblemen door ontwikkelen. Deskundigen en ouders vallen over elkaar heen met adviezen en oordelen en het is voor de doorsnee ouder met een kind in het kinderdagverblijf, moeilijk om kalm te blijven en niet in paniek te raken.

Zelf ben ik op drie manieren bij deze discussie betrokken: allereerst als moeder: mijn dochter is vorige week vier jaar geworden, en is bijna tweeënhalf jaar lang, drie dagen per week naar het kinderdagverblijf geweest. Ten tweede als crècheleidster: sinds kort ben ik op ditzelfde kinderdagverblijf werkzaam als invalkracht. Daarnaast ben ik ook nog socioloog en pedagoog, en probeer ik deze discussie vanuit een meer afstandelijk wetenschappelijk standpunt te begrijpen. Allerlei invalshoeken van dit onderwerp zijn dus in mijn persoon aanwezig, en dat is behoorlijk verwarrend. Enerzijds vraag ik mij af of ik mij echt zorgen moet maken, anderzijds denk ik dat de –negatieve- toon waarop deze discussie zich afspeelt, en de schuldgevoelens waarmee moeders van crèchekinderen te kampen hebben, alles te maken heeft met onze (Nederlandse) samenleving.

In het eerste deel van dit artikel wil ik het thema van schadelijkheid van de crèche onder­zoeken: is de crèche nadelig voor kinderen en is er reden tot paniek? In het tweede deel van dit artikel wil ik bezien hoe de manier waarop de discussie zich afspeelt te maken heeft met onze samenleving en de positie van de werkende moeder daarin. De conclusies waarmee ik elk deel besluit, zijn de mijne, het staat een ieder vrij andere conclusies te trekken.

Deel I: Zijn crèches schadelijk voor jonge kinderen?


a. De kern van het probleem

In haar afscheidsrede als Professor Ontwikkelingspsychologie stelde M. Riksen-Walraven, dat een te lang verblijf in slechte crèche is slecht voor ontwikkeling van het jonge kind. Zij baseert deze uitspraak op een gerenommeerd Amerikaans onderzoek waaruit bleek dat kinderen die lange tijd in een crèche hadden verbleven vaker gedragsproblemen vertoonden. Dit heeft te maken met de ontwikkeling van de hersenen, waarbij positieve ervaringen in contact met de ouders (Riksen noemt vooral de moeder)  van essentieel belang zijn voor de groei en de structuur van de hersenen en daarmee voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Kinderen die langer dan dertig uur per week in een crèche verbleven vertoonden vaker agressief gedrag, en vanaf twintig uur per week was er al verschil merkbaar. Overigens is Riksen niet tegen  kinder­opvang, maar noemt zij het een “risicofactor” en pleit zij voor betere verlofregelingen voor ouders van jonge kinderen.

b. Het belang van het kind

Vóór alles is het van belang om het nut van dergelijke uitspraken te onderstrepen. Waar het de ontwikkeling van kinderen in een cruciale periode betreft kun je niet voorzichtig genoeg zijn. Het belang van optimale ontwikkelingskansen voor alle kinderen, kan niet té vaak benadrukt worden. Onderzoek hiernaar is daarom essentieel, kennis van risico’s en gevaren voor jonge kinderen kan dan meegenomen worden in de opinie- en beleidsvorming rond kinderopvang.

cZijn crèches slecht voor kinderen? Kanttekeningen bij het onderzoek

Er is in de media al veel commentaar geweest op de uitspraken van Riksen. Zo zijn er belangrijke verschillen tussen de Amerikaanse samenleving (waar het onderzoek gehouden is) en de Nederlandse. De Nederlandse overheid heeft daarom onlangs besloten dergelijk onderzoek ook hier uit te voeren. Daarnaast werken moeders in Nederland vrijwel altijd parttime, hebben ze vaak veel langer bevallingsverlof en gaan de kinderen gemiddeld 2,5 dagen naar een crèche. Riksen zegt hierover dat ze dan nog steeds gemiddeld meer dan twintig uur naar de crèche gaan, en vind dat de Amerikaanse onderzoeksresultaten wel degelijk voor Nederland van toepassing zijn. Daarnaast vind zij dat de kwaliteit van de kinderopvang achteruit gaat doordat er steeds minder tijd is voor persoonlijke aandacht door de leidsters, die elkaar steeds sneller afwisselen. Naast een uitbreiding van het bevallings­verlof pleit zij dan ook voor veel strengere kwaliteitseisen voor crèches.

Over de vermeende schadelijkheid van crèchebezoek zijn de wetenschappers het nog lang niet eens. Zo worden de Amerikaanse onderzoeksresultaten door sommige Nederlandse collega’s van Riksen heel anders geïnterpreteerd. Op grond van dezelfde cijfers concluderen zij heel andere dingen: kinderen zouden juist mondiger zijn, en gedrag dat door Riksen als problematisch wordt aangeduid wordt door die onderzoekers juist positief, hooguit wat drukker, gevonden. Zij noemen de kinderen assertief en weerbaar, in plaats van agressief. Een van deze collega’s is Hoogleraar Kinderopvang Louis Tavecchio, die ook onderzoek deed naar gedrag van crècheleidsters ten aanzien van baby’s. Hieruit blijkt dat crècheleidsters genoeg tijd moeten hebben voor contact met de kinderen, en dat een te hoge werkdruk (groepsgrootte, aantal baby’s) dit moeilijk maakt.

Riksen wijst –terecht- op de risico’s voor het kind van een slechte crèche, maar ieder wel­denkend mens kan verzinnen dat het slecht is voor kinderen om veel te lang in een slechte crèche te verblijven. Het is in alle situaties, ook thuis, slecht voor het kind om verwaarloosd te worden. Daarom zou men zich af moeten vragen welke dingen belangrijk zijn in een goede kinderopvang en hoe een crèche op de juiste manier kan inspelen op de behoeften van het kind. De vraag is dan: wat maakt een crèche een goede crèche?

d. welke positieve bijdrage kan een crèche hebben?

Het is wonderlijk dat met één onderzoek waaruit een negatieve invloed van crèches zou kunnen blijken, meteen de conclusie wordt getrokken dat “crèches schadelijk voor het kind” zijn, zoals een krantenkop luidde. Natuurlijk, kranten bestaan bij de gratie van koppen die de aandacht trekken. Niettemin is op deze manier de tendens gezet, daarom is wat tegengas op zijn plaats. De crèche kan op veel manieren positief bijdragen aan de ontwikkeling van het kind, ook bij jonge kinderen.

Alle theorieën gaan uit van een veilige hechting met de ouders als basis voor de ontwikkeling van het kind en elke ouder zal zich daarvoor willen inzetten. Maar wat als dat om wat voor reden dan ook niet altijd optimaal lukt? Ouders kunnen zelf in de problemen raken en op dat moment niet optimaal in staat zijn hun kind alle veiligheid en aandacht te geven. In dat geval kan een goede crèche juist bijdragen aan stabiliteit en veiligheid voor het kind. Op veel crèches, ook op ’t Drempeltje, komen er dan ook kinderen met een “medische of sociale indicatie”. 
Jonge kinderen zijn kwetsbaar in hun ontwikkeling, dat is duidelijk. Een goede crèche kan ouders ondersteunen, net zoals goede ouders de eventuele negatieve werking van een crèche kunnen ondervangen. Pas wanneer beiden het laten afweten, wordt het kind echt de dupe. Een van de factoren die genoemd werden in het onderzoek is het langdurig laten huilen van een kind. Jonge kinderen zijn, aldus Riksen, niet in staat om stress te stoppen, dat moet een volwassene voor hun doen. Het is slecht voor kinderen om ze stelselmatig lang te laten huilen. Dit wordt door andere pedagogen onderschreven. Een veilige hechting is de basis voor een gezonde ontwikkeling van het kind. Deze hechting heeft niet alleen betrekking op de ouders, volgens de pedagoog M.J. IJzendoorn is het “noodzakelijk voor een kind om een netwerk van meerdere gehechtsheidsfiguren te vormen”[i] De intensiteit van het contact is daarbij belangrijker dan de frequentie ervan. IJzendoorn ziet hiervoor zeker een rol weggelegd in de kinderopvang. Voorwaarde is wel dat er continuïteit in de verzorging is en dat er een positieve interactie plaatsvindt.

Andere dingen die Riksen noemt als bijdragend aan een gezonde hersenontwikkeling zijn oogcontact, lachen, elkaar nadoen. Riksen ziet hierbij de hoofdrol voor de moeder weggelegd, maar er is geen onderbouwing dat dat alleen met de moeder zou kunnen. In een goed contact met crècheleidsters en anderen moet dat dus ook kunnen. Goede crècheleidsters zijn daarvoor opgeleid èn capabel: zij letten erop of kinderen genoeg respons krijgen, genoeg uitdaging en aandacht. Zij laten kinderen niet eindeloos huilen of in een hoekje zitten. Bovendien zijn er argumenten in het voordeel van de crèche: kinderen, ook de baby’s, krijgen respons van elkaar. Zij vinden juist veel plezier en uitdaging in elkaars gezelschap, in positieve banen geleid door de enthousiaste leidsters.

e. Mijn eigen invalshoeken:

Als moeder raakte ook ik in paniek van dergelijke berichten: heb ik er goed aangedaan mijn kind naar de crèche te laten gaan? Ik denk van wel: mijn dochter heeft er vele positieve ervaringen opgedaan die ik haar niet had kunnen bieden, dat de balans positief is. Ik denk dat je dat als ouders steeds in de gaten moet houden: gaat het goed met je kind? Hoe is de relatie tot de leidsters? Als ik het gevoel had dat er iets niet goed ging met mijn kind, dan sprak ik daarover met de leidsters: wat vonden zij ervan? Wat kunnen we samen doen?

Als leidster let ik erop dat baby’s betrokken zijn bij de gang van zaken in de groep. Je kunt ze niet altijd vasthouden, maar wel aandacht geven, uitdagingen en nieuw speelgoed. Juist omdat de kinderen nog jong zijn, is bevrediging van hun primaire behoeften essentieel. Op die manier bied je hen veiligheid. De communicatie is primair: hoe uit een kind zich? Hoe kun je als leidster het kind daarin beantwoorden? Zo bouw je al met een heel jong kind aan een veilige hechting.

Als invalkracht houd ik er rekening mee dat kinderen er moeite mee kunnen hebben dat de vaste leidster afwezig is. Maar ik zie ook dat zij kunnen genieten van mij als invalkracht, dat ook jonge kinderen mij ook na enkele weken nog, herkennen. Ik denk dat je als invalkracht nog méér dan als vaste leidster het belang van een veilige hechting in het oog moet houden. Het kind kent je vaak niet goed, maar je kunt wel veiligheid communiceren.

Conclusie 1: Er is geen reden tot paniek, wel tot voorzichtigheid!


Een langdurig verblijf in een slechte crèche kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van het kind. Er is echter weinig reden aan te nemen dat jonge kinderen in Nederland langdurig in slechte crèches verblijven. Daarnaast kunnen crèches ook een belangrijke positieve bijdrage bieden aan de ontwikkeling van het kind. Uiteraard is de kwaliteit van kinderopvang voor alle kinderen belangrijk, en ouders en leidsters moeten zich méér bewust zijn van een eventueel verhoogd risico naarmate een baby meer tijd in een crèche doorbrengt. Factoren waar ouders op kunnen letten is of het kind een goede band heeft met een vaste leidster, of de leidster voldoende aandacht en respons voor het kind heeft. Een veilige hechting met de ouders zelf is bovendien essentieel. Leidsters kunnen erop letten dat het kind zich gehoord weet als het zich niet prettig voelt, en voldoende aandacht krijgt. Door aandacht te hebben voor de primaire communicatie met het kind kunnen zij werken aan een veilige hechting en daarmee aan een gezonde ontwikkeling.

Deel II. Paniek om crèches is paniek om werkende moeders.


a. nogmaals mijn eigen invalshoeken

Als moeder raakte ook ik in paniek van de alarmerende krantenkoppen en vroeg ik mij af of ik er wel goed aan heb gedaan mijn kind naar de crèche te laten gaan. Ook ik werd, en word als werkende moeder nog steeds, geplaagd door schuldgevoelens. Die schuldgevoelens zitten in mijzelf, maar hebben ook alles te maken met de samenleving waarin ik ben opgegroeid en waardoor ik ben gevormd. Als socioloog vind ik het dan ook hoog tijd om dit aspect van het probleem te verkennen.

In de artikelen wordt steeds gewezen naar moeders en de `keus’ die zij maken om te werken. Kort samengevat is in de diverse artikelen steeds te lezen dat zij niet voor de luxe moeten werken maar thuis moeten blijven voor het kind. Alleen zij zou kunnen zorgen dat het kind niets tekort komt. Dezelfde keus van vaders staat vrijwel niet ter discussie, en alom wordt ingespeeld op het schuldgevoel van moeders.

Niet alleen de verwijzingen naar het schuldgevoel van moeders (als zij daar niet al onder leden wordt het dan nu toch echt hoog tijd)  zijn gebaseerd op diepgewortelde morele overtuigingen van onze cultuur, ook de conclusies in de artikelen neigen eerder tot afschaffing van kinderopvang dan tot verbetering ervan, wat toch meer voor de hand zou liggen. De werkende moeder in Nederland wordt blijkbaar nog niet vanzelfsprekend geaccepteerd.

b. de werkende moeder als relatief nieuw verschijnsel in Nederland

In tegenstelling in tot onze buurlanden is het fenomeen van de werkende moeder in Nederland relatief nieuw. Nederland kent een lange traditie van thuismoeders en heel lang is de politiek daarop gericht geweest, waarbij het salaris van de vader gold als gezinsinkomen. De laatste jaren wordt arbeidsparticipatie van vrouwen juist toegejuicht, niet alleen als logisch gevolg van emanci­patie en onderwijs, maar ook voor de arbeidsmarkt. Vrouwen moeten weer financieel onafhankelijk zijn. Nog kort geleden stelde het kabinet dat de arbeidsparticipatie van vrouwen moet groeien tot van het de huidige 52% naar 65% in het jaar 2010[ii].

In de laatste tien jaar is het aantal werkende moeders dus enorm toegenomen. Daarnaast zijn sommige vaders minder gaan werken, maar de cijfers hiervan blijven ver achter. De gemiddelde Nederlandse ouders hebben anderhalve baan, deeltijdwerk overheerst bij de moeders. Het doel van financiële onafhankelijkheid van vrouwen is dan ook nog lang niet gehaald. Wel is duidelijk dat zij een essentiële bijdrage leveren aan het gezins­inkomen. Bovendien is het al lang niet meer zo dat alle gezinnen bestaan uit man, vrouw en kinderen en moeten veel vrouwen op enig moment in hun leven voor zichzelf en de kinderen zorgen.

De mogelijkheden die ouders hebben zijn  beperkt. Zo klagen mannen dat hun werk zich slecht laat omzetten tot deeltijdwerk en blijven vaders massaal fulltime of bijna fulltime werken. Anderzijds klagen vrouwen dat zij op hun werk door hun deeltijdbaan niet voor vol worden aangezien en hebben zij daardoor minder carrièrekansen. Het stoppen met werken om (tijdelijk) voor de kinderen te zorgen heeft voor Nederlandse vrouwen vergaande gevolgen voor hun arbeidskansen. Terugkeer op de arbeidsmarkt is vaak lastig, terwijl moeders in Duitsland hebben recht op een zorgverlof van drie jaar, waarna zij weer kunnen terugkeren in hun eigen baan. Moeders in Frankrijk hebben dit recht na twee jaar.

c. de werkende moeders als moreel probleem: botsende waarden in Nederland

De trend dat vrouwen deelnemen aan onderwijs en arbeid is dus duidelijk zichtbaar, dit zorgt voor een morele druk op vrouwen om carrière te maken en financieel onafhankelijk te zijn of bij te dragen aan het gezinsinkomen. Maar als er kinderen komen blijkt dat de oude morele waarden waarbij moeders er uitsluitend voor de kinderen moeten zijn, nog lang niet verdwenen. Zo is de situatie ontstaan dat moeders het niet goed kunnen doen. Enerzijds hebben emancipatie en  arbeidsmarktontwik­kelingen geleid tot de eis van ontplooiing en financiële onafhankelijkheid, of minimaal bijdrage aan het inkomen. Thuismoeders klagen dan ook dat zij door anderen niet voor vol worden aangezien, terwijl zij “toch ook een bijdrage leveren aan de samenleving.”  Anderzijds voelen werkende moeders zich door de thuismoeders aangevallen, dat zij niet “voor het kind” zouden kiezen, of zouden “werken voor de luxe” (en de vader niet). Dit maakt de discussie over kinderopvang tot een moreel geladen discussie tussen moeders. En beide partijen hebben daar veel last van. Het appèl aan het schuldgevoel van de werkende moeder is een uiting van dit conflict.

Dat het genoemde schuldgevoel te maken heeft met onze samenleving, blijkt ook uit vergelijkingen met de ons omringende landen. Zo is het in België heel normaal dat moeders werken, kinderen groeien daar niet problematischer op dan in Nederland. Een Spaanse vrouw in Nederland, werkzaam als adviseuse voor dagindeling, verwoordde haar verbazing hierover: “ Vrouwen (in Nederland) die hun kind naar de crèche brengen om te werken of leuke dingen te doen voelen zich slecht. In Spanje hoor ik daar nooit iemand over.” De recente opschudding over de vermeende schadelijkheid van crèches is volgens haar het zoveelste bewijs van de maatschappelijke druk die in Nederland op vrouwen met kinderen wordt uitgeoefend. (In Spanje) is het niet zo emotioneel als hier, of je een `goede moeder’ bent of niet staat in principe niet ter discussie.[iii]  Waarom in Nederland dan wel?

In de artikelen wordt eerder verwezen naar schuldgevoelens van moeders, hun keuze om wel te werken en de onwenselijkheid van kinderopvang, dan gezocht naar mogelijkheden om deze kinderopvang te verbeteren. Riksen zelf heeft nooit beweerd dat crèches in het algemeen slecht zijn voor alle kin­deren, zij wijst hooguit op bepaalde risico’s en wordt er nu doodmoe van dat iedereen over haar heen valt. De discussie die nu is losgebroken en de onrust waarmee deze gepaard gaat, is dan ook niet zozeer terug te voeren op dat Amerikaanse onderzoek, en zelfs niet op de uitspraken van Riksen zelf: de paniek heeft vooral te maken met de problematische situatie van werkende moeders in Nederland. Alle emancipatie ten spijt is het een discussie door en over vrouwen, nog eens benadrukt door de beslissing van het Europese hof dat kinderopvang alleen een recht is voor vrouwen en alleenstaande vaders.

De situatie van werkende moeders in Nederland lijkt dus te worden bepaald door tegen­strijdige morele eisen. De eis tot volwaardige persoonlijke ontwikkeling in onderwijs en arbeidsmarkt lijkt niet te verenigen met de eisen die aan moederschap worden gesteld. Het is om die reden dat een uitspraak over crèches zoals door Riksen de gemoederen zo hoog op doen lopen. De tegenstrijdigheid is ook terug te vinden in de politiek. Zo wordt het wenselijk gevonden dat méér vrouwen werken, maar ontbreekt een consistent beleid ter ondersteuning daarvan. De voorzieningen en mogelijkheden rond kinderopvang en schooltijden zijn slecht afgestemd op werkende ouders en de discussie wordt steeds overheerst door de morele verontwaardiging over werkende moeders in plaats van door de vraag hoe er een consistent systeem van kinderopvang en schoolvoorzieningen kan komen waarbij de kwaliteit van die kinderopvang en voorzieningen rond overblijven en naschoolse opvang voorop staat.

Op deze manier worstelen werkende ouders met praktische oplossingen en hebben zij weinig keus, zij moeten al blij zijn dàt zij een oplossing vinden voor hun kinderen. De frustratie hierover bij ouders is groot. En hoewel de overheid streeft naar arbeidsparticipatie van vrouwen, houdt zij zich nog te weinig bezig met de voorwaarden voor kwaliteit. Het aantal kinderopvangplaatsen moet extra groeien, maar de verant­woordelijkheid voor de kwaliteit is gedecentraliseerd naar de gemeenten. De centrale kwaliteits­eisen zijn komen te vervallen. Ook de opleidingen tot kinderleidster zijn verkort en in plaats van een zelfstandige opleiding een specialisatierichting in een algemenere zorgopleiding geworden. De acties in de kinderopvang enige maanden geleden gingen vooral om dit punt: inzet en middelen om kwaliteit te kunnen leveren. Als de overheid zich structureel zou bezighouden met kwaliteit van kinderopvang, kan er een stelsel groeien waarin ouders onbezorgd kunnen werken en problemen niet worden teruggevoerd op werkende moeders.


Conclusie 2: goede kinderopvang is van maatschappelijk belang!


De overheid streeft enerzijds naar arbeidsdeelname van vrouwen, gelijke kansen in het onderwijs en in de arbeid, maar verliest anderzijds de kwaliteit van kinderopvang uit het oog. Een coherent beleid zou er niet toe leiden dat moeders dan maar thuis blijven voor de kinderen, maar dat de kwaliteit van kinderopvang in alle opzichten voorop zou staan. De zorg voor deze kwaliteit kan maar zeer ten dele worden overgelaten aan ouders: zij zijn de eersten die signaleren of het goed gaat met hun kind, maar welke keuze hebben zij, met de huidige wachtlijsten voor kinderopvang, nou echt? Hooguit de ‘keus` andere oplossingen te zoeken, hetgeen bij de toenemende arbeidsdeelname van vrouwen alleen maar moeilijker wordt. De keus van moeders dan maar thuis te blijven levert vaak weer vele andere problemen op, en strookt niet met het streven van de overheid naar 65% werkende vrouwen.

De verantwoordelijkheid voor goede opvang ligt zeker bij de crèches zelf. De leidsters zijn verant­woordelijk, evenals de directie. Wettelijke bepalingen en achterblijvende financiële middelen verhogen de werkdruk, ziekte en verzuim. Dit ondermijnt de mogelijkheden voor goede opvang. Daarmee hebben de leidsters èn de instellingen te kampen en daarover gingen ook de stakingen enige maanden geleden.

De zorg voor goede opvang zou daarom centraal moeten staan in het kabinets­beleid. Als de overheid wil dat vaders en moeders zowel volwaardig kunnen deelnemen op de arbeidsmarkt als delen in de zorg voor de kinderen, moet er een coherent stelsel van mogelijkheden voor deeltijd, zorgverlof en goede kinderopvang komen. Kinderen zijn in dit alles de kwetsbaarste schakel, hun belang zou centraal moeten staan in het beleid rond kinderopvang.

Literatuur:
*HP/de Tijd, 15 maart 2002: Naar de crèche of niet?
*Vele artikelen en ingezonden brieven in Noordhollands Dagblad, NRC-Handelsblad, De Volkskrant en Intermediair in de maand maart 2002.
*Martine F. Delfos: Kinderen in ontwikkeling. Stoornissen en Belemmeringen. Lisse: Swets & Zeitlinger, 1996.


[i] De ontwikkeling van het kind, p. 28.
[ii] HP/De Tijd 15 maart 2001, p. 27.
[iii] Intermediair, 4 april 2002, p 13.

maandag 9 juli 2012

Wie maakt prinsessen van meisjes en piraten van jongens? Wij zelf!

Dit artikel verscheen eerder in het digizine van het Waarborgfonds Kinderopvang: www.nul12.nl 

Verschillen tussen mannen en vrouwen, tussen jongens en meisjes zijn “in”. Boeken als Mannen komen van Mars, Vrouwen komen van Venus[1] benadrukken deze verschillen, maar ook breinonderzoek is populair. Hun verhalen zijn heel herkenbaar: jongens zijn drukker, hebben structuur nodig maar ook ruimte om te bewegen, meisjes zijn socialer, meer gericht op elkaar. De leefwereld van kinderen wordt ondertussen steeds meer door vrouwen bepaald. Er zijn door echtscheidingen meer alleenstaande moeders, terwijl het onderwijs en zéker de kinderopvang gedomineerd worden door vrouwen. Geen wonder dus, dat jongens het in die omgeving steeds slechter doen.[2] Jongens hebben een eigen aanpak nodig met zowel structuur als ruimte voor stoeien, maar vooral meer mannelijke rolmodellen. Daarom wordt er gepleit voor meer mannen op scholen en in de kinderopvang, opdat jongens meer mannelijke rolmodellen zullen hebben en beter begrepen zullen worden. 

Een herkenbaar en ook plausibel verhaal. Maar klopt het ook? Zo’n dertig jaar geleden was een ander verhaal dominant: dat kinderen gelijk geboren worden en verschillend gemáákt. Niet de nature (het biologische verschil) maar de nurture (de opvoeding) was in die visie allesbepalend. Jongens moesten daarom met poppen en meisjes met auto’s spelen. Breinonderzoek werd zo ongeveer verketterd als fascistisch.

Wat deze twee volstrekt tegengestelde benaderingen met elkaar gemeen hebben, is dat ze de werkelijkheid geweld aandoen vanuit een theoretisch model of maatschappelijk ideaal. Het huidige onderzoek dat verschillen tussen jongens en meisjes aantoont, blijkt op slechts kleine verschillen te berusten.[3] Baby’s worden inderdaad vrijwel gelijk geboren en vooral verschillend gemáákt. Al van jongs af aan wordt bij jongens jongensgedrag gestimuleerd en bij meisjes meisjesgedrag. Dat begint al in de wieg, denk aan die schattige rompertjes in het blauw met `stoer’ erop en in het roze met `lief’. Meisjes worden `prinsesjes’, jongens worden `piraten.’ Dit gebeurt vooral onbewust, dat maakt het zo ongrijpbaar. De in beginsel kleine verschillen tussen jongens en meisjes, worden hiermee groter en duidelijker en vervolgens theoretisch onderbouwd met breinonderzoek. Dat jongensbreinen verschillen van meisjesbreinen komt dus vooral door de opvoeding, waarin jongens met constructiespeelgoed spelen en zo het ruimtelijk inzicht van hun brein stimuleren, terwijl meisjes hun verbale en sociale vaardigheden oefenen.

Maar wat onderzoek óók aantoont, is dat er binnen de seksen grotere verschillen zijn dan tussen de seksen. Met andere woorden: tussen jongens zijn grote verschillen en tussen meisjes zijn grote verschillen. Deze verschillen krijgen met het huidige model te weinig ruimte. Want een voordeel van de jaren zestig en zeventig was wèl dat de zachtaardige jongens de kans kregen om te zorgen, en de stoerdere meiden in tuinbroek in een boom mochten klimmen.

En dat zou ik dan ook nu weer willen bepleiten. Een mannelijk (maatschappelijk) rolmodel in de kinderopvang is wellicht wenselijk voor de jongens en zelfs ook voor de meisjes, maar op dit moment werken er in de kinderopvang nog geen 2% (kdv) tot hooguit 10% (bso) mannen. Dat zal naar mijn voorspelling niet snel veranderen, de veelal parttime banen en het relatief lage salaris zijn voor mannen niet erg aantrekkelijk. Daarnaast bestaat het risico dat er ten opzichte van mannen òf teveel argwaan zal zijn (naar aanleiding van Robert M.) òf te weinig kritisch zal worden gekeken, omdat men al blij is dat er een man solliciteert.

Wat wèl bereikt zou kunnen worden, is dat alle werkenden in de kinderopvang bewuster worden van hun eigen rolbevestigende gedrag en dat ze meer ruimte geven aan handelingsmogelijkheden voor beide seksen. Dat zowel zorgende als de meer technische speelmogelijkheden nadrukkelijk aan jongens èn meisjes, het liefst samen, worden aangeboden. Structuur, stoeien en lichaamsbeweging lijken me goed voor alle kinderen, maar met aandacht voor de meer gevoelige, zachte types, of dat nou jongens of meisjes zijn.




[1] Van de auteur John Gray
[2] Aldus de pedagogen Louis Tavecchio en Lauk Woltring op Leraar24 van 02-03-2010: feminisering en jongensproblemen
[3]Zo betoogt Asha ten Broeke in haar ijzersterke boek: “Het idee M/V” (2010)

donderdag 21 juni 2012

Het verschil tussen plagen en pesten


In De Volkskrant van 21 juni stelt een schoolhoofd het verschil tussen pesten en plagen aan de orde. Over een jongetje van 10 jaar van zijn school, dat zelfmoord heeft gepleegd, stelt hij: “Tijdens zijn schoolperiode is hij wellicht zo zijdelings gepest; hetgeen meer kinderen overkomt. En soms is het woord plagen ook van toepassing, want pesten krijgt volgens mij te vaak een zware lading.” Uiteraard weten we niet wat het betreffende jongetje ertoe heeft gebracht zelfmoord te plegen, we kunnen het hem niet meer vragen. Maar de woorden van zijn schoolhoofd stellen mij op dat vlak geenszins gerust. Het komt inderdaad voor dat kinderen of hun ouders plagen opvatten als pesten. Het belangrijkste verschil is dat bij plagen er sprake is van wederkerigheid (er wordt over en weer geplaagd) en vooral van goedmoedigheid: de bedoelingen van de plaaggeest zijn goed. Dat laatste kan wel eens niet opgepikt worden, dan is een goed gesprek tussen de twee partijen nodig. De geplaagde heeft dan vaak een achtergrond van pesten of is supergevoelig. In beide gevallen kan hij/zij daar wel wat begeleiding bij gebruiken.

Het komt echter nog veel vaker voor dat de gepeste wel degelijk juist inschat dat er sprake is van pesten en dat dit door de schoolleiding of de leerkracht niet serieus wordt genomen. Immers: dat is alleen maar lastig. Er moet een pestprotocol ingezet worden, en de leerkracht en/of het schoolhoofd moeten eens kritisch naar hun eigen functioneren kijken. Sommigen vinden dat bedreigend en geven er de voorkeur aan de situatie te bagatelliseren. Uit Brits onderzoek van de onderwijsinspectie blijkt dat het wel degelijk voorkomt dat docenten pestgedrag stimuleren.  Dat zou ik nog krachtiger willen neerzetten: in echt ernstige pestsituaties wordt het pesten gesteund door de school. Hier is nog veel te weinig aandacht voor in Nederland en het wordt tijd dat de energie en aandacht vooral gericht worden op de rol van de school bij pesten.


zondag 3 juni 2012

Watjes


Gespeend van elk historisch besef verlangt Michiel Hennink in De Volkskrant van 2 juni j.l. terug naar tijd waarin mensen door het leven zelf hard werden (“Nederland kweekt steeds meer watjes”). Tegelijk verzet hij zich tegen elke vorm van betutteling en bepleit hij de autonome keuzes van het zelfsturende individu. Beide zaken hebben hun beperkingen en spreken elkaar tegen: terug naar de harde tijd is terug naar een tijd met een sterke sturing van buitenaf en een zeer beperkt aanbod. Over betutteling gesproken: niks mocht en je werd door iedereen in de gaten gehouden. Er was beslist geen sprake van een overdaad aan patat en alcohol, maar wel van schaarste en streng toezicht. Daarnaast was het een harde tijd, waarin het mensenleven door ziekte, armoede, ongelukken en oorlog bepaald werd. Daarin moest je zien te overleven en inderdaad, daar werd je `hard van’.

Hoe anders is deze tijd, en de omgeving waarin deze jonge student opgroeit . We leven (hier, in Nederland, nu) in een veilige wereld van welvaart en overdaad, waarin oorlog en ontberingen ontbreken maar ook waarin sturing van buitenaf vervangen is door sturing van binnenuit. We geloven in de maakbaarheid van zowel het individu als de maatschappij. Het zelfsturende individu is tot norm en ideaal verheven, terwijl “pech” niet meer geaccepteerd wordt, we willen alles in de hand houden en bannen daarom de risico’s zoveel mogelijk uit. Ten onrechte meent Hennink dat blootstelling aan de gevaren van het leven (en nog ten onrechter meent hij dat die schuilen in het eten van patat en drinken van alcohol of energy drinks) de jongere vormt tot een zelfsturend individu, en dat het gebrek aan dergelijk risico `watjes’ van hen maakt.

Het is niet zo gek dat Hennink vindt dat foute keuzes puur persoonlijk zijn en elke hulp of beperking van buitenaf betutteling is die van jongeren watjes maakt. In dezelfde krant legt Peter Giesen uit dat de positieven die denken dat ze hun succes aan zichzelf te danken hebben gelukkiger zijn maar minder realiteitszin hebben. Dit is ook precies het probleem van Hennink en tevens ideologie van deze tijd: het geloof in het autonome zelfsturende en zelfkiezende individu. Daarbij zijn de succesvollen de winnaars die het aan zichzelf te danken hebben en de pechhebbers zijn de losers, die hun pech (werkloosheid of overgewicht) óók aan zichzelf te danken hebben. Een patatverbod en verbod op alcohol en energy drinks zou het hen maar “makkelijk maken” om ook bij de succesvollen te horen en daar wil Michiel natuurlijk niks van weten. Dan komt zijn eigen (al dan niet vermeende) positie als winnaar in gevaar. En teveel winnaars geeft natuurlijk alleen maar losers.

Het autonome zelfsturende individu is een mythe. Er zit een beperking aan de autonomie die iemand kan opbrengen. Ook in deze tijd zoeken mensen naar houvast en verbinding. De autonome mens is in al zijn autonomie door en door sociaal: een product van deze samenleving. Ook de zelfsturing heeft een grens: wilskracht is een spier die uitgeput kan raken. Daarnaast leven we nu in een tijd van extreme overvloed van ongezonde verleidingen en het is bekend dat zeker kinderen en jongeren er in hun hersenontwikkeling niet aan toe zijn dergelijke omstandigheden voortdurend de juiste keuze te maken (om over volwassenen maar even te zwijgen). Jongeren overladen met patat, alcohol en energy drinks maakt van hen geen autonome zelfsturende individuen, maar zieke, ongeconcentreerde en zware kinderen. Het is niet het risico dat van mensen zelfsturende individuen maakt, het is de geleidelijke vervanging van externe dwang naar interne dwang, of, zoals de socioloog Norbert Elias dat verwoordde: van Fremdzwang naar Selbstzwang. Maar de eerste stap: sturing van buitenaf, kan daarbij niet overgeslagen worden. Vroeger werden jongeren flink gekneed, volgens Michiel Hennink. Dat werden ze inderdaad, en ik weet zeker dat hij niet naar die tijd terug zou willen keren.

donderdag 24 mei 2012

Ouderbetrokkenheid als antwoord op welk probleem?


Er is de laatste maanden veel te doen over ouderbetrokkenheid. Demissionair minister van onderwijs Marja van Bijsterveldt wil ouders betrekken en reist daartoe door het land. Ook scholen en onderwijsondersteunende instanties organiseren studiedagen over het thema van ouderbetrokkenheid. Pedagoog Micha de Winter hield onlangs een prachtige lezing op een symposium over ouderbetrokkenheid in het mbo, waarbij hij pleitte voor een positieve pedagogische omgeving voor kinderen en jongeren, die bereikt kan worden door samenwerking tussen ouders en school.  Kortom: het thema van ouderbetrokkenheid lééft.

Maar op welk probleem is ouderbetrokkenheid nou eigenlijk een antwoord? De suggestie van het nieuwe pleidooi voor ouderbetrokkenheid is, dat ouders niet of niet voldoende betrokken zouden zijn. Dit wordt door het gezinsrapport 2011 van het Sociaal en Cultureel Planbureau tegengesproken: Nederlandse ouders doen het prima en besteden twee keer zoveel tijd aan hun kinderen als hun eigen ouders dat dertig jaar geleden deden. De meeste ouders zijn dus enorm betrokken, en ook de bijdrage die zij leveren aan de dagelijkse gang van zaken op scholen is veel groter dan enige decennia geleden, toen ouders nauwelijks de school binnen kwamen. Dat, terwijl ouders (in het geval er sprake is van twéé aanwezige ouders) tegenwoordig meestal allebei werken. Overigens zijn het vooral de moeders die in de school allerlei hand- en spandiensten verrichten. Scholen in Nederland lijken nog weinig ingesteld op werkende moeders: verzoeken om hulp komen vaak op wisselende momenten of worden steeds dringender (“we zoeken voor komende week nog ouders die…”) , terwijl een school met een béétje ervaring toch wel een fatsoenlijke jaarplanning zou kunnen maken. Je zou zelfs kunnen stellen dat de eisen van de school veel moeders belemmeren om méér uren te gaan werken, maar dat is een andere discussie. In ieder geval komen de activiteiten voor en rondom school dus nog eens bij hun gewone arbeids- en zorgtaken.

Bij discussies en symposia over ouderbetrokkenheid wordt gesproken over twee soorten ouderbetrokkenheid: de betrokkenheid in school (deze wordt ook wel –maar niet altijd- ouderparticipatie genoemd) en de betrokkenheid thuis. Deze twee worden vaak verward en vaak gaan discussies over ouderbetrokkenheid over de activiteiten van ouders in en rond de school. Uit onderzoek[1] blijkt echter dat driekwart van de schoolleiders vooral betrokkenheid thuis wil: dat ouders belangstelling hebben voor de schoolse activiteiten van hun kinderen en hen daarbij ondersteunen. Niet alle ouders vinden dit even gemakkelijk: ruim een kwart van de ouders (van kinderen op de basisschool) mist de instructies voor deze vorm van ouderbetrokkenheid.

Uit decennialang sociaalwetenschappelijk onderzoek[2] is bekend dat kinderen van middelbaar- en hoger opgeleide ouders, van wie het thuismilieu goed aansluit bij het schoolmilieu, daar optimaal van profiteren en dus (gemiddeld) beter presteren op school. Het is dan ook duidelijk dat deze ouders meer dan voldoende "betrokken" zijn om hun kind te ondersteunen. Zij weten hoe het onderwijs werkt en wat belangrijk is, en kunnen hun kinderen optimaal begeleiden. Ook het taalgebruik thuis speelt een belangrijke rol[3]. Kinderen van laagopgeleide ouders (en/of allochtone ouders met een lage opleiding) hebben te maken met grote verschillen tussen thuis- en schoolmilieu en met ouders die hun kind niet optimaal kunnen ondersteunen. Daarbij moet worden opgemerkt dat veel ouders wel "betrokken" zijn maar vaak de kennis missen om dit op een goede manier te doen. Een deel van de huidige discussie over ouderbetrokkenheid lijkt vooral over deze groep ouders te gaan of zich daarop te richten. Het belang hiervan is groot: als je deze ouders méér of effectiever kunt betrekken bij de opleiding van hun kind, maken die kinderen meer kans in het onderwijs en daarmee in de (toekomstige) samenleving. De meeste ouders (uit deze groepen) zijn van goede wil, maar weten niet hoe. Ze missen ofwel kennis van de Nederlandse cultuur, de Nederlandse taal ofwel de kennis en het taalgebruik die bij het schoolmilieu aansluit. Het is tegenwoordig `not done’ om al te specifiek in termen van sociale klasse te spreken. Daarom wordt er gestreefd naar `ouderbetrokkenheid’, zonder te vermelden om welke ouders het gaat (lager opgeleiden en/of allochtone ouders) en zonder het probleem te benoemen (de kloof tussen het school en het thuismilieu).

Wanneer het om het mbo gaat, wordt de term `ouderbetrokkenheid’ danig opgerekt. Het gaat immers om (ouders van) jongeren van 16 jaar en ouder. Dit is een nieuwe ontwikkeling in de geschiedenis van onderwijs en opvoeding.  Sinds 1950 gaan jongeren steeds langer naar school en halen ze steeds massaler hogere diploma’s.[4] Dat heeft enorme gevolgen gehad voor zowel het onderwijs als de jeugdperiode. Voor de jeugdperiode betekende dit dat jongeren steeds langer, onder leeftijdgenoten, een aparte plaats in de samenleving innemen. Ze hebben nog geen eigen inkomen en zijn afhankelijk van hun ouders. Ze bereiden zich voor in het onderwijs, op hun toekomst. Voor het onderwijs betekende dit, dat problemen met de arbeidersjeugd zich verplaatst heeft van de straat en de fabriek naar de school.[5] Deze ontwikkelingen zien we terug in het pleidooi voor ouderbetrokkenheid in het mbo. Enerzijds blijkt het dus heel belangrijk om deze ouders te betrekken, zodanig zelfs dat Minister van Bijsterveldt zich daar specifiek mee bezighoudt, vooral vanuit de vraag hoe dit moet als jongeren vanaf hun 18e niet meer leerplichtig zijn. Echter: het behalen van een startkwalificatie (havo, vwo of mbo 2 diploma) is verplicht voor jongeren tot 23 jaar. Om dat felbegeerde diploma voor deze moeilijke groep jongeren te bereiken, is de betrokkenheid van ouders èn de school bij de jongere essentieel.

Ook ouders hebben dus te maken met deze nieuwe jeugdperiode, en ook middelbaar- en hoger opgeleide ouders hebben soms moeite om hun opgroeiende kinderen optimaal te ondersteunen. Ouderschap stelt vaak tegenstrijdige eisen. Kinderen moeten `gelukkig zijn’ en `lekker in hun vel’ zitten, maar dat schooldiploma moet natuurlijk wel gehaald worden. De autoritaire opvoeding heeft afgedaan. Ouders die teveel dwingen worden al gauw `tijgerouders’ genoemd, ouders die te voorzichtig zijn `hyperouders’, of hun kind lijdt aan het `verwende kind syndroom’. Je doet het niet gauw goed. Zéker in de puberteit krijgen ouders te maken met een geduchte concurrentie van de vriendengroep van hun kinderen (wier normen en gedrag het doel van het schooldiploma eerder tegenwerken dan ondersteunen) en van de consumptiecultuur en digitale media (idem). Richtlijnen voor ouders ontbreken, verwijten zijn er te over. Geen wonder dat het recente boek van Marina van der Wal en Jan Dijkgraaf: Het enige echte eerlijke puberopvoedboek, binnen twee maanden na verschijning (2012) al zijn derde druk beleeft.

Maar ouderbetrokkenheid kan niet zonder schoolbetrokkenheid. Dit is ook deel van het betoog van Micha de Winter. In een (ideale) positieve pedagogische omgeving, werken school en ouders optimaal samen. Dat geldt voor peuterspeelzaal of kinderdagverblijf, basisschool, voortgezet onderwijs tot en met het vervolgonderwijs. Waar school en thuismilieu goed op elkaar aansluiten en samenwerken, heeft dat gunstige gevolgen voor het welzijn en de schoolprestaties van het kind of de jongere. Het is niet moeilijk om te zien dat dat vooral gaat lukken als het culturele milieu van de ouders goed aansluit bij dat van de school. Maar dit geldt net zo goed andersom: ook de opstelling en de inzet van de school is belangrijk. Het gezag van de school is niet meer vanzelfsprekend. Met de democratisering en emancipatie zijn ouders niet langer – zoals vroeger- bereid om met ontzag naar school te luisteren. Niet alleen zijn ouders tegenwoordig vaak goed opgeleid, ook is de hiërarchische structuur uit de samenleving grotendeels verdwenen en heeft de `schoolmeester’ aan gezag verloren. Ouders zijn gesprekspartners geworden, en sommige scholen kunnen daar maar moeilijk aan wennen.

In de nieuwe, moeizame overlegcultuur tussen scholen en ouders zijn het niet alleen de ouders die het wel eens af laten weten. Want lang niet altijd nemen scholen verantwoordelijkheid voor problemen van kinderen binnen de school. Zoals bijvoorbeeld bij pesten. In het ideale geval wordt pesten meteen aangepakt, ligt er minimaal een pestprotocol dat op de juiste manier ingezet wordt of is er een sociale vaardigheidstraining die meteen en effectief ingezet kan worden. Maar het komt nog steeds voor dat scholen en docenten liever een andere kant op kijken of de `schuld’ van de problemen bij de leerling leggen en vervolgens niets doen. Ouders moeten soms vechten voor hun kind, tégen de school. Zo kan het gebeuren dat er kinderen thuis zitten omdat er `geen school voor ze te vinden is.’ De recente discussie over ouderbetrokkenheid riep ook om die reden veel weerstand op: het recht van ouders (van kinderen met ontwikkelingsstoornissen) werd niet in de wet vastgelegd.[6] Kortom, waar ouderbetrokkenheid gepaard zou moeten gaan met schoolbetrokkenheid, is dit nog lang niet goed geregeld. Dit is belangrijk, want scholen hebben een heel andere machtspositie dan ouders. Niet altijd is een andere school eenvoudig gevonden (het kan heel moeilijk zijn je kind geplaatst te krijgen), maar ook als er kleine conflicten zijn is de machtspositie verschillend. Ouders vinden het vaak lastig om problemen bij de school aan te kaarten. Ze willen leerkracht en schoolleiding `te vriend’ houden en zijn bang dat eventuele conflicten gevolgen zullen hebben voor hun kind.

Conclusie: ouderbetrokkenheid is vooral het antwoord op problemen van veranderingen in de samenleving. Die problemen zijn grotendeels op het bord van de scholen komen te liggen, die op hun beurt óók niet meer dezelfde maatschappelijke positie hebben als voorheen. Samenwerking met de ouders is daarom essentieel geworden, maar samenwerking kan alleen op basis van wederkerigheid en wettelijke gelijkheid. De rechtspositie van ouders zal dus beter geregeld moeten worden en wederzijdse rechten en plichten zouden voor alle partijen duidelijk moeten worden afgesproken. In dit licht is een contract nog niet eens zo’n gek idee. Maar dan geen oudercontract, maar een samenwerkingscontract. Daarnaast is inzicht belangrijk: in de verschillen tussen thuismilieu en schoolmilieu, in de specifieke problematiek van verschillende scholen en verschillende ouders. Niet om te labelen of te stigmatiseren, maar om optimaal te kunnen streven naar samenwerking tussen ouders en scholen. In het belang van het kind en daarmee in het belang van de samenleving.


[1] Bron: Volkskrant 23 mei 2012, verwijst naar onderzoek van Ecorys
[2] Bijvoorbeeld: J. Dronkers en P.M. de Graaf: Ouders en het onderwijs van hun kinderen. In: Dronkers, J. en P.M. de Graaf. Ouders en het onderwijs van hun kinderen. In: J. Dronkers en W. Ultee (red.): Verschuivende ongelijkheid in Nederland: sociale gelaagdheid en mobiliteit. Assen: Van Gorcum, 1995 (46-66). http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=76866
[3] Zie bijvoorbeeld het promotieonderzoek van NWO-onderzoeker Lotte Henrichs: http://www.nwo.nl/nwohome.nsf/pages/NWOP_84PGTV
[4] Te verwachten is dat deze trend zal afremmen, zeker nu de studieduur beperkt is en studeren en overstappen steeds duurder wordt.
[5] Dit is een wel heel korte samenvatting van een lang en ingewikkeld verhaal. Zie ook mijn lezing op  http://miekevanstigt.blogspot.com/2012/04/langer-of-korter-naar-school.html; Christien Brinkgreve: Vroeg Mondig, Laat Volwassen (2004) en: P. de Rooy: Vetkuifje waarheen? Jongeren in Nederland in de jaren vijftig en zestig. (1986)

woensdag 9 mei 2012

Het "patatverbod" en de grenzen van de eigen verantwoordelijkheid


“Patatverbod is idioot en betuttelend”, zo moppert Aleid Truijens in De Volkskrant van woensdag 9 mei. Dit naar aanleiding van bericht over een Amsterdamse wethouder die de patatkar naast het schoolplein wil weren. Tieners hebben volgens haar altijd al veel zin in patat en andere vette snacks, weerstand daartegen bieden is de taak van de ouders. Wat we in onze mond stoppen, daar gaat de overheid niet over, aldus Truijens.

Inderdaad, daar gaat de overheid niet over. De industrie van ongezond gemaksvoer heeft een reclamebudget dat 2000 keer zo hoog is (!) als die van de (overheids-) voorlichting voor gezonde voeding. We worden niet zozeer betutteld door de overheid, als wel geïndoctrineerd en verslaafd gemaakt door de gemaksvoedselindustrie. Ratten doen in laboratoria bijna even veel voor ongezond eten als voor cocaïne, en vrijwel alle voedingsmiddelen bevatten tegenwoordig suiker of glucosestroop, zelfs ham of filet américain. Kijk eens rond in de supermarkt en probeer een gezonde keuze te maken. Hele schappen vol chips, rijen frisdrank en andere schappen vol koeken en ander snoep. Het heeft allemaal niets met gezond eten te maken. Om nog te zwijgen van de producten die adverteren met “van nature vetarm” (ontbijtkoek, bevat 35% suikers) of “met fruitvulling” (Liga Fruitkick, presenteert zich met hulp van het schaatsteam als gezond, maar die fruitvulling bevat vooral suikerstroop en 6,7% fruit. Ja je leest het goed.) In supermarkten liggen de groente en het fruit vooraan in de winkel. Niet omdat dat makkelijk is (ze worden geplet door je andere aankopen) maar omdat uit onderzoek bekend is dat je weerstand tegen verleidingen in het begin van de winkel veel hoger is dan na een paar minuten winkelen. De verleidingen liggen dus verderop, en daar is over nagedacht. Loop eens over een winkelcentrum met knagende trek: waar vind je een gezond broodje? Eerder kans dat je bezwijkt voor patat, hema-worst, kaaspizza of andere ongezonde “keuzes”. Wat tref je aan in de sportkantine? Patat en kroketten, frisdrank, zakjes chips. In het zwembad? Idem dito.

Is het weerstand bieden daaraan de taak van de ouders? Jazeker, maar hun macht is beperkt. Als je zoon of dochter naar school gaat en het aanbod in de kantine is ongezond en de superslanke klasgenootjes werken dagelijks roze koeken en saucijzenbroodjes naar binnen, dan kun je afspreken dat je zoon of dochter daar één keer per week aan mee mag doen. En dan maar hopen dat hij of zij sterk in haar schoenen staat. Liever nog zou je een gezonde kantine in de school zien. Geen frisdrank of vette hap, maar gezond eten. Wie zegt dat pubers geen fruit lusten? Zet maar eens een bord met vers gesneden fruit of rauwkost op tafel. Het is weg voor je met je ogen kan knipperen.

Truijens vraagt zich ook af of de Turkse pizza zoveel slechter is dan boterhammen met volvette kaas. Even een lijstje: Turkse pizza bevat 430 kcal, patat mèt bevat 570 kcal,  2 bruine boterhammen met halvarine en volvette kaas 280 kcal, over voedingswaarde en bijdragen aan je gezondheid zeggen deze calorieën niets, maar ik zou een dagelijkse portie patat of pizza toch niet gelijk willen stellen aan boterhammen met kaas. Truijens veronderstelt dat pubers evengoed wel naar de snackbar zullen gaan. Wellicht. Maar dat wil niet zeggen dat je de snackbar in of bij school moet halen.
Ze veronderstelt dat die pubers dat ongezonde eten heus thuis krijgen, van hun ouders. Ik vind niet dat je daar vanuit kunt gaan. Er zullen heus ouders zijn die hun kinderen dagelijks vette en ongezonde hap geven, maar daartegenover staan andere ouders die proberen het eetpatroon van hun kind gezond te houden. Tegen de verdrukking in. Welke ouder is erbij om zoon- of dochterlief tegen te houden als de patatkraam naast het schoolplein de verleidelijke geuren op de puber loslaat? Je kunt je kind gezond eten meegeven, maar als die kar er staat is de kans inderdaad groot dat het pakje brood in de prullenbak (of ernaast) belandt. Maar als die kar er niét zou staan, dan eet de puber gewoon zijn eigen lunchpakket. Of op de basisschool: dagelijks nemen kinderen een tussendoortje mee (en dat wordt georganiseerd door de school, in de klas), bestaande uit een pakje drinken en een verpakte koek (dat zijn er dus meestal twee of zelfs drie, bij Oreo zelfs 5, met een totale hoeveelheid van rond de 300 kcal, bijna een maaltijd dus). En minstens elke week komt daar nog een verjaardagstractatie - meestal een pakje chips (135 kcal)- bij. Jouw zoon of dochter een flesje water meegeven en een appel, is natuurlijk mogelijk. Maar als alle andere kinderen dat niet doen, is het vragen om pesterijen. De school wil er niets aan doen want dat is betuttelend. Hoezo verantwoordelijkheid van de ouders? En waar komt toch die Hollandse afkeer van betutteling vandaan? We hebben toch ook verkeersregels? We laten peuters van drie toch ook niet met hun stepje op de snelweg? We hebben toch ook wetten? Nee, die afkeer van betutteling ondersteunt de ideologie van de eigen keus en eigen verantwoordelijkheid. Wij hebben onze slanke lijn aan onszelf te danken en die vetzakken zijn dik door hun eigen schuld. Die proppen zich maar vol met donuts. Maar als mij iets de laatste tijd is opgevallen, is dat het juist de slanke tieners zijn die met zakken chips en cola op de bank zitten en niet hun dikkere leeftijdsgenootjes.

Inderdaad, achter computers zitten, weinig bewegen en een auto met chauffeur spelen een rol in het gestegen gewicht. Daar zit zéker een kans voor ouders om hun kind te stimuleren. Maar de overheid bouwt speelvelden vol èn zorgt niet voor voldoende beweging op school. Dus ouders moeten dat ook maar in de vrije tijd van hun kind regelen, naast het huiswerk, de bijbaantjes en hun eigen werkzaamheden.
Ik heb niets tegen eigen verantwoordelijkheid, niet van de puber en niet van de ouders. Maar de samenleving is aan alle kanten verziekt: zowel in het voedingsaanbod als in de omgeving. Het maken van gezonde keuzes en het bieden van weerstand tegen verleidingen is zéker mogelijk, maar wordt nu maximaal moeilijk gemaakt en vereist ook de nodige kennis, waar niet iedereen over beschikt, en een enorme hoeveelheid wilskracht en alertheid. Mensen worden, óók als ze van goede wil zijn, aan alle kanten tegengewerkt. Elk pleidooi voor een beetje steun en het inperken van de negatieve invloed van de omgeving wordt nu afgedaan als belachelijk en betuttelend. Maar een gezonde school en schoolomgeving voor mijn kind, is dat nou zo veel gevraagd? Een gezond mens in een gezonde omgeving, dáár zou ik nou wat steun voor willen vragen.