donderdag 20 september 2012

Het pubergesprek en de roep om een gezonde omgeving

 
Dit artikel verscheen eerder op www.socialevraagstukken.nl

Het is een hot topic in het nieuws. ‘Pubers willen een pubergesprek’. Het voorstel is om de serie bezoeken aan de jeugdarts van de GGD (op 6, 9 en 12-jarige leeftijd) (1)uit te breiden met een ‘pubergesprek’ op 16-jarige leeftijd, ondermeer om beter zicht te krijgen op zaken als obesitas, alcohol- en drugsgebruik en om eventueel seksuele voorlichting te kunnen geven. (2) Er is veel voor te zeggen. Het is belangrijk om zicht te houden op hoe kinderen zich ontwikkelen, uit het oogpunt van preventie, om tijdig door te kunnen verwijzen en op die manier grotere problemen te voorkomen. Eén dossier, van consultatiebureau tot schoolarts in het 16e jaar, lijkt dan ook ideaal. Ook collectief, zodat zichtbaar wordt wat er zoal speelt onder de jeugd. Te veel zorg en beleid is versnipperd en ad hoc. Om goed preventief beleid te kunnen voeren is kennis van actuele ontwikkelingen noodzakelijk, zowel individueel als collectief.

Je kunt je afvragen of pubers zitten te wachten op nog een gesprek als ze 15 of 16 zijn, maar volgens onderzoek vindt 63% van de pubers dit een goed idee en zegt 20% zelf behoefte te hebben aan zo’n gesprek. Geen wonder dus dat Éénvandaag (en in navolging daarvan vele anderen) kopte: ‘Scholieren vóór pubergesprek’. Wat pas verderop in het artikel vermeld werd, was dat 79% van de scholieren vindt dat het pubergesprek vrijblijvend moet zijn en dat 47% van hen niet denkt dat het voor-naamste doel - obesitas bestrijden -met het pubergesprek bereikt kan worden. (3)

De beste manier, volgens de ondervraagde jongeren, om obesitas tegen te gaan, is het gezonder maken van het aanbod en het duurder maken van ongezonde producten. Ze willen graag op meer plekken gezonde keuzes kunnen maken. Deze noodkreet wordt echter als een soort bijproduct van het nieuwsbericht gepresenteerd en kreeg nauwelijks aandacht. En dit is niet de enige keer. Een ander recent bericht luidt: ‘Ouders hebben een te rooskleurig beeld over eten en bewegen’. (4)De nadruk wordt gelegd op de tekortschietende ouders. Zij zijn immers verantwoordelijk voor het eetpatroon van hun kinderen? Pas verderop in het artikel wordt vermeld dat ouders vooral behoefte hebben aan een gezondere omgeving. Kinderen kunnen volgens hen te makkelijk aan ongezonde voeding komen en ouders vinden het vervelend hier geen controle over te hebben. Vooral de frisdrank- en snoepautomaten op school zijn hen een doorn in het oog.

Voor de pubergesprekken (de schoolartsen en –verpleegkundigen) is 26 miljoen euro uitgetrokken. Daarnaast luidt de opdracht dat scholen meer aandacht moeten besteden aan bewegen en het aanbod in de kantines gezonder moet worden. (5) Het is echter nog maar de vraag in hoeverre deze sub-opdrachten uitgevoerd gaan worden. Terwijl de omgeving waarin kinderen (6)opgroeien vergeven is van de verleidingen en de ongezonde producten, stuiten voorstellen om de omgeving gezonder te maken op grote weerstand. Zo ook het voorstel van een Amsterdamse wethouder, om de aanwezigheid van een patatkar pal naast het schoolplein te verbieden. (7)Volgens een Volkskrant-columniste is een dergelijk verbod ‘idioot en betuttelend’.(8) Volgens haar hebben tieners altijd al veel zin in patat en andere vette snacks, en is het aanleren van zelfbeheersing tegen die verleidingen de taak van de ouders. De overheid mag zich niet bemoeien met wat wij in onze mond stoppen.

De rol van de overheid hierin ìs echter al vrij gering. De industrie van ongezond gemaksvoer heeft een reclamebudget dat 3000 keer zo hoog is (!) als dat van de (overheids-)voorlichting voor gezonde voeding. (9) We worden niet zozeer betutteld door de overheid, als wel geïndoctrineerd en verslaafd gemaakt door de gemaksvoedselindustrie. Voedsel met een hoog vet- en suikergehalte blijkt namelijk verslavend te werken en het lijkt dan ook aannemelijk dat fastfoodproducenten en de voedingsindustrie op die verslavingsgevoeligheid inspelen (10). In vrijwel alle voedingsmiddelen zit tegenwoordig suiker of glucosestroop, zelfs ham of filet américain. De schappen van de supermarkt zijn voor het overgrote merendeel gevuld met verleidelijke, niet zo gezonde producten, zoals chips, frisdrank, koek, snoep en zoutjes. Degene die daarin nog een gezonde keuze wil maken, wordt misleid door vage gezondheidsclaims. Denk hierbij aan ontbijtkoek, waar met grote letters op staat dat het ‘van nature vetarm’ is, maar dat voor 35% uit suikers bestaat. Of aan Liga Fruitkick, waarvan de `fruitvulling’ vooral suikers en slechts 6,7% fruit bevat. (11) Loop eens over een winkelcentrum met knagende trek: waar vind je een gezond broodje? Eerder kans dat je bezwijkt voor patat, hema-worst, kaaspizza of andere ongezonde ‘keuzes’. Wat tref je aan in de sportkantine? Patat en kroketten, frisdrank, zakjes chips. In het zwembad? Idem dito.

In deze samenleving is keuzevrijheid het parool. Elke restrictie wordt ervaren als betuttelend, als een inbreuk op het zelfsturende en zelfkiezende individu. Maar in hoeverre zijn wij, en met name kinderen, wel zelfsturend en zelfkiezend? De druk van de groep is groot, zeker onder pubers. De druk van de verleiding is nog veel groter en de weerstand daartegen maar heel beperkt, en dat weten de fabrikanten van gemaksvoer en de leveranciers van de horeca maar al te goed. MacDonalds heeft steeds meer salades in de aanbieding. Daarmee werken ze aan een gezonder imago en komen ze tegelijkertijd tegemoet aan de wensen van de klanten, zie zeggen gezondere producten te willen. Zeggen, want éénmaal over de drempel, is de aanschaf toch weer ongezond. (12)

Overgewicht is vooral een omgevingsprobleem. De omgeving is verziekt, en de genetische aanleg en de sociale klasse van het kind bepalen de mate waarin die omgeving invloed heeft en leidt tot overgewicht. De hoogopgeleide opiniemakers hebben waarschijnlijk zowel geërfde slanke genen als een sociale omgeving die hen steunt. Zij wijzen op de verantwoordelijkheid van de ouders, maar welke ouder is erbij om zoon- of dochterlief tegen te houden als de patatkraam naast het schoolplein de verleidelijke geuren op de puber loslaat? Je kunt je kind gezond eten meegeven, maar als de kantine naar kroketten of kaassoufflés geurt, is de kans groot dat de meegebrachte boterhammen in (of naast) de prullenbak belanden. Juist de jongeren die al iets te zwaar zijn en proberen de verleidingen te weerstaan en gezonde keuzes te maken, hebben het moeilijk. Hun slanke leeftijdgenootjes kunnen zonder problemen naar de snackbar, of kopen elke pauze roze koeken of chips. Dat sommige jongeren nog niet dik zijn, komt namelijk vooral door hun gunstige genen en meestal niet door hun verstandiger eetgedrag.

Zowel ouders als pubers vragen daarom om een gezondere omgeving. Een omgeving die niet voortdurend verleidt, een omgeving waarin je gezonde keuzes kunt maken en die niet voortdurend een beroep doet op zelfbeheersing. Een gezonde kantine zou de gezondheid en conditie van àlle jongeren ten goede komen. Geen frisdrank of vette hap, maar een gezond aanbod. Wie zegt dat pubers geen fruit lusten? Zet maar eens een bord met vers gesneden fruit of rauwkost op tafel. Het is weg voor je met je ogen kunt knipperen. Het is maar hoe je het aanbiedt. Maar de schoolkantines van tegenwoordig moeten ook winst maken en concurreren met de patatkraam op de hoek en de supermarkt verderop. Dus passen zij hun aanbod aan en bieden ze vette en zoete hap. Samenwerken met de supermarkten lijkt een optie, maar vergeet niet dat het belang van de supermarkten en horeca bovenal economisch is. In Australië mag er in de buurt van scholen geen fast-food verkocht worden. (13) In Nederland probeert men via educatieve programma’s (14) de scholen, jongeren en supermarkten te laten samenwerken, opdat jongeren gezondere keuzes maken. Maar uiteindelijk draait het daarbij om de jongeren en hun keuzes, niet om de omgeving. Het argument daarbij lijkt zinnig: als volwassenen zullen ze immers óók zelfstandig gezonde keuzes moeten maken. Maar uit de groei van obesitas onder de bevolking blijkt wel dat dat nog niet zo eenvoudig is. Bovendien ontbreekt het gezonde aanbod vaak helemaal, omdat het niet opkan tegen de verlokkingen van vet of zoet, of omdat er weinig winst op te maken valt.

Laat die 26 miljoen in zijn geheel gaan naar de terugkeer van de diëtiste in het verzekeringspakket en de mogelijkheid van individuele begeleiding voor diegenen die dat nodig hebben. Maar vooral naar het weren van ongezond voedsel en frisdrank uit de directe omgeving van het kind en de puber. Dáár valt in de preventie en bestrijding van obesitas en overgewicht de meeste winst te behalen. Op dit moment echter, lijkt het erop dat de economische winst zwaarder weegt dan de gezondheidswinst. Ik vrees dan ook dat het pubergesprek er uiteindelijk wel en de gezonde omgeving er niet zal komen. Omdat het uiteindelijk toch makkelijker is overgewicht tot een individueel beheersingsprobleem te reduceren.


Noten:

(1)Als ik me goed kan herinneren en volgens mijn dochter. Opvallend is dat er op internet geen antwoord is te vinden op de volgende simpele vraag: op welke leeftijd / hoe vaak gaan kinderen naar de schoolarts?



(4)http://www.foodholland.nl/nieuws/artikel.html?id=139184, onderzoek van GfK: Growth from Knowledge, voorheen bekend als Intomart


(6)Laten we het een volgende keer over de volwassenen hebben


(8) Aleid Truijens, ‘Patatverbod is idioot en betuttelend’ Volkskrant; 09 mei 2012



(11) Zie hiervoor de campagnes van Foodwatch: http://foodwatch.nl/



(14) Zoals Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG) of De Gezonde School

zaterdag 15 september 2012

Het puberbrein

Breinonderzoek is hot. Volgens Dick Swaab “zijn”  wij “ons brein”. Tal van verschillen tussen mannen en vrouwen, tussen jongens en meisjes worden tegenwoordig verklaard vanuit breinverschillen. Dat is een heerlijk houvast in deze tijden en het lost ook veel problemen op. Mannen kunnen het  niet helpen dat ze slecht communiceren, het is hun brein. En vrouwen kunnen niet achteruit inparkeren of kaartlezen. Het is hun brein.

Dit mag dan herkenbaar en overzichtelijk lijken, het geeft ook een probleem. Vooral als je als vrouw wèl blijkt te kunnen kaartlezen, of achteruit inparkeren. Of als een man dat niet blijkt te kunnen. Toch wordt dat vaak niet opgevat als signaal dat de theorie niet klopt, maar veel meer als een individuele afwijking. Dat is op drie manieren problematisch. Ten eerste wordt een theorie in stand gehouden die gewoonweg niet klopt, ondanks alle signalen die daarop wijzen. Uit onderzoek blijkt dat er voor de meeste eigenschappen geen tweedeling te maken is tussen mannen en vrouwen, en dat er een veel grotere overlap is tussen mannen en vrouwen dan het verschil tussen die twee. (1)

Het tweede probleem is dat de theorie die zegt dat er wezenlijke breinverschillen zijn, een rol gaat spelen in de opvoeding van meisjes en jongens. Zo wordt er tegen jongensbaby’s minder gepraat dan tegen meisjesbaby’s en krijgen jongens ook veel meer ruimtelijk speelgoed dan meisjes. Als dan vervolgens uit breinonderzoek blijkt dat jongensbreinen meer ruimtelijk inzicht hebben, dan moet je je dus afvragen wat precies aangeboren is en wat precies aangeleerd. Want breinen ontwikkelen zich ook nog na de geboorte. Dit idee van neuroplasticiteit wordt door de populaire breinverwijzers consequent over het hoofd gezien. Verschillen tussen jongens en meisjesbreinen moeten daarom niet alleen biologisch verklaard worden maar hebben een belangrijke maatschappelijke component.

Het derde probleem is dus dat maatschappelijke verschillen in stand gehouden worden en goedgepraat worden vanuit de wetenschap van het brein, vanuit onze biologie. Terwijl er in feite sprake is van ongelijke behandeling en dus van ongelijke kansen. Als een meisje van jongs af aan technisch speelgoed zou krijgen en te zien en horen zou krijgen dat het voor meisjes heel vanzelfsprekend is dat ze technisch inzicht hebben, dan pas zou ze haar talent maximaal kunnen ontwikkelen. Dus denk je eens in wat een kansen we laten liggen. Datzelfde geldt voor jongens: hoe kunnen die zich tot gevoelige, zorgende vaders ontwikkelen als zij vanaf dag één te horen krijgen dat ze vooral stoér moeten zijn?

Maar nu het puberbrein. Op zich is de gedachte dat een brein nog niet helemaal ontwikkeld is, best logisch. Maar ook hier moeten we oppassen met het trekken van conclusies.  Want neem nu dit voorbeeld: de hoogleraar ontwikkelingspsychologie Eveline Crone, bekend van het boek Het puberende brein, stelde in een interview in De Volkskrant het volgende:

 “’Adolescenten reageren anders en sterker op emoties dan volwassenen.’ `Als er sociale relaties op het spel staan, zoals bij sociale uitsluiting het geval is, werkt hun prefrontale cortex veel harder.'" Crone verklaart dit vanuit de ‘puberhormonen’, de verhoogde hoeveelheid geslachtshormonen die vanaf het begin van de puberteit worden aangemaakt.” (2)

Gezien de introductie van deze column vraag ik me af in hoeverre dit niet ook, in ieder geval voor een deel, een verklaring achteraf is. Want er zijn voor de pubers van nu zeer dwingende sociale omstandigheden, die hun leven bepalen. Waarom dan de oorsprong voor hun gedrag alleen in hun biologie gezocht? 

Anders dan in agrarische of nomadische samenlevingen, sturen wij – met name vanaf de jaren `50 van de vorige eeuw – jongeren steeds langer naar school. We hebben een samenleving waarin kinderen op school en in hun vrije tijd, vooral onder leeftijdgenoten verkeren. Op de sportclub en muziekles, met vriendjes en vooral op school hebben ze met elkaar te maken – en nauwelijks met volwassenen of met verticale leeftijdsgroepen.  Dit maakt dat sociale uitsluiting een groot risico is en dat het goed omgaan met leeftijdgenoten inderdaad van levensbelang is. Dit zal een enorme invloed hebben op hun gevoelens en prioriteiten en het lijkt me aannemelijk dat het zelfs terug te vinden zal zijn in hun brein. Maar dat wil nog niet zeggen dat hormonen daarvan de oorzaak zijn, wellicht zelfs eerder een gevolg ervan. Denk aan die neuroplasticiteit: het opgroeien heeft invloed op de breinontwikkeling.

Om dit te onderzoeken zou men moeten nagaan of deze puberhormonen op dezelfde manier werken en in dezelfde mate terug te vinden zijn bij jongeren die deze sociale achtergrond van dagelijkse omgang met leeftijdgenoten niét hebben. Bijvoorbeeld bij jongeren die van kind af aan thuisonderwijs hebben gehad, of jongeren in andere culturen, waarin zij met mensen van alle leeftijden omgaan of waarin jongeren al vroeg “volwassen” zijn. Voor zover ik weet is dit echter nooit onderzocht. Dus voorlopig houd ik een slag om de arm bij verklaringen vanuit hersenonderzoek of puberhormonen, zéker als die voorbijgaan aan de sterke invloed van de maatschappelijke realiteit.

Voetnoten:
(1)   Lees bijvoorbeeld: Asha ten Broeke: Het idee M/V, of Cordelia Fine: waarom wij allemaal van Mars komen.

(2)  Eveline Crone in De Volkskrant, 15 september 2012
(

Oorspronkelijke versie september 2012, bijgewerkt september 2014 voor radiocolumn op RTV Rijnmond  Copyright Mieke van Stigt


donderdag 6 september 2012

Lekker gruwelen over onbeheerste mensen


-deze column verscheen eerder op www.socialevraagstukken.nl-  


"We” worden steeds dikker, zo luiden recentelijk de zorgelijke krantenkoppen en tweets. Op televisie strijden realityprogramma’s over afvallen (1) met discussieprogramma’s (2) om de aandacht, maar ook de politiek maakt zich zorgen. Zo wil de minister via het “pubergesprek” een gezond voedingspatroon promoten, terwijl in Amsterdam inmiddels drie (veel) te zware kinderen uit een gezin onder toezicht zijn geplaatst.(3) Op het eerste gezicht lijkt al deze ophef gegrond. Inmiddels kampt de helft van de Nederlanders (60% van de mannen en 44% van de vrouwen) met overgewicht, heeft 13-14% van hen obesitas (4) en worden de medische kosten en risico’s geschat op 1,2 miljard euro per jaar aan directe (ziekte)kosten en 2 miljard aan indirecte kosten als verlies van arbeidsproductiviteit. (5)

Toch kunnen de heftige emoties rondom overgewicht en obesitas niet helemaal verklaard worden vanuit de zorgen om de gezondheid en de maatschappelijke kosten ervan. Immers, alcoholmisbruik kost de Nederlandse samenleving zo’n 3,7 miljard euro per jaar (6) en roken kost 2,5 miljard euro per jaar. (7) En hoe heftig de discussies over alcohol en sigaretten de laatste tijd ook zijn, beelden van rokende of drinkende mensen roepen minder heftige gevoelens op. Daarnaast kosten sportblessures (en sporten wordt geacht gezond te zijn) de samenleving 1,4 miljard euro per jaar.(8) Over kosten gesproken.


De kosten op zich verklaren niet waarom overgewicht zulke heftige gevoelens oproept, ja, er zelfs van dikke mensen zo gewalgd wordt. Steevast worden artikelen over obesitas vergezeld door foto’s van extreme vetrollen, meestal bij volwassenen of kinderen zonder hoofd (9), met in hun handen of daarnaast afbeeldingen van patat en/of hamburgers. De hoofdloze foto’s dragen door hun anonimiteit bij aan de stigmatisering en de walging. (10) Maar wie worden er precies gestigmatiseerd?


Overgewicht en obesitas komen veel vaker voor onder lager opgeleiden. Van deze groep heeft 54% overgewicht, tegen 33% van de hoogopgeleiden. Ernstig overgewicht heeft 18,4% van de laagopgeleiden, tegen 6,5% van de hoogopgeleiden.(11) De “zorg” en walging over overgewicht en dikke mensen zijn dan ook een verkapte en veilige (want vanuit bezorgdheid gelegitimeerde) manier om je af te zetten tegen de lagere sociale klassen en hun (al dan niet vermeende) onmatige gedrag. Juist in deze zogenaamde egalitaire tijd is het taboe om al te opzichtig te spreken in termen van hogere of lagere klasse. Maar wie er oog voor heeft ziet talloze opzichtige en minder opzichtige uitingen van deze vorm van distinctiedrang. De afbeeldingen van patat en hamburgers bijvoorbeeld, worden vooral geassocieerd met de eetcultuur van “het volk”.(12) Ook de subtiele opmerkingen in de categorie“ik moet nodig twee kilo afvallen” zijn vooral bedoeld om het gemeenschappelijke doel en ideaal van zijn of haar statusgroep te bevestigen. Iemand die twee kilo zegt te moeten afvallen is beslist niet te dik en geeft vooral aan dik zijn en onmatigheid af te keuren. Onder de hogeropgeleiden of hogere klassen wordt alom gegruweld van vet of veel eten, ja is het juist bon ton om weinig te eten, zie in de betere restaurants de bordjes met de piepkleine stukjes vis of vlees, gegarneerd met wat remsporen (13) van de één of andere verfijnde smaak. Zet dit af tegen de enorme porties bij de fastfoodzaken en het verschil is duidelijk.

Het is erg kortzichtig om de samenhang tussen overgewicht en sociale klasse aan onmatigheid en een gebrek aan zelfbeheersing te wijten. De geschiedenis en biologie geven meer inzicht. Als je kijkt naar foto’s van oudere volksvrouwen rond de vorige eeuwwisseling, zie je schommelende moekes. Hun gewicht was niet het gevolg van een onbeperkt voedselaanbod, maar van hun genetische aanleg (“grofgebouwd”)èn een voedingspatroon dat bij de lagere sociale klasse hoort. Waar boeren en arbeiders voornamelijk veel koolhydraten (aardappelen) aten en zware lichamelijke arbeid verrichtten – de mannen evengoed als de vrouwen- had de hogere klasse meer geld voor eiwitten (vlees) en hield zij er een ander, gematigder eetpatroon op na, in combinatie met lichte arbeid en sportieve ontspanning in de buitenlucht. Zowel de klassenverschillen in eetcultuur als het beweegpatroon van de hogeropgeleiden (sporten) zien we vandaag de dag nog terug. De zware lichamelijke arbeid voor de lagere klassen is echter grotendeels verdwenen – met de zichtbare gevolgen.

Zowel genetische aanleg als eetcultuur houden verband met sociale klasse. De eetcultuur van je omgeving heeft een sterke invloed op je eigen voedingspatroon, eten is immers een sociaal bindmiddel. Maar ook de afkeer van teveel eten en van dikke mensen is in bepaalde kringen een bindende factor. En terwijl de kennis van een gezond eet- en beweegpatroon (en de benodigde financiële middelen!) de hoger opgeleide van hogere sociale afkomst ondersteunt in het slank blijven (die vermoedelijk ook genetisch gunstig is aangelegd –bijvoorbeeld door een hugenoot in de voorvaderen) staat de dikkerd van boerenafkomst er in de gewone Nederlandse volkscultuur alleen voor. De omgeving eet gewoon door, je bent “ongezellig” als je niet meedoet, het aanbod van ongezond voedsel is alomtegenwoordig (14) en Opa en Oma blijven het kleinkind volstoppen met lekkers – een traditionele volkse manier van verwennen en troosten.

Het moge duidelijk zijn dat gezond en matig eten voor iemand uit de volksklasse door zowel de genetische aanleg als het gebrek aan steun, kennis en gerichte eetgewoonten in de sociale omgeving, een veel grotere zelfbeheersing vraagt. Overigens zónder de beloning van een betere sociale positie- die voor veel slanke hoogopgeleiden zo vanzelfsprekend is. Toch worden dikke mensen steevast als onbeheerst neergezet. Daarmee blijven de rol van de voedingsindustrie, de reclame en de samenleving zelf buiten beeld. Voor de slankere hoogopgeleiden is dit wel zo prettig. Zij mogen gruwelen van de mateloze dikkerds terwijl hun eigen positie èn hun slanke lichaam hun eigen verdienste lijken te zijn.(15)

Al aan het begin van de vorige eeuw en dus lang voor de obesitasdiscussie was gematigdheid als vorm van sociale onderscheiding bij de hogere klasse terug te vinden. Zo beschrijft Ileen Montijn: “zelfbeheersing te allen tijde is een morele plicht – maar ook een kwestie van standsbesef.”(16) Bij Elias en Bourdieu vinden we sociologische theorieën die lichaamsbeheersing als vorm van distinctiedrang kunnen helpen duiden. De keerzijde van deze distinctiedrang is wel dat dikke mensen worden geassocieerd met dom en van lage(re) sociale status, hetgeen tegenwoordig niet meer openlijk geschiedt maar verkapt en vooral geïndividualiseerd, los van geschiedenis, cultuur en sociale klasse. Alles is immers vrije keus en eigen verantwoordelijkheid? Bij overgewicht en obesitas schiet het individu moreel en sociaal tekort. Die stigmatisering is enorm – onrechtvaardig.(17)

Het wordt tijd dat er echt gekeken wordt naar sociale en biologische achtergronden van overgewicht. Niet alleen vanwege de verhoogde kans op een werkelijk effectieve aanpak, maar vooral uit het oogpunt van sociale en morele rechtvaardigheid. Maar aangezien ik niet verwacht dat dit snel zal gebeuren, zou ik willen zeggen: ga lekker door met gruwelen en walgen over dikke mensen, daar blijf je slank bij.

 

Noten:

(1) I used to be fat, Too fat for 15, Help mijn kind is te dik, etc.
(2) Debatop2, Hollandse Zaken, etc.
(5) http://www.volkskrant.nl/vk/nl/2672/Wetenschap-Gezondheid/article/detail/1044418/2010/11/02/Overgewicht-kost-3-miljard-per-jaar.dhtml
(6) http://www.alcoholinfo.nl/index.cfm?act=esite.tonen&pagina=323
(7) http://www.ad.nl/ad/nl/1012/Nederland/article/detail/1939795/2010/09/30/Drinkers-kosten-maatschappij-meer-dan-rokers.dhtmldit onderzoek zegt overigens dat de kosten van alcoholmisbruik 2,6 miljard zijn en niet 3,7, zoals in de vorige noot.
(8) http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ziekten-en-aandoeningen/letsels-en-vergiftigingen/sportblessures/sportblessures-samengevat/
(9) Zie hiervoor ook de ijzersterke column van Asha ten Broeke in Trouw: http://www.trouw.nl/tr/nl/8367/Asha-ten-Broeke/article/detail/3303617/2012/08/20/Geef-mollige-medemensen-hun-gezicht-terug.dhtml
(10) http://www.huffingtonpost.co.uk/sue-thomason/obesity-rates-cause-hat-s_b_1405283.html
(11) http://www.nationaalkompas.nl/gezondheidsdeterminanten/persoonsgebonden/lichaamsgewicht/verschillen-sociaaleconomisch/
(12) Voor een prachtig standaardwerk over eetcultuur en sociale klasse verwijs ik graag naar Stephen Mennell: Smaken verschillen 1989.
(13) Briljante aanduiding van dergelijke culinaire hoogstandjes door Ilja Gort in Slurp (2009).
(14) Lees daarvoor mijn blog http://miekevanstigt.blogspot.nl/2012_01_01_archive.html
(15) Zie bijvoorbeeld Dieter Vandebroeck in zijn abstract Distinctions in the Flesh. Obesity, weight and the class body: “By durably inscribing themselves in the bodies of social agents, class tastes become (mis)perceived as indicators of innate moral fiber, distinguishing those who have a “natural”capacity for restraint and self-control from those who apparently lack the will power and self-discipline to harness their primary needs.” http://www.soc.aau.dk/forskning/scud/network-seminars/papers-manchester/
(16) Ileen Montijn: Leven op stand, 2008, p. 183.
(17) http://www.afvallen-weblog.nl/discriminatie-op-basis-van-gewicht-komt-vaker-voor-dan-racisme/

dinsdag 10 juli 2012

Goede kinderopvang of thuisblijvende moeders? Een oude discussie


Dit artikel schreef ik in 2002 voor het tijdschrift van de kinderopvang waar ik destijds als invalkracht werkte. Dat was ruimschoots vóór Robert M., maar de inhoud van dit artikel lijkt me nog altijd actueel. Vandaar dus een blog uit de oude doos…

In de afgelopen weken is er in de media een ware paniek ontstaan over crèchekinderen. Crèches zouden schadelijk zijn voor kinderen en ze zouden er gedragsproblemen door ontwikkelen. Deskundigen en ouders vallen over elkaar heen met adviezen en oordelen en het is voor de doorsnee ouder met een kind in het kinderdagverblijf, moeilijk om kalm te blijven en niet in paniek te raken.

Zelf ben ik op drie manieren bij deze discussie betrokken: allereerst als moeder: mijn dochter is vorige week vier jaar geworden, en is bijna tweeënhalf jaar lang, drie dagen per week naar het kinderdagverblijf geweest. Ten tweede als crècheleidster: sinds kort ben ik op ditzelfde kinderdagverblijf werkzaam als invalkracht. Daarnaast ben ik ook nog socioloog en pedagoog, en probeer ik deze discussie vanuit een meer afstandelijk wetenschappelijk standpunt te begrijpen. Allerlei invalshoeken van dit onderwerp zijn dus in mijn persoon aanwezig, en dat is behoorlijk verwarrend. Enerzijds vraag ik mij af of ik mij echt zorgen moet maken, anderzijds denk ik dat de –negatieve- toon waarop deze discussie zich afspeelt, en de schuldgevoelens waarmee moeders van crèchekinderen te kampen hebben, alles te maken heeft met onze (Nederlandse) samenleving.

In het eerste deel van dit artikel wil ik het thema van schadelijkheid van de crèche onder­zoeken: is de crèche nadelig voor kinderen en is er reden tot paniek? In het tweede deel van dit artikel wil ik bezien hoe de manier waarop de discussie zich afspeelt te maken heeft met onze samenleving en de positie van de werkende moeder daarin. De conclusies waarmee ik elk deel besluit, zijn de mijne, het staat een ieder vrij andere conclusies te trekken.

Deel I: Zijn crèches schadelijk voor jonge kinderen?


a. De kern van het probleem

In haar afscheidsrede als Professor Ontwikkelingspsychologie stelde M. Riksen-Walraven, dat een te lang verblijf in slechte crèche is slecht voor ontwikkeling van het jonge kind. Zij baseert deze uitspraak op een gerenommeerd Amerikaans onderzoek waaruit bleek dat kinderen die lange tijd in een crèche hadden verbleven vaker gedragsproblemen vertoonden. Dit heeft te maken met de ontwikkeling van de hersenen, waarbij positieve ervaringen in contact met de ouders (Riksen noemt vooral de moeder)  van essentieel belang zijn voor de groei en de structuur van de hersenen en daarmee voor de sociaal-emotionele ontwikkeling. Kinderen die langer dan dertig uur per week in een crèche verbleven vertoonden vaker agressief gedrag, en vanaf twintig uur per week was er al verschil merkbaar. Overigens is Riksen niet tegen  kinder­opvang, maar noemt zij het een “risicofactor” en pleit zij voor betere verlofregelingen voor ouders van jonge kinderen.

b. Het belang van het kind

Vóór alles is het van belang om het nut van dergelijke uitspraken te onderstrepen. Waar het de ontwikkeling van kinderen in een cruciale periode betreft kun je niet voorzichtig genoeg zijn. Het belang van optimale ontwikkelingskansen voor alle kinderen, kan niet té vaak benadrukt worden. Onderzoek hiernaar is daarom essentieel, kennis van risico’s en gevaren voor jonge kinderen kan dan meegenomen worden in de opinie- en beleidsvorming rond kinderopvang.

cZijn crèches slecht voor kinderen? Kanttekeningen bij het onderzoek

Er is in de media al veel commentaar geweest op de uitspraken van Riksen. Zo zijn er belangrijke verschillen tussen de Amerikaanse samenleving (waar het onderzoek gehouden is) en de Nederlandse. De Nederlandse overheid heeft daarom onlangs besloten dergelijk onderzoek ook hier uit te voeren. Daarnaast werken moeders in Nederland vrijwel altijd parttime, hebben ze vaak veel langer bevallingsverlof en gaan de kinderen gemiddeld 2,5 dagen naar een crèche. Riksen zegt hierover dat ze dan nog steeds gemiddeld meer dan twintig uur naar de crèche gaan, en vind dat de Amerikaanse onderzoeksresultaten wel degelijk voor Nederland van toepassing zijn. Daarnaast vind zij dat de kwaliteit van de kinderopvang achteruit gaat doordat er steeds minder tijd is voor persoonlijke aandacht door de leidsters, die elkaar steeds sneller afwisselen. Naast een uitbreiding van het bevallings­verlof pleit zij dan ook voor veel strengere kwaliteitseisen voor crèches.

Over de vermeende schadelijkheid van crèchebezoek zijn de wetenschappers het nog lang niet eens. Zo worden de Amerikaanse onderzoeksresultaten door sommige Nederlandse collega’s van Riksen heel anders geïnterpreteerd. Op grond van dezelfde cijfers concluderen zij heel andere dingen: kinderen zouden juist mondiger zijn, en gedrag dat door Riksen als problematisch wordt aangeduid wordt door die onderzoekers juist positief, hooguit wat drukker, gevonden. Zij noemen de kinderen assertief en weerbaar, in plaats van agressief. Een van deze collega’s is Hoogleraar Kinderopvang Louis Tavecchio, die ook onderzoek deed naar gedrag van crècheleidsters ten aanzien van baby’s. Hieruit blijkt dat crècheleidsters genoeg tijd moeten hebben voor contact met de kinderen, en dat een te hoge werkdruk (groepsgrootte, aantal baby’s) dit moeilijk maakt.

Riksen wijst –terecht- op de risico’s voor het kind van een slechte crèche, maar ieder wel­denkend mens kan verzinnen dat het slecht is voor kinderen om veel te lang in een slechte crèche te verblijven. Het is in alle situaties, ook thuis, slecht voor het kind om verwaarloosd te worden. Daarom zou men zich af moeten vragen welke dingen belangrijk zijn in een goede kinderopvang en hoe een crèche op de juiste manier kan inspelen op de behoeften van het kind. De vraag is dan: wat maakt een crèche een goede crèche?

d. welke positieve bijdrage kan een crèche hebben?

Het is wonderlijk dat met één onderzoek waaruit een negatieve invloed van crèches zou kunnen blijken, meteen de conclusie wordt getrokken dat “crèches schadelijk voor het kind” zijn, zoals een krantenkop luidde. Natuurlijk, kranten bestaan bij de gratie van koppen die de aandacht trekken. Niettemin is op deze manier de tendens gezet, daarom is wat tegengas op zijn plaats. De crèche kan op veel manieren positief bijdragen aan de ontwikkeling van het kind, ook bij jonge kinderen.

Alle theorieën gaan uit van een veilige hechting met de ouders als basis voor de ontwikkeling van het kind en elke ouder zal zich daarvoor willen inzetten. Maar wat als dat om wat voor reden dan ook niet altijd optimaal lukt? Ouders kunnen zelf in de problemen raken en op dat moment niet optimaal in staat zijn hun kind alle veiligheid en aandacht te geven. In dat geval kan een goede crèche juist bijdragen aan stabiliteit en veiligheid voor het kind. Op veel crèches, ook op ’t Drempeltje, komen er dan ook kinderen met een “medische of sociale indicatie”. 
Jonge kinderen zijn kwetsbaar in hun ontwikkeling, dat is duidelijk. Een goede crèche kan ouders ondersteunen, net zoals goede ouders de eventuele negatieve werking van een crèche kunnen ondervangen. Pas wanneer beiden het laten afweten, wordt het kind echt de dupe. Een van de factoren die genoemd werden in het onderzoek is het langdurig laten huilen van een kind. Jonge kinderen zijn, aldus Riksen, niet in staat om stress te stoppen, dat moet een volwassene voor hun doen. Het is slecht voor kinderen om ze stelselmatig lang te laten huilen. Dit wordt door andere pedagogen onderschreven. Een veilige hechting is de basis voor een gezonde ontwikkeling van het kind. Deze hechting heeft niet alleen betrekking op de ouders, volgens de pedagoog M.J. IJzendoorn is het “noodzakelijk voor een kind om een netwerk van meerdere gehechtsheidsfiguren te vormen”[i] De intensiteit van het contact is daarbij belangrijker dan de frequentie ervan. IJzendoorn ziet hiervoor zeker een rol weggelegd in de kinderopvang. Voorwaarde is wel dat er continuïteit in de verzorging is en dat er een positieve interactie plaatsvindt.

Andere dingen die Riksen noemt als bijdragend aan een gezonde hersenontwikkeling zijn oogcontact, lachen, elkaar nadoen. Riksen ziet hierbij de hoofdrol voor de moeder weggelegd, maar er is geen onderbouwing dat dat alleen met de moeder zou kunnen. In een goed contact met crècheleidsters en anderen moet dat dus ook kunnen. Goede crècheleidsters zijn daarvoor opgeleid èn capabel: zij letten erop of kinderen genoeg respons krijgen, genoeg uitdaging en aandacht. Zij laten kinderen niet eindeloos huilen of in een hoekje zitten. Bovendien zijn er argumenten in het voordeel van de crèche: kinderen, ook de baby’s, krijgen respons van elkaar. Zij vinden juist veel plezier en uitdaging in elkaars gezelschap, in positieve banen geleid door de enthousiaste leidsters.

e. Mijn eigen invalshoeken:

Als moeder raakte ook ik in paniek van dergelijke berichten: heb ik er goed aangedaan mijn kind naar de crèche te laten gaan? Ik denk van wel: mijn dochter heeft er vele positieve ervaringen opgedaan die ik haar niet had kunnen bieden, dat de balans positief is. Ik denk dat je dat als ouders steeds in de gaten moet houden: gaat het goed met je kind? Hoe is de relatie tot de leidsters? Als ik het gevoel had dat er iets niet goed ging met mijn kind, dan sprak ik daarover met de leidsters: wat vonden zij ervan? Wat kunnen we samen doen?

Als leidster let ik erop dat baby’s betrokken zijn bij de gang van zaken in de groep. Je kunt ze niet altijd vasthouden, maar wel aandacht geven, uitdagingen en nieuw speelgoed. Juist omdat de kinderen nog jong zijn, is bevrediging van hun primaire behoeften essentieel. Op die manier bied je hen veiligheid. De communicatie is primair: hoe uit een kind zich? Hoe kun je als leidster het kind daarin beantwoorden? Zo bouw je al met een heel jong kind aan een veilige hechting.

Als invalkracht houd ik er rekening mee dat kinderen er moeite mee kunnen hebben dat de vaste leidster afwezig is. Maar ik zie ook dat zij kunnen genieten van mij als invalkracht, dat ook jonge kinderen mij ook na enkele weken nog, herkennen. Ik denk dat je als invalkracht nog méér dan als vaste leidster het belang van een veilige hechting in het oog moet houden. Het kind kent je vaak niet goed, maar je kunt wel veiligheid communiceren.

Conclusie 1: Er is geen reden tot paniek, wel tot voorzichtigheid!


Een langdurig verblijf in een slechte crèche kan schadelijk zijn voor de ontwikkeling van het kind. Er is echter weinig reden aan te nemen dat jonge kinderen in Nederland langdurig in slechte crèches verblijven. Daarnaast kunnen crèches ook een belangrijke positieve bijdrage bieden aan de ontwikkeling van het kind. Uiteraard is de kwaliteit van kinderopvang voor alle kinderen belangrijk, en ouders en leidsters moeten zich méér bewust zijn van een eventueel verhoogd risico naarmate een baby meer tijd in een crèche doorbrengt. Factoren waar ouders op kunnen letten is of het kind een goede band heeft met een vaste leidster, of de leidster voldoende aandacht en respons voor het kind heeft. Een veilige hechting met de ouders zelf is bovendien essentieel. Leidsters kunnen erop letten dat het kind zich gehoord weet als het zich niet prettig voelt, en voldoende aandacht krijgt. Door aandacht te hebben voor de primaire communicatie met het kind kunnen zij werken aan een veilige hechting en daarmee aan een gezonde ontwikkeling.

Deel II. Paniek om crèches is paniek om werkende moeders.


a. nogmaals mijn eigen invalshoeken

Als moeder raakte ook ik in paniek van de alarmerende krantenkoppen en vroeg ik mij af of ik er wel goed aan heb gedaan mijn kind naar de crèche te laten gaan. Ook ik werd, en word als werkende moeder nog steeds, geplaagd door schuldgevoelens. Die schuldgevoelens zitten in mijzelf, maar hebben ook alles te maken met de samenleving waarin ik ben opgegroeid en waardoor ik ben gevormd. Als socioloog vind ik het dan ook hoog tijd om dit aspect van het probleem te verkennen.

In de artikelen wordt steeds gewezen naar moeders en de `keus’ die zij maken om te werken. Kort samengevat is in de diverse artikelen steeds te lezen dat zij niet voor de luxe moeten werken maar thuis moeten blijven voor het kind. Alleen zij zou kunnen zorgen dat het kind niets tekort komt. Dezelfde keus van vaders staat vrijwel niet ter discussie, en alom wordt ingespeeld op het schuldgevoel van moeders.

Niet alleen de verwijzingen naar het schuldgevoel van moeders (als zij daar niet al onder leden wordt het dan nu toch echt hoog tijd)  zijn gebaseerd op diepgewortelde morele overtuigingen van onze cultuur, ook de conclusies in de artikelen neigen eerder tot afschaffing van kinderopvang dan tot verbetering ervan, wat toch meer voor de hand zou liggen. De werkende moeder in Nederland wordt blijkbaar nog niet vanzelfsprekend geaccepteerd.

b. de werkende moeder als relatief nieuw verschijnsel in Nederland

In tegenstelling in tot onze buurlanden is het fenomeen van de werkende moeder in Nederland relatief nieuw. Nederland kent een lange traditie van thuismoeders en heel lang is de politiek daarop gericht geweest, waarbij het salaris van de vader gold als gezinsinkomen. De laatste jaren wordt arbeidsparticipatie van vrouwen juist toegejuicht, niet alleen als logisch gevolg van emanci­patie en onderwijs, maar ook voor de arbeidsmarkt. Vrouwen moeten weer financieel onafhankelijk zijn. Nog kort geleden stelde het kabinet dat de arbeidsparticipatie van vrouwen moet groeien tot van het de huidige 52% naar 65% in het jaar 2010[ii].

In de laatste tien jaar is het aantal werkende moeders dus enorm toegenomen. Daarnaast zijn sommige vaders minder gaan werken, maar de cijfers hiervan blijven ver achter. De gemiddelde Nederlandse ouders hebben anderhalve baan, deeltijdwerk overheerst bij de moeders. Het doel van financiële onafhankelijkheid van vrouwen is dan ook nog lang niet gehaald. Wel is duidelijk dat zij een essentiële bijdrage leveren aan het gezins­inkomen. Bovendien is het al lang niet meer zo dat alle gezinnen bestaan uit man, vrouw en kinderen en moeten veel vrouwen op enig moment in hun leven voor zichzelf en de kinderen zorgen.

De mogelijkheden die ouders hebben zijn  beperkt. Zo klagen mannen dat hun werk zich slecht laat omzetten tot deeltijdwerk en blijven vaders massaal fulltime of bijna fulltime werken. Anderzijds klagen vrouwen dat zij op hun werk door hun deeltijdbaan niet voor vol worden aangezien en hebben zij daardoor minder carrièrekansen. Het stoppen met werken om (tijdelijk) voor de kinderen te zorgen heeft voor Nederlandse vrouwen vergaande gevolgen voor hun arbeidskansen. Terugkeer op de arbeidsmarkt is vaak lastig, terwijl moeders in Duitsland hebben recht op een zorgverlof van drie jaar, waarna zij weer kunnen terugkeren in hun eigen baan. Moeders in Frankrijk hebben dit recht na twee jaar.

c. de werkende moeders als moreel probleem: botsende waarden in Nederland

De trend dat vrouwen deelnemen aan onderwijs en arbeid is dus duidelijk zichtbaar, dit zorgt voor een morele druk op vrouwen om carrière te maken en financieel onafhankelijk te zijn of bij te dragen aan het gezinsinkomen. Maar als er kinderen komen blijkt dat de oude morele waarden waarbij moeders er uitsluitend voor de kinderen moeten zijn, nog lang niet verdwenen. Zo is de situatie ontstaan dat moeders het niet goed kunnen doen. Enerzijds hebben emancipatie en  arbeidsmarktontwik­kelingen geleid tot de eis van ontplooiing en financiële onafhankelijkheid, of minimaal bijdrage aan het inkomen. Thuismoeders klagen dan ook dat zij door anderen niet voor vol worden aangezien, terwijl zij “toch ook een bijdrage leveren aan de samenleving.”  Anderzijds voelen werkende moeders zich door de thuismoeders aangevallen, dat zij niet “voor het kind” zouden kiezen, of zouden “werken voor de luxe” (en de vader niet). Dit maakt de discussie over kinderopvang tot een moreel geladen discussie tussen moeders. En beide partijen hebben daar veel last van. Het appèl aan het schuldgevoel van de werkende moeder is een uiting van dit conflict.

Dat het genoemde schuldgevoel te maken heeft met onze samenleving, blijkt ook uit vergelijkingen met de ons omringende landen. Zo is het in België heel normaal dat moeders werken, kinderen groeien daar niet problematischer op dan in Nederland. Een Spaanse vrouw in Nederland, werkzaam als adviseuse voor dagindeling, verwoordde haar verbazing hierover: “ Vrouwen (in Nederland) die hun kind naar de crèche brengen om te werken of leuke dingen te doen voelen zich slecht. In Spanje hoor ik daar nooit iemand over.” De recente opschudding over de vermeende schadelijkheid van crèches is volgens haar het zoveelste bewijs van de maatschappelijke druk die in Nederland op vrouwen met kinderen wordt uitgeoefend. (In Spanje) is het niet zo emotioneel als hier, of je een `goede moeder’ bent of niet staat in principe niet ter discussie.[iii]  Waarom in Nederland dan wel?

In de artikelen wordt eerder verwezen naar schuldgevoelens van moeders, hun keuze om wel te werken en de onwenselijkheid van kinderopvang, dan gezocht naar mogelijkheden om deze kinderopvang te verbeteren. Riksen zelf heeft nooit beweerd dat crèches in het algemeen slecht zijn voor alle kin­deren, zij wijst hooguit op bepaalde risico’s en wordt er nu doodmoe van dat iedereen over haar heen valt. De discussie die nu is losgebroken en de onrust waarmee deze gepaard gaat, is dan ook niet zozeer terug te voeren op dat Amerikaanse onderzoek, en zelfs niet op de uitspraken van Riksen zelf: de paniek heeft vooral te maken met de problematische situatie van werkende moeders in Nederland. Alle emancipatie ten spijt is het een discussie door en over vrouwen, nog eens benadrukt door de beslissing van het Europese hof dat kinderopvang alleen een recht is voor vrouwen en alleenstaande vaders.

De situatie van werkende moeders in Nederland lijkt dus te worden bepaald door tegen­strijdige morele eisen. De eis tot volwaardige persoonlijke ontwikkeling in onderwijs en arbeidsmarkt lijkt niet te verenigen met de eisen die aan moederschap worden gesteld. Het is om die reden dat een uitspraak over crèches zoals door Riksen de gemoederen zo hoog op doen lopen. De tegenstrijdigheid is ook terug te vinden in de politiek. Zo wordt het wenselijk gevonden dat méér vrouwen werken, maar ontbreekt een consistent beleid ter ondersteuning daarvan. De voorzieningen en mogelijkheden rond kinderopvang en schooltijden zijn slecht afgestemd op werkende ouders en de discussie wordt steeds overheerst door de morele verontwaardiging over werkende moeders in plaats van door de vraag hoe er een consistent systeem van kinderopvang en schoolvoorzieningen kan komen waarbij de kwaliteit van die kinderopvang en voorzieningen rond overblijven en naschoolse opvang voorop staat.

Op deze manier worstelen werkende ouders met praktische oplossingen en hebben zij weinig keus, zij moeten al blij zijn dàt zij een oplossing vinden voor hun kinderen. De frustratie hierover bij ouders is groot. En hoewel de overheid streeft naar arbeidsparticipatie van vrouwen, houdt zij zich nog te weinig bezig met de voorwaarden voor kwaliteit. Het aantal kinderopvangplaatsen moet extra groeien, maar de verant­woordelijkheid voor de kwaliteit is gedecentraliseerd naar de gemeenten. De centrale kwaliteits­eisen zijn komen te vervallen. Ook de opleidingen tot kinderleidster zijn verkort en in plaats van een zelfstandige opleiding een specialisatierichting in een algemenere zorgopleiding geworden. De acties in de kinderopvang enige maanden geleden gingen vooral om dit punt: inzet en middelen om kwaliteit te kunnen leveren. Als de overheid zich structureel zou bezighouden met kwaliteit van kinderopvang, kan er een stelsel groeien waarin ouders onbezorgd kunnen werken en problemen niet worden teruggevoerd op werkende moeders.


Conclusie 2: goede kinderopvang is van maatschappelijk belang!


De overheid streeft enerzijds naar arbeidsdeelname van vrouwen, gelijke kansen in het onderwijs en in de arbeid, maar verliest anderzijds de kwaliteit van kinderopvang uit het oog. Een coherent beleid zou er niet toe leiden dat moeders dan maar thuis blijven voor de kinderen, maar dat de kwaliteit van kinderopvang in alle opzichten voorop zou staan. De zorg voor deze kwaliteit kan maar zeer ten dele worden overgelaten aan ouders: zij zijn de eersten die signaleren of het goed gaat met hun kind, maar welke keuze hebben zij, met de huidige wachtlijsten voor kinderopvang, nou echt? Hooguit de ‘keus` andere oplossingen te zoeken, hetgeen bij de toenemende arbeidsdeelname van vrouwen alleen maar moeilijker wordt. De keus van moeders dan maar thuis te blijven levert vaak weer vele andere problemen op, en strookt niet met het streven van de overheid naar 65% werkende vrouwen.

De verantwoordelijkheid voor goede opvang ligt zeker bij de crèches zelf. De leidsters zijn verant­woordelijk, evenals de directie. Wettelijke bepalingen en achterblijvende financiële middelen verhogen de werkdruk, ziekte en verzuim. Dit ondermijnt de mogelijkheden voor goede opvang. Daarmee hebben de leidsters èn de instellingen te kampen en daarover gingen ook de stakingen enige maanden geleden.

De zorg voor goede opvang zou daarom centraal moeten staan in het kabinets­beleid. Als de overheid wil dat vaders en moeders zowel volwaardig kunnen deelnemen op de arbeidsmarkt als delen in de zorg voor de kinderen, moet er een coherent stelsel van mogelijkheden voor deeltijd, zorgverlof en goede kinderopvang komen. Kinderen zijn in dit alles de kwetsbaarste schakel, hun belang zou centraal moeten staan in het beleid rond kinderopvang.

Literatuur:
*HP/de Tijd, 15 maart 2002: Naar de crèche of niet?
*Vele artikelen en ingezonden brieven in Noordhollands Dagblad, NRC-Handelsblad, De Volkskrant en Intermediair in de maand maart 2002.
*Martine F. Delfos: Kinderen in ontwikkeling. Stoornissen en Belemmeringen. Lisse: Swets & Zeitlinger, 1996.


[i] De ontwikkeling van het kind, p. 28.
[ii] HP/De Tijd 15 maart 2001, p. 27.
[iii] Intermediair, 4 april 2002, p 13.

maandag 9 juli 2012

Wie maakt prinsessen van meisjes en piraten van jongens? Wij zelf!

Dit artikel verscheen eerder in het digizine van het Waarborgfonds Kinderopvang: www.nul12.nl 

Verschillen tussen mannen en vrouwen, tussen jongens en meisjes zijn “in”. Boeken als Mannen komen van Mars, Vrouwen komen van Venus[1] benadrukken deze verschillen, maar ook breinonderzoek is populair. Hun verhalen zijn heel herkenbaar: jongens zijn drukker, hebben structuur nodig maar ook ruimte om te bewegen, meisjes zijn socialer, meer gericht op elkaar. De leefwereld van kinderen wordt ondertussen steeds meer door vrouwen bepaald. Er zijn door echtscheidingen meer alleenstaande moeders, terwijl het onderwijs en zéker de kinderopvang gedomineerd worden door vrouwen. Geen wonder dus, dat jongens het in die omgeving steeds slechter doen.[2] Jongens hebben een eigen aanpak nodig met zowel structuur als ruimte voor stoeien, maar vooral meer mannelijke rolmodellen. Daarom wordt er gepleit voor meer mannen op scholen en in de kinderopvang, opdat jongens meer mannelijke rolmodellen zullen hebben en beter begrepen zullen worden. 

Een herkenbaar en ook plausibel verhaal. Maar klopt het ook? Zo’n dertig jaar geleden was een ander verhaal dominant: dat kinderen gelijk geboren worden en verschillend gemáákt. Niet de nature (het biologische verschil) maar de nurture (de opvoeding) was in die visie allesbepalend. Jongens moesten daarom met poppen en meisjes met auto’s spelen. Breinonderzoek werd zo ongeveer verketterd als fascistisch.

Wat deze twee volstrekt tegengestelde benaderingen met elkaar gemeen hebben, is dat ze de werkelijkheid geweld aandoen vanuit een theoretisch model of maatschappelijk ideaal. Het huidige onderzoek dat verschillen tussen jongens en meisjes aantoont, blijkt op slechts kleine verschillen te berusten.[3] Baby’s worden inderdaad vrijwel gelijk geboren en vooral verschillend gemáákt. Al van jongs af aan wordt bij jongens jongensgedrag gestimuleerd en bij meisjes meisjesgedrag. Dat begint al in de wieg, denk aan die schattige rompertjes in het blauw met `stoer’ erop en in het roze met `lief’. Meisjes worden `prinsesjes’, jongens worden `piraten.’ Dit gebeurt vooral onbewust, dat maakt het zo ongrijpbaar. De in beginsel kleine verschillen tussen jongens en meisjes, worden hiermee groter en duidelijker en vervolgens theoretisch onderbouwd met breinonderzoek. Dat jongensbreinen verschillen van meisjesbreinen komt dus vooral door de opvoeding, waarin jongens met constructiespeelgoed spelen en zo het ruimtelijk inzicht van hun brein stimuleren, terwijl meisjes hun verbale en sociale vaardigheden oefenen.

Maar wat onderzoek óók aantoont, is dat er binnen de seksen grotere verschillen zijn dan tussen de seksen. Met andere woorden: tussen jongens zijn grote verschillen en tussen meisjes zijn grote verschillen. Deze verschillen krijgen met het huidige model te weinig ruimte. Want een voordeel van de jaren zestig en zeventig was wèl dat de zachtaardige jongens de kans kregen om te zorgen, en de stoerdere meiden in tuinbroek in een boom mochten klimmen.

En dat zou ik dan ook nu weer willen bepleiten. Een mannelijk (maatschappelijk) rolmodel in de kinderopvang is wellicht wenselijk voor de jongens en zelfs ook voor de meisjes, maar op dit moment werken er in de kinderopvang nog geen 2% (kdv) tot hooguit 10% (bso) mannen. Dat zal naar mijn voorspelling niet snel veranderen, de veelal parttime banen en het relatief lage salaris zijn voor mannen niet erg aantrekkelijk. Daarnaast bestaat het risico dat er ten opzichte van mannen òf teveel argwaan zal zijn (naar aanleiding van Robert M.) òf te weinig kritisch zal worden gekeken, omdat men al blij is dat er een man solliciteert.

Wat wèl bereikt zou kunnen worden, is dat alle werkenden in de kinderopvang bewuster worden van hun eigen rolbevestigende gedrag en dat ze meer ruimte geven aan handelingsmogelijkheden voor beide seksen. Dat zowel zorgende als de meer technische speelmogelijkheden nadrukkelijk aan jongens èn meisjes, het liefst samen, worden aangeboden. Structuur, stoeien en lichaamsbeweging lijken me goed voor alle kinderen, maar met aandacht voor de meer gevoelige, zachte types, of dat nou jongens of meisjes zijn.




[1] Van de auteur John Gray
[2] Aldus de pedagogen Louis Tavecchio en Lauk Woltring op Leraar24 van 02-03-2010: feminisering en jongensproblemen
[3]Zo betoogt Asha ten Broeke in haar ijzersterke boek: “Het idee M/V” (2010)