Posts tonen met het label pesten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label pesten. Alle posts tonen

zondag 17 augustus 2014

Alles over Pesten

Lieve allemaal

Er is de afgelopen maanden veel gebeurd. Afgelopen mei verscheen mijn boek “Alles over pesten”. In dit blog wil ik een overzicht geven en een antwoord op de volgende vragen:
1)      Waarom schreef ik dit boek, wat zijn de achtergronden ervan?
2)     Hoe verliep de boekpresentatie?
3)     hoe werd het boek ontvangen?
4)     en hoe zou ik willen dat het verder ging?

1.Dit boek heeft zijn wortels in mijn eigen pestverleden. Ik ben gepest vanaf de kleuterschool tot en met 5vwo. Natuurlijk niet de hele tijd, en uiteraard heb ik niet alleen máár pestherinneringen. Maar wel veel en het heeft me in belangrijke mate gevormd.
Pesten slaat diepe wonden en laat pijnlijke littekens achter, zéker als het langdurig en structureel pesten is (geweest). Op zich vond ik dat ik er ook goede dingen aan over heb gehouden. Ik ben (en was misschien altijd al) een onafhankelijk denker. Juist omdat ik niet zoveel te verliezen had – wat ik ook deed, ik hoorde er toch niet bij- kon ik doen wat ik zelf belangrijk vond. Vooraan zitten bij colleges en vragen stellen, bijvoorbeeld. Het heeft me veel gebracht: professoren die me zagen staan, ontmoetingen met interessante kopstukken. Het heeft me ook veel gekost, waar ik ook hulp voor gezocht heb bij pestexpert Theo Klungers. Die gesprekken hebben me enorm geholpen, en later bleek dat ik vanuit mijn sociologische en pedagogische achtergrond ook veel aan zijn werk kon bijdragen.

Als moeder werd ik opnieuw geconfronteerd met pesten, nu bij mijn dochter. Ik merkte hoe weinig er veranderd was in al die jaren, terwijl er inmiddels toch wel minstens twintig jaar kennis uit onderzoek en publicaties moest zijn. Deze kennis viel in de praktijk dus bar tegen, maar ook in boeken over pesten miste ik ook de realiteit: waar je als gepeste of als ouder tegenaan loopt: ontkenning, beschuldiging, scholen die niet thuis geven, leerkrachten die vinden dat je kind niet weerbaar genoeg is, andere ouders die vinden dat pesten nu eenmaal bij de jeugd hoort want “kinderen zijn nu eenmaal wreed.”

Toen de staatssecretaris van onderwijs, Sander Dekker, en kinderombudsman Marc Dullaert hun plannen voor een anti-pestbeleid voorbereidden, heb ik daarom samen met Theo Klungers een document opgesteld, waarin wij een overzicht gaven van elementen die in het beleid niet mochten ontbreken. De rol van de leerkracht en de school bijvoorbeeld. Vervolgens sprak ik op een conferentie over mijn eigen pestverleden en na afloop kwam een dame van de uitgeverij naar me toe. Ze vertelde dat ze een boek wilden gaan uitgeven over pesten, en dat ze graag wilden dat ik dat zou schrijven. Dat kwam goed uit, omdat ik dat eigenlijk toch al van plan was.

In dit boek ben ik gaan graven naar de wortels van pesten: waar komt het vandaan, welke verklaringen zijn er. Zowel op individueel niveau (welke kinderen worden eerder gepest en waarom, welke kinderen pesten en waarom), als op groepsniveau, schoolniveau en in de samenleving zocht ik naar verklaringen én oplossingen voor pesten. Ervaringen in de praktijk, van mezelf en vele andere bijdragen, worden in verband gebracht met theorieën uit de psychologie, sociologie en biologie. Voor iedereen die met kinderen te maken heeft, voor ouders van gepeste kinderen, voor omstanders, voor mensen die zelf gepest worden of werden, voor schoolleiders en leidinggevenden in bedrijven en instellingen, voor beleidsmakers. Kortom, een boek voor iedereen. Want pesten is geen op zichzelf staand verschijnsel, maar houdt verband met processen van samenleven, van in- en uitsluiting op kleine en grote schaal.

Wat ik met dit boek wil is zoveel mogelijk mensen bereiken. Enerzijds de gepesten en hun ouders een hart onder de riem steken: je bent niet de enige en de schuld van pesten ligt voor het belangrijkste deel niet bij het slachtoffer (maar ook niet per sé bij de dader en diens ouders, trouwens - de oorzaak ligt in de structuur en dynamiek van de groep). Maar anderzijds ook aandacht vragen voor het onderwerp pesten bij iedereen die met groepen mensen (al dan niet kinderen) te maken heeft. We leven in een ingewikkelde wereld en samenleven is soms lastig. Daarbij maken sommige contexten extra kwetsbaar voor pesten en dan is het belangrijk dat betrokkenen zoals leraren in het onderwijs, mensen die in instellingen werken of leidinggevenden op de werkvloer, kennis hebben van groepsprocessen en pesten. Nogmaals niet om hen de schuld in de schoenen te schuiven (hoewel ik het wel belangrijk vind dat dit aspect besproken wordt), maar om meer kennis en vooral handvatten te geven. 

Met dit boek wil ik ook misstanden en misverstanden over pesten aanpakken. De belangrijkste zijn dat pesten ligt aan het gedrag van het slachtoffer en dat pesten nu eenmaal bij kinderen hoort of noodzakelijk is voor het opgroeien. Dat klopt niet: pesten is een uiting van spanning en onzekerheid in groepen, ligt dus niet aan het slachtoffer maar aan de groep. Veel gedrag van het slachtoffer is juist het gevolg van pesten (en ja, dan lokt het verder pesten uit). Pesten is een uiting van een verziekte sfeer en niemand wordt er beter van: niet het slachtoffer, niet de daders en ook niet de meelopers.
Vaak wordt gezegd: `pesten is een menselijke behoefte' of 'het is een dierlijke behoefte, dieren stellen immers ook de pikorde in de groep vast'. Daarbij wordt vergeten dat dieren ook grenzen stellen aan pesten, en dat extreem pesten ook bij dieren wijst op extreme spanningen in de groep (bijvoorbeeld in een dierentuin, bepaald geen natuurlijke setting). Groepen kunnen onder druk grijpen naar het middel pesten, maar dat wil niet zeggen dat pesten ook noodzakelijk is. Uiteindelijk heeft iedereen in de groep er last van en vaart de groep wel bij positief leiderschap. Dit is overigens ook een gevaarlijke misvatting: leerkrachten die denken dat pesten natuurlijk is, grijpen minder snel in. En het wordt door anderen ook gebruikt als rechtvaardiging voor het pesten: zo is de natuur, zo is het leven nou eenmaal. 

Een misstand is dat er ook (wel eens) door scholen en/of leerkrachten gepest wordt: een kind is altijd het pispaaltje, of het krijgt overal de schuld van. Of scholen vinden dat ze al genoeg aandacht aan pesten besteden, en zeggen dat ze niets kunnen doen. Vaak wordt het gepeste kind (of de ouders) verweten dat het niet weerbaar genoeg is. Ook tussen collega’s kan gepest worden en natuurlijk kan een klas ook een leerkracht wegpesten. Dit soort gebeurtenissen komen in de praktijk veel voor, maar krijgen nauwelijks aandacht in theorie of beleid rond pesten. Veel boeken zijn erg beperkt in hun focus of definitie van pesten, of ze gaan uit van een bepaald anti-pestprogramma. Met mijn boek probeer ik zo breed mogelijk te kijken naar het verschijnsel pesten, om daarna pas oplossingen te geven.

2. Op 21 mei 2014 nam  Kinderombudsman Marc Dullaert het eerste exemplaar van mijn boek in ontvangst, bij Uitgeverij Boom aan de Prinsengracht in Amsterdam. 

De toespraak die ik hield is hier te lezen. Achteraf hoorde ik dat er in de zaal menig traantje werd weggepinkt.
Het tweede exemplaar was trouwens voor mijn ouders (en dat was het moment dat bij mij de emoties overliepen). 

Er is maar weinig wat echt beschermt tegen pesten. Er is wel iets wat beschermt tegen de pijn van pesten, en dat is verbondenheid met je familie. Overigens was het voor mij een dubbel feestelijke gebeurtenis, want het was ook nog eens mijn verjaardag J.

3. In de J/M voor Ouders van Mei 2014 stond al een prachtig interview. En op de dag van de presentatie verscheen een recensie op Sociale Vraagstukken (Hanneke Felten). Met socioloog Henk de Vos had ik leuke discussie naar aanleiding van zijn blog over mijn boek.
En al heel snel stond er een heel mooie review op bol.com met 5 sterren!!!  

De nieuwsbrief van Buro Bloei kwam met een mooi verslag: 


en op Pestweb  verscheen een heel positieve bespreking 


Kees van Overveld plaatste een fijne recensie op Twitter: 

In Trouw van 9 augustus 2014 verscheen een interview: 


en in Psychologie Magazine (september 2014)een superfijne recensie:



Kortom, mijn boek wordt gelukkig goed ontvangen. Op maandag 18 augustus ben ik te gast in het lunchprogramma van RTV-NH (radio). Eerder was ik te horen in het nachtprogramma van Alfred Blokhuizen op RTV Rijnmond 


4. Hoe het verder gaat? Ik hoop natuurlijk dat zoveel mogelijk mensen dit boek gaan kopen en lezen. Verder hoop ik dat het gebruikt gaat worden in opleidingen en op pabo’s. En zelf ga ik nadenken over mijn volgende boek(en) en blijf ik schrijven over allerlei onderwerpen op het gebied van opvoeding, onderwijs en (andere) maatschappelijke ontwikkelingen. Vrijwel elke maand verschijnt er een column van me op Sociale Vraagstukken en er zijn vergevorderde plannen voor een radiocolumn op RTV Rijnmond, in het nachtprogramma van Alfred Blokhuizen. Kortom, jullie horen van me. 


Mieke van Stigt: Alles over Pesten. Uitgeverij Boom Amsterdam, 2014. Bij de boekhandel of via internet 24,95 euro. ISBN 978 90 8953 251 0

donderdag 15 mei 2014

Wat we kunnen leren van Project P

Al vóór het televisieprogramma “Project P, stop het pesten”  werd uitgezonden, ontstond er een fikse discussie, met name over de vraag of een slachtoffer van pesten de dagelijkse mishandelingen mag filmen met een verborgen camera, en of een televisiezender daarvan een programma mag maken en uitzenden. Aanleiding voor deze felle discussie was, dat de schoolleiding van één van de afleveringen, een kort geding tegen RTL aanspande om uitzending van het tv-programma te voorkomen.

Inmiddels heb ik drie afleveringen bekeken (1), waarin het pesten met succes bleek te zijn aangepakt, ook als de presentator enige weken later het slachtoffer opnieuw opzoekt. Hoewel ik aanvankelijk grote bezwaren had tegen het programma – het risico voor het slachtoffer leek me té groot – moet ik zeggen dat ik de afleveringen behoorlijk zorgvuldig gemaakt vond. En ja, het pesten was blijkbaar opgehouden. Het intrigeerde me wel: wat precies had ervoor gezorgd dat het pesten stopte, en waarom?

Maar aan de andere kanten zijn er de berichten uit de bovengenoemde rechtszaak. Met die jongen gaat het – zoals ik voorspelde (2)- niét goed. De sfeer op school werd alleen maar onveiliger, en hoewel de school het ontkent, voelt hij zich daar niet langer welkom. Wat ging er precies mis, en waarom?

Met andere woorden: wat kunnen we leren van Project P?

Hoe zit het tv-programma in elkaar? Eigenlijk zien we niet zo heel veel van het pesten zelf. Wat we zien is vooral de pijn van het slachtoffer. Het verdriet en de voortdurende stress. De beelden zelf zijn schokkend, maar zodanig geblurred en vervormd, dat ze eigenlijk ook niet zoveel zeggen. Je hoort een paar scheldwoorden, je ziet een of twee trappen. Erg genoeg, maar het is niet zo heel veel. Negentig procent van de uitzending gaat naar het verhaal eromheen. Waarschijnlijk krijgen de ouders en de klas- of teamgenoten veel meer, en onvervormde beelden te zien, want vooral aan hun geschoktheid kan de tv-kijker zien hoe erg het pesten is.

En dat is ook meteen de grootste verdienste van Project P: dat duidelijk wordt hoe ingrijpend pesten is. Het gaat niet om één keer uitgescholden te worden, of een keer met een bijnaam aangesproken te worden. Het gaat niet om één fysieke aanvaring. Pesten is de constante dreiging van verbale en fysieke mishandeling. Dagelijks, door verschillende personen, elke dag weer. Niet weten wat je kunt of moet doen om het te voorkomen, maar daar toch de hele tijd mee bezig zijn: als ik deze kleren aantrek, gaat het dan goed? Als ik een andere tas heb, kan dat wel? Als ik straks de gang door moet, of het lokaal in. Of naar huis fietsen. De continue angst en onzekerheid breken het slachtoffer af, zowel geestelijk als fysiek. Slachtoffers van pesten leven in een voortdurende hel.

Het vreemde is dat vrijwel niemand het ziet. De ouders zien een verdrietig, angstig kind, maar weten ook niet precies hoe het is. De leerkrachten weten soms wel dat een kind aangeeft gepest te worden, maar krijgen vrij weinig mee van de gebeurtenissen. Of ze zien één incident, waarvan ze dan wel of niet iets zeggen, maar hebben geen idee van het geheel. Zelfs de daders zeggen – na confrontatie met de beelden - nauwelijks door te hebben gehad hoe erg het pesten was, omdat ze alleen van hun eigen acties weet hadden. Maar niemand wist hoe het was om in de schoenen van het slachtoffer te staan. Tot Project P.

Wat doet Project P eigenlijk om het pesten te stoppen? Wat is het, dat werkt?

Om te beginnen krijgt het slachtoffer een "advocaat" in de vorm van een populaire televisieheld. Iemand die hem of haar helemaal steunt, die geen frasen gebruikt als: “ja, maar vraag je er niet een beetje om”, of “je zoekt het ook wel altijd op”, maar die zich inleeft en vooral: die steunt en vooral zegt dat het slachtoffer juist een sterke, leuke persoon is. Die vraagt of hij het aandurft om met een camera naar school of training te gaan, wetende dat er ellende komt, maar met de troost dat er dan eindelijk bewijs op tafel komt. En dat er echt iets aan gedaan gaat worden.

De beelden spreken vervolgens voor zich. Ouders zijn geschokt, leerkrachten (trainers) en klasgenoten zijn geschokt. Wisten de pestkoppen dan niet wat ze deden? Ja, zeker wel. Maar ook zij hadden het overzicht niet en vooral: ze waren opgehouden zich voor te stellen wat de impact op het slachtoffer was. Pesten is het actief uitschakelen van identificatie, van empathie voor het slachtoffer. Het is ook een –vaak stilzwijgende- afspraak in de groep: we sluiten hem sámen uit. Pesten geeft op die manier een vorm van saamhorigheid; dat het ten koste gaat van een mens, wordt verdrongen. De confrontatie met de beelden maakt aan die verdringing een einde. Vooral ook omdat die confrontatie geleid wordt door een sterke, populaire figuur als Johnny de Mol (tjee, daar is Johnny de Mol, in ónze klas!) en voor het voetbalteam hadden ze er zelfs een mastodont als John de Wolf bij. Daar kun je echt niet omheen. Benadrukt wordt dat het filmen met een verborgen camera enorme lef vereist. Daarmee wordt de voormalige definitie “x is een loser” omgezet in “x heeft lef”.

De pestkoppen schrikken enorm. Niet alleen van hetgeen ze het slachtoffer hebben aangedaan, maar ook van het feit dat ze dat blijkbaar niet ongezien hebben gedaan – wat ze tot dusver dachten. En vervolgens dat ze afgaan. De samenzwering (wij mogen hem pesten, met elkaar) is doorbroken. Toch worden ze niet al te zeer aan de schandpaal genageld. Niet het verleden is belangrijk, maar de afspraak dat het vanaf nu anders wordt. Daar doen de programmamakers heel verstandig aan. Het risico van teveel nadruk op beschuldigen is, dat de (voormalige) pestkoppen dat niet pikken, waarna het pesten alleen maar toeneemt.
Het is niet alleen het slachtoffer die een nieuwe kans krijgt, dit geldt ook voor de pestkoppen. Ook al werken ze mee aan de samenzwering, dat wil nog niet zeggen dat ze dat ook fijn vinden. Van pesten gaat immers de dreiging uit dat jij de volgende zult zijn, als je niet meedoet. Wat je ziet is dat de hele groep blijer is als het pesten is opgelost, zelfs hun cijfers gaan omhoog. Of zoals de klasgenoten van Xandra zeiden: wij zijn niet langer die rotklas.

Toch gaat het niet altijd goed. Rondom de jongen op het Einsteinlyceum, waar dit verhaal mee begon, is nog altijd veel onzekerheid. Met een slag om de arm – welke versie moet ik geloven- kunnen we toch wel vaststellen dat het pesten daar niet is opgehouden. De jongen mocht niet meer in zijn eigen klas komen, en pas na de pauze van zijn klasgenoten naar school komen. Zijn schoolwerk maakte hij in de directiekamer, zo vertelde zijn moeder in NRC Handelsblad (3). En ondanks dat de rector van de school op Twitter liet weten dat de jongen nog gewoon welkom is, hebben hij en zijn ouders duidelijk niet die indruk.

We kunnen alleen maar gissen wat er precies is misgegaan. Maar zelfs als de school goede bedoelingen had met de rechtszaak, namelijk het beschermen van de privacy van slachtoffer én daders, pakt dit in dit geval duidelijk niet goed uit. De boodschap naar de pesters en hun ouders is wel degelijk dat deze jongen – met de programmamakers, mét zijn ouders- over de schreef is gegaan, dat die jóngen het probleem is en niet de pesters. Dat krijgt de jongen nu op zijn brood, en de pesters voelen zich gesterkt in hun samenzwering, de empathie blijft uitgeschakeld.
Dat is een belangrijk verschil met de andere afleveringen, waar de school (of de voetbalclub) wél overging tot samenwerking met het programma. De groepsnorm werd omgebogen en die ontwikkeling werd vervolgens door de school of de club vastgehouden.

Project P zet de scholen dan ook enorm voor het blok (en in hun hemd). Niemand wil graag horen dat hij tekort schiet, en waar de scholen al maanden of jaren aan het sleutelen waren, lossen zij het probleem in een handomdraai op. Toch doen alle scholen er verstandig aan, te leren van Project P: wat pesten is, hoe structureel het pesten is en hoezeer het verweven is met de groepsnorm. Dat los je niet op met incidentenpolitiek (alleen ingrijpen als je een overtreding ziet) of met een pestprotocol op de plank. Je zult veel meer moeten sturen op een positief groepsproces, waarbij je alle kinderen betrekt en de pestkoppen de kans geeft om te veranderen.
Een dergelijke benadering werkt het beste vanuit een positief geleid schoolklimaat, waarin leerkrachten en schoolleiding zich gezamenlijk inzetten voor veiligheid en respect. Communicatie met ouders is essentieel, maar met tegelijk ook de morele boodschap: pesten op school is schadelijk voor iedereen, dus ook voor uw kind.

Betekent dit, dat ik alleen maar sta te juichen bij Project P? Nou, toch niet helemaal. Er zitten fundamentele bezwaren aan het filmen met een verborgen camera, zoals de rol van het filmende kind dat als enige weet dát er gefilmd wordt. Hij is niet langer alleen subject (zo hij dat ooit was): mogelijk zoekt hij specifieke daders en omstandigheden op. Daarbij is elk televisieprogramma een gemonteerde en dus geselecteerde versie van de werkelijkheid. Er zijn veel achtergronden, die wij niet te zien krijgen, óók bij de pesters. Nu worden deze gelukkig door het programma niet heel negatief in beeld gebracht, maar toch. Ik begrijp de weerstand van het Einsteinlyceum ook wel. Privacy is inderdaad een issue als je een veilige omgeving wilt bieden (maar dat wil niet zeggen dat die omgeving ook inderdaad veilig is, en daar heeft Project P weer een punt). En daarbij gaat het om jonge kinderen, die in een complexe sociale situatie, met een klasgenoot met specifieke problemen, met elkaar moeten (leren) omgaan.

Maar dat ze daarbij een strak moreel kader, onder sterke begeleiding, en confrontatie met hun daden nodig hebben, wordt ook duidelijk. Daar is niet per sé een verborgen camera voor nodig, maar wel volwassenen die hun ogen en oren openhouden en vooral ook wéten wat ze horen: structureel pesten bestaat - naast de fysieke bedreigingen en af en toe een schop- vooral uit tientallen speldenprikken en kleine duwtjes in de rug. Het is te hopen dat de goede elementen van Project P door scholen en sportclubs worden meegenomen. Want we kunnen niet alle tienduizenden kinderen en jongeren die gepest worden, uitrusten met een verborgen camera, inclusief Johnny de Mol en RTL. Wel kunnen we kijken, leren en met elkaar werken aan een veilige school en club voor álle kinderen.


(1)    Je kunt de afleveringen van Project P hier terugkijken: http://www.rtlxl.nl/#!/gemist/project-p-stop-het-pesten-304895
(2) Bij Studio Max Live, donderdag 10 april 2014: http://www.studiomaxlive.nl/uitzending/studio-max-live-donderdag-10-april-2014/
(3)    In NRC-Handelsblad van 14 mei 2014: “`Ze scholden, gingen op zijn rug staan’.”


vrijdag 10 mei 2013

Kinderen van overbeschermende ouders worden vaker gepest. Dus ligt het aan de ouders, toch?


In Trouw van 9 mei 2013 staat het met dikke letters in de kop: “Kinderen uit beschermende gezinnen vaker slachtoffer pesten”. (1) De opvoedstijl van ouders heeft volgens het artikel invloed op de kans dat kinderen zich tot pestkop of slachtoffer ontwikkelen, zo blijkt althans uit Brits onderzoek. Zegt het artikel.
Het  lijkt een logische redenering: de opvoeding van kinderen thuis heeft invloed op hun weerbaarheid en sociale vaardigheid, en dus op de kans dat kinderen op school gepest worden of zelf pesten. Het artikel besluit dan ook met een pleidooi voor begeleiding van gezinnen als de kinderen nog heel jong zijn, om latere problemen te voorkomen.
Het klinkt allemaal plausibel, maar op een flink aantal punten gaat het mis.

Mijn eerste punt van kritiek betreft de opening van het artikel: “kinderen onder elkaar kunnen meedogenloos zijn”. Dat suggereert dat het pesten een probleem van kinderen is. Het tegendeel is waar: pesten is een probleem van groepen. Het kan iemand op elke leeftijd treffen: op het werk, in het leger, in de buurt, in het bejaardentehuis. Dat pesten onder kinderen vaak voorkomt, ligt er vooral aan dat wij kinderen in groepen onderbrengen, in het onderwijs. Pesten is geen kinderprobleem, maar een groepsprobleem. Dat maakt de vraag of opvoeding invloed heeft al heel wat minder relevant.
Nog afgezien van de invalshoek. Dit onderzoek zoekt de oorzaak van pesten in het gepeste (of pestende) individu. Natuurlijk is inzicht in de pestproblematiek belangrijk, maar de stap van oorzaak naar schuld is dan nog maar klein. Hadden de ouders maar anders moeten opvoeden. Had het kind maar weerbaar moeten zijn. Dat ligt ook besloten in het pleidooi voor opvoedbegeleiding (waarbij ik me nog afvraag hoe ze die ouders willen benaderen). In zijn blog als reactie op het Trouw-artikel(2) stelt Theo Klungers dan ook terecht dat pestkoppen nóóit het recht hebben om te pesten, of iemand nu weerbaar is of niet. Daarnaast is het natuurlijk heel beperkt om bij een groepsprobleem als pesten te kiezen voor een individuele onderzoeksbenadering, wat bij onderzoek door psychologen vaker een bezwaar is.

In het onderzoek werden 70 studies naar opvoeding en pesten geanalyseerd. Dat levert hooguit informatie op naar samenhang tussen opvoeding en pesten, maar vertelt nog niets over de betekenis daarvan. Zo gingen mijn haren recht overeind staan bij de term “overbeschermende ouders” . Niet alleen is dat geen waardenvrije term (er zit een duidelijke veroordeling in), maar je moet je ook afvragen waaróm  zijn die ouders zo beschermend? En als hun kinderen gepest worden, hoe beschermend zijn zij dan nog? Wellicht kennen zij hun kind zo goed dat zij weten dat het minder weerbaar zal zijn, omdat het gevoeliger is dan gemiddeld, of op een andere manier iets “anders” is dan anderen. Is het pesten dan een gevolg van de opvoeding, of hangt het samen met dat “anders” zijn? (3)
Of wellicht hebben die ouders zelf een pestverleden, met dramatische gevolgen voor hun zelfvertrouwen, hun sociale vaardigheid en vertrouwen in de mensheid? Het zou zomaar kunnen. Niet voor niets moest ik ooit tegen mijn kind zeggen: “het spijt me, ik weet niet wat je moet doen om niet gepest te worden. Ik weet maar al te goed wat je moet doen om wél gepest te worden.” Ik kan me voorstellen dat pesten (zowel als dader of als object) erfelijk is.

Maar het allergrootste bezwaar kwam bij me op toen ik eens goed naar het genoemde onderzoek zelf keek. Het blijkt dat een negatieve opvoeding een sterk verband heeft met pesten als dader, en een zwak verband heeft met gepest worden. En dat van alle soorten negatief opvoedingsgedrag de overbeschermende opvoeding juist het minste invloed had op  pesten of gepest worden. Om precies te zijn: nauwelijks. (4) Misbruik en verwaarlozing hebben een sterke invloed; een opvoeding waarin slecht gecommuniceerd wordt met het kind een matige invloed. Lees het zelf na, ik ben benieuwd wat jullie eruit opmaken.

Waarom dan die vette koppen, al die aandacht voor overbeschermende ouders en hun vermeende negatieve invloed? Omdat dat zo lekker aansluit bij de heersende trend van ouders bashen, waarbij ouders de schuld krijgen van bijna alle maatschappelijke problemen. Waarbij ouders die hun stinkende best doen “helicopterouders” worden genoemd. Zodat ouders het eigenlijk niet goed kúnnen doen. Daarover later meer, voor nu zeg ik alleen: pesten is een groepsprobleem en komt bij alle leeftijden voor. De oorzaken moeten in de groepsdynamiek gezocht èn gevonden worden.

(2) http://www.posicom.nl/tips/39-tips-over-pesten/164-kinderen-uit-beschermende-gezinnen-vaker-slachtoffer-van-pesten

(3) http://miekevanstigt.blogspot.nl/2013/01/naar-een-effectieve-aanpak-van-pesten.html

dinsdag 12 maart 2013

Coming out. Over pesten en slachtofferschap


De meesten van jullie weten het wellicht al, maar ik zal het maar eens hardop schrijven: Ik ben vroeger gepest. En niet zo’n beetje ook. Het begon waarschijnlijk al op de kleuterschool, hoewel ik me daarvan niet veel herinner. Maar van mijn ouders hoorde ik later dat zij destijds al overwogen om een andere kleuterschool voor mij te zoeken, vanwege de pesterijen.  Mijn oudste herinneringen aan pesten dateren van de derde klas (wat nu groep 5 heet). Op een dag mocht ik boodschappen doen, een flesje koffiemelk halen in de supermarkt, voor de lerarenkamer. Ik was natuurlijk reuze trots en vereerd. Maar een paar weken later vond ik ineens allemaal briefjes in de kast, achterin de klas. Daarop stonden dingen als: “Ik vind Mieke gewoon een stom kind” of: “Ik vind Mieke niet stom, maar ze wil alleen met E. spelen”. Bleek dat de meester in mijn afwezigheid alle kinderen had gevraagd op te schrijven hoe ze mij vonden.

Maar al jong school er een kleine socioloog in mij, die goed kon observeren, die keek wat er gebeurde. Zo zei ik tegen de meester van de vierde klas (groep 6) dat zijn belgenmoppen echt niet konden, Belgen waren gewone mensen, net als wij. Ik leerde ook al vroeg dat meesters en juffen gewoon konden meedoen met pesten, of het zelfs aanmoedigden. Zo haalde diezelfde meester van de vierde mij eens voor de klas, hield het boekje dat ik uit de schoolbieb had gehaald omhoog en zei tot de klas: “kijk eens wat Mieke voor kinderachtig boekje heeft uitgekozen!” De klas joelde maar wat graag.

En op de nieuwe school, in de nieuwe woonplaats, vonden zowel de leerlingen als (veel van) de meesters en juffen mij maar een vervelende leerling, beslist geen aanwinst voor hun school. Het pesten hield ook aan in de brugklas, en later. Tot en met 4 vwo, daarna ebde het weg.

Al die jaren pesten hebben diepe sporen in mij achtergelaten. Toch heb ik het nooit ervaren als alleen maar negatief. Ik heb namelijk ooit een moment gehad waarop ik dacht: wat ik ook doe, ik hoor er niet bij. Dan kan ik net zo goed voor mijzelf kiezen. En ik werd mezelf. En ging vooraan zitten in de collegezaal, en stelde vragen aan de professor. Ik viel op, en kon me optimaal ontwikkelen. Ik had immers niets te verliezen? Maar pijn deed het wel. Het voelde als een negatieve keuze. Het heeft wel een paar gesprekken gekost, om erachter te komen dat het altijd een positieve keuze is geweest. Voor mezelf in plaats van voor de groep.

Slachtofferrol

Ik heb lang geaarzeld om mijn verleden openbaar te maken. Jezelf als “pestslachtoffer” neerzetten is beslist geen slimme zet. Je presenteert jezelf immers als een loser? Hoe serieus word ik hierna nog genomen als wetenschapper? En juist pesten draait om het uitkiezen van de zwakkeren, die dienen als mikpunt. Bovendien roept zwakte agressie op. Wat dat betreft zie ik wel een parallel met dierlijk gedrag, maar daarin ga ik me nog eens verdiepen. Afgezien daarvan wordt de term “slachtofferrol” tegenwoordig vaak misbruikt om iemand helemaal monddood te maken. Als in: “hij/zij kiest ervoor om in een slachtofferpositie te blijven hangen”. Een loser dus, die het helemaal aan zichzelf te danken heeft dat hij/zij er niet uitkomt.  Dat heeft alles te maken met het neoliberale ideaal van meritocratie. De beteren hebben niet zozeer geluk gehad in het leven, maar hun positie aan zichzelf te danken en dan ook het volste recht op hun aanzien, hun inkomen, hun plekje aan de top. En tja, dan moeten die losers het óók wel aan zichzelf te danken hebben. Wijzen op nare omstandigheden is zó kiezen voor de slachtofferrol…

Kortom, ik moest wel even slikken om toch hardop uit te spreken dat ik inderdaad gepest ben. Toch doe ik het. Niet alleen om iets van het taboe weg te nemen, maar ook omdat ik kennis heb opgebouwd van binnenuit. Kennis waarmee ik anderen kan helpen. Ik heb dingen opgemerkt, die anderen wellicht over het hoofd zouden hebben gezien. Door die te benoemen, kunnen ze opgenomen worden in het beleid tegen pesten.(1)  Zo kon ik laatst op een expert meeting met de staatssecretaris en kinderombudsman wijzen op de soms actieve rol van leerkrachten. Pesten is niet alleen iets van kinderen onder elkaar, maar komt ook onder volwassenen voor en op scholen kunnen leerkrachten zelfs een actieve rol hebben in het pesten. Ik heb het vaak gezien, en zelf ook (soms) ervaren. De goeden niet te na gesproken, het komt voor en moet dus niet op voorhand uitgesloten of over het hoofd gezien worden.

Betrokkenheid en distantie

Natuurlijk is er het risico van te grote emotionele  betrokkenheid bij het onderwerp pesten. En inderdaad, naar sommige programma’s over pesten kan ik nauwelijks kijken. Erover vertellen vind ik nog lastiger (maar ik doe het wel!).  Aan de andere kant kun je je afvragen wie werkelijk objectief tegenover het onderwerp pesten staat. Iedereen heeft er wel eens mee te maken gehad, is ooit slachtoffer, dader, toeschouwer of meeloper geweest. Dat kan haast niet anders. Ook bij hen kun je je afvragen hoe objectief die persoon is, wat zijn/haar belangen of vooroordelen zijn. En van iemand die er ècht nooit mee te maken heeft gehad, moet je je werkelijk afvragen of die in dezen zo’n geschikte wetenschapper is. Kortom, ik heb niet de illusie objectief te zijn, noch de ambitie. Liever verwijs ik naar de verhandeling van Norbert Elias (2) over problemen van betrokkenheid en distantie. Beide termen geven meer een proces en een mengvorm aan, dan iets absoluuts.  Ikzelf probeer mijn kennis en ervaring in te zetten, en kijk niet alleen kritisch naar anderen, maar ook naar mijzelf. Althans, dat probeer ik.

 

Noten:
(1) Voor mijn aanbevelingen over pesten, zie het document “Naar een effectieve aanpak van pesten” op http://miekevanstigt.blogspot.nl/2013/01/naar-een-effectieve-aanpak-van-pesten.html

(2) Norbert Elias: Problemen van betrokkenheid en distantie. Essay. Amsterdam: Meulenhoff 1982.

dinsdag 15 januari 2013

Naar een effectieve aanpak van pesten



Naar aanleiding van de trieste zelfdodingen van Tim Ribberink, Fleur Bloemen en vele anderen staat het onderwerp “pesten” hoog op de politieke agenda. Terecht, want naast bovengenoemde schrijnende gevallen zijn er nog vele duizenden kinderen die ermee te maken hebben en vele volwassenen die nog dagelijks kampen met de gevolgen van pesten in hun jeugd.

Op 9 januari en 20 maart j.l. organiseerden Staatssecretaris Dekker (OCW) en Kinderombudsman Dullaert meetings met experts. Daaraan wilden wij (1) ook een bijdrage leveren, vandaar dat we dit discussiestuk indienden, dat we hierbij ook voor anderen toegankelijk maken:

Het belangrijkste probleem bij het aanpakken van pesten is dat de situatie eerst als zodanig gedefinieerd dient te worden. Voor veel kinderen is het lastig, omdat ze in hun omgeving vaak niet op begrip kunnen rekenen. Voor veel ouders is dat moeilijk omdat zij bij school geen gehoor krijgen. Voor veel scholen is het problematisch, omdat zij daarmee hun onmacht toegeven. Wanneer zij het pesten wèl willen aanpakken, stuiten zij op beperkingen in hun bevoegdheid om ouders te betrekken of leerlingen van school te verwijderen.

Het is begrijpelijk dat vanuit de samenleving steeds harder de roep klinkt om pesten aan te pakken, er is immers vrijwel niemand die er nooit mee te maken heeft gehad of zal krijgen. De verleiding is groot om de pestkoppen keihard aan te pakken, in de veronderstelling dat een keiharde aanpak het probleem van pesten eens en voorgoed zal oplossen. Die gedachte gaat volgens ons echter voorbij aan belangrijke inzichten op het gebied van pesten. Pas als recht gedaan wordt aan de oorzaken van pesten èn aan de sociale mechanismen daaromheen, kan het verschijnsel effectief aangepakt worden.  Daarom gaan we eerst in op de vragen: Wat is pesten, wat zijn de oorzaken van pesten en wat zijn de gevolgen van pesten.

Wat is pesten?
Pesten is een vorm van sociale uitsluiting en gebeurt vrijwel altijd in de context van een groep. Je kunt daarom zeggen dat pesten groepsgedrag is, waarbij op verschillende omstandigheden en individuele kenmerken wordt gereageerd. Daarover later meer. Het grote verschil met plagen is dat bij plagen sprake is van goedmoedigheid en wederkerigheid. Het draagt op die manier bij aan een goede sfeer in de groep en er is geen sprake van slachtoffers. Bij pesten is er géén wederkerigheid of een te grote ongelijkheid daarin. Er is geen sprake van goedmoedigheid, het pestobject wordt gekwetst en buitengesloten. Daarbij is –vaak doordat er sprake is van meerdere personen tegen één-  sprake van machtsongelijkheid. Het individu kan niet tegen de groep op.

Pesten is een sociaal mechanisme dat ontstaat wanneer (groepjes) kinderen zich verenigen door middel van het uitsluiten, mishandelen of zwartmaken van één bepaald kind. Zo versterken zij hun saamhorigheid en machtsgevoel. Pesten kan op verschillende manieren voorkomen: fysiek, door mishandeling; materieel door het beschadigen van persoonlijke eigendommen; psychisch door schelden, nare bijnamen, of (voor de omgeving soms nauwelijks merkbaar) uitgesloten worden, niet mogen meedoen; of recent via de sociale media gestalkt worden, belachelijk gemaakt, gechanteerd met foto’s (cyberpesten).

Pesten is een sociaal verschijnsel. Omdat wij onze samenleving zodanig hebben ingericht dat kinderen tot hun 21e in klassikale leeftijdsgroepen doorbrengen, komt pesten vooral op scholen voor. Die sociale setting maakt individuen kwetsbaar. Maar ook in sportclubs, in de buurt, in dorpen of in (bejaarden) tehuizen komt pesten voor. Wij zullen ons in dit document vooral op pesten op scholen richten, maar het is belangrijk te beseffen dat het om groepen gaat en dat pesten op school zich ook buiten school (denk aan sportclubs, of aan cyberpesten, of op straat) voort kan zetten.

Oorzaken van Pesten.
Er zijn diverse manieren waardoor pesten kan ontstaan. Het gaat in veel gevallen om een groep (kinderen) die niet goed begeleid wordt. De grenzen en gedragsregels zijn niet duidelijk, men voelt zich niet veilig, niet gehoord of gezien. Gewone irritaties kunnen uitgroeien tot conflicten, kleinere subgroepjes kunnen samenspannen en hun macht vergroten middels het pesten van één bepaald kind.

Het slachtoffer kan volstrekt willekeurig uitgekozen worden, maar is vaak een kind dat nèt een beetje afwijkt van de groepsnorm. Aangezien de groepsnorm varieert, kan de afwijking ervan dus ook variëren. Daarnaast zijn er een paar aspecten die maken dat een kind een groter risico loopt om gepest te worden. Overgewicht is er één van (evenals andere fysieke kenmerken die afwijken van de norm). Daarnaast is (zelfs verborgen of nog niet geuite) homoseksualiteit een risicofactor, vooral bij jongens.  Meer algemeen kan men stellen dat kinderen die gendernormen voor gedrag overschrijden, risico lopen.

Sociaal onhandige kinderen lopen risico gepest te worden, omdat hun handelingen irritaties oproepen. Soms is de sociale onhandigheid of de onzekerheid juist een gevolg van eerder pesten, bijvoorbeeld op een andere school. Zo neemt het gepeste kind de problematiek met zich mee.
Zieke kinderen lopen ook het risico gepest te worden, bijvoorbeeld als ze er “anders” uitzien door medicijngebruik of een huidziekte, of als ze een speciaal dieet moeten volgen. (2)

Gevoelige kinderen lopen hoge kans het mikpunt te worden, vooral omdat ze eerder of heftiger reageren dan anderen, wat de kans op herhaling vergroot. Ook hoogbegaafde kinderen lopen risico (al dan niet in combinatie met hun gevoeliger aard) omdat zij anders denken dan hun leeftijdgenoten. Het is voor hen moeilijker zich aan te passen aan de groepsnorm. NB: dit is een belangrijke link met het achterblijven van excellentie in het Nederlandse onderwijs: als matig presteren de groepsnorm is, levert excelleren voor het individu grote risico’s op.


Pesten is schadelijk.
Pesten is een fundamenteel menselijk verschijnsel en komt overal voor. In die zin is het niet redelijk te veronderstellen dat het ooit uitgebannen zal worden. Zelfs in de dierenwereld komt pesten voor, waarbij bijvoorbeeld een groep apen het consequent op één zwakkere soortgenoot gemunt heeft.

Ondanks dat pesten bij het menselijk samenleven hoort, kan men, màg men pesten niet accepteren als iets wat er nu eenmaal bij hoort. Daarvoor zijn de gevolgen te ingrijpend. Van pesten word je niet beter, maar slechter. Het is geen manier om “hard te worden”, integendeel. Slachtoffers van pesten dragen vaak hun leven lang de sporen ervan in pijn, onzekerheid en/of een laag zelfbeeld.
Juist omdat mensen door en door sociale wezens zijn (zonder andere mensen om je heen is het niet mogelijk als mens op te groeien, denk aan wolfskinderen) is sociale uitsluiting de meest ingrijpende straf, die zelfs fysiek pijn doet.

Pesten is zeer schadelijk, het kan leiden tot ernstige psychische problemen, eetproblemen, overgewicht, sterk verminderde schoolprestaties, ziekte, arbeidsongeschiktheid en soms zelfs tot zelfmoordgedachten of –pogingen. Pesten is daarbij schadelijk voor àlle betrokkenen: allereerst voor de slachtoffers die door langdurig (langer dan 3 maanden) pesten blijvende schade oplopen, daarnaast voor de ouders van het slachtoffer, die zich boos en/of machteloos voelen. Voor de omstanders, die zich onveilig voelen en meedoen uit angst anders zelf gepest te worden. Ook voor de daders, die op korte termijn wellicht populair zijn maar niet geliefd, maar op langere termijn risico lopen op crimineel gedrag. Voor de klas als geheel heeft pesten negatieve invloed op de leerprestaties.(3)  Voor de school leidt pesten tot een slechte sfeer en minder saamhorigheidsgevoel.


Signaleren en actie ondernemen
Het is een misvatting om pesten te verklaren vanuit het gedrag van het pestslachtoffer. Veel problematisch gedrag is juist het gevolg van pesten, niet de oorzaak. Door de omgeving, soms óók door de schoolleiding of leerkracht, wordt het echter gezien als een rechtvaardiging voor het pesten (“hij of zij doet immers raar, huilt snel, kan niet van zich afbijten, trekt zich dingen te veel aan, is sociaal niet vaardig, etc”), waardoor het pesten alleen verergert en/of er geen actie wordt ondernomen.  Zelfs wanneer pestslachtoffers op school aan de bel trekken, hulp zoeken, is het niet vanzelfsprekend dat er aan hun hulpvraag gehoor wordt gegeven. In het onderzoek van Eénvandaag meldde 52% van de jongeren dat de leraar of de school van het pesten op de hoogte was, maar geen actie ondernam.(4) Veel kinderen die pesten, hebben geen idee van de impact van hun gedrag op het slachtoffer. Daarnaast moet uitdrukkelijk gezegd worden dat ook volwassenen (de leerkracht, de ouders) kunnen meedoen aan het pesten of het pestgedrag van kinderen kunnen versterken of bevestigen. Pesten is beslist niet iets van kinderen alléén. Een belangrijk probleem wat betreft het aanpakken van pesten is dan ook de signalering en het overgaan tot actie

Harde aanpak
Er wordt vaak geroepen om een harde aanpak van de pestkoppen, maar dat is om meerdere redenen geen goed idee. Ten eerste kan een keiharde aanpak zich juist tégen het slachtoffer keren, waardoor het pesten wordt aangevuld met wraak nemen vanwege die harde aanpak. Veel pestslachtoffers weten dit intuïtief en zijn daarom juist bang om het pesten aan de kaak te stellen. Het is daarom belangrijk dat het gepeste kind goed begeleid en het proces van aanpak goed gemonitord wordt.

Ten tweede zijn sommige pestkoppen juist voormalige slachtoffers, die op hun nieuwe school juist gaan pesten om te voorkomen dat zij opnieuw gepest worden. Of het zijn kinderen die thuis veel geweld meemaken of anderszins problemen hebben. Een keiharde aanpak helpt hen niet en doet ook geen recht aan hun probleem.  Pesten moet aangepakt worden, met respect voor slachtoffers èn daders om samen de goede sfeer te herstellen.

Ten derde is pesten een groepsprobleem, waarbij veiligheid, respect en een positieve communicatie hersteld of bewerkstelligd moeten worden. Alleen dan kan recht gedaan worden aan de behoefte van ieder kind. Repressie is in strijd met deze doelstelling en zal op korte termijn wellicht het pesten tijdelijk opheffen, maar op lange termijn beslist niet.

Pestprotocol

Ook op scholen met een pestprotocol wordt gepest, omdat pesten nu eenmaal overal en op elk moment kan ontstaan. Het hebben van een pestprotocol alléén is dan ook beslist niet voldoende. Het hangt van de signalering en de bereidheid tot ingrijpen èn van de professionaliteit van de leerkrachten en de schoolleiding af of het pestprotocol succesvol ingezet kan worden. De signalering is het eerste probleem.

Te vaak stuiten het gepeste kind en zijn ouders op onwil en onkunde. De oorzaak voor het pesten wordt bij hem/haarzelf gelegd, belangen van leraren of de school (overspannenheid, een vervanger voor de groep, het bewaren van de rust op school) worden boven de belangen van het pestslachtoffer gesteld. Of men voelt zich machteloos om het pesten aan te pakken, omdat de ouders van de pestkop niet meewerken of dreigen met een advocaat.

Zo kan het gebeuren dat een pestprotocol op de plank blijft liggen, terwijl de school toch het idee heeft “er alles aan te doen”.  Ook een projectweek over pesten kan contraproductief werken. De schoolleiding heeft het idee “iets” met het thema te hebben gedaan, terwijl de rest van het jaar kinderen hun gang kunnen gaan en zelfs door de projectweek op ideeën zijn gebracht.

Er zijn de laatste jaren veel bureaus opgekomen die een methodiek tegen pesten hebben ontwikkeld, bijvoorbeeld de methode "Prima". Ook het uit Finland geïmporteerde KIVA wordt breed omarmd als dé oplossing tegen pesten. Hoewel de kwaliteit van de anti-pestprogramma’s en de sociale-vaardigheden methodes variëren, moet hier gezegd worden dat:
a) geen enkel programma het pesten voorgoed kan oplossen. Zelfs het zo bejubelde KIVA programma reduceert het pesten met een fantastische 40 procent. Dat wil zeggen dat er nog steeds gepest wordt, alleen minder.(5) Het pesten is nog niet met de helft afgenomen.
b) het welslagen van anti-pestprogramma’s vooral afhankelijk is van de inzet en het enthousiasme van alle betrokkenen, en met name van de kundigheid van leerkracht om alle partijen positief te verbinden.  Over het algemeen kan gesteld worden dat je beter een goede leraar voor de klas kan hebben en géén pestmethode dan een goede pestmethode en een slechte leerkracht.

Voor een mogelijk effectieve aanpak van pesten is het daarom noodzakelijk dat:
      1. het pesten herkend wordt;
      2. het pesten erkend en benoemd wordt als pesten, en daarmee als onwenselijk;
      3. de leerkracht en de school volstrekt duidelijk maken dat pesten niet getolereerd wordt;
      4. men gemotiveerd is en de moed heeft om het pesten aan te pakken;
      5. men een goede methode ter beschikking heeft en/of begeleiding van buitenaf inschakelt;
      6. men de voortgang van dit proces voortdurend blijft monitoren en bijstellen.

Pesten voorkomen
Een goede leerkracht is zoals gezegd essentieel bij het voorkomen of aanpakken van pesten. Hoe eerder het pestgedrag wordt opgemerkt, des te minder kan pesten zich tot een groepscultuur ontwikkelen, waardoor het aanpakken ervan steeds moeilijker wordt. De leerkracht kan als mediator bij conflicten optreden, waarbij de behoeften van ieder kind worden benoemd en gezamenlijk wordt gezocht naar een oplossing voor de problemen. Het is zaak om in een klas, op een school, altijd te blijven streven naar een goede sfeer, alert te blijven op de mogelijkheid van pesten en dit tijdig te onderkennen en als ongewenst te benoemen.

Aan de pesters moet duidelijk worden gemaakt dat pesten beslist niet getolereerd wordt. Daarnaast moet besproken worden wat de gevolgen zijn van hun gedrag voor het slachtoffer. Vaak is het voor de daders helemaal niet duidelijk hoezeer hun gedrag het slachtoffer kwetst. Een herstelgesprek is  een werkzame manier om het pestslachtoffer de kans te geven aan te geven wat nodig is om de situatie te herstellen, waarna men afspraken maakt. Tegelijk wordt het welzijn van de gehele groep bewaakt.

Scholen moeten daarbij zowel de verantwoordelijkheid en regie hebben (en hierop kunnen worden aangesproken door ouders en inspectie), als de mogelijkheid om pestkoppen te verwijderen van school.(6)
Pesten is een communicatieprobleem èn een attitudeprobleem.  Vaak komen ouders en school bij pesten tegenover elkaar te staan. Men helpt elkaar niet (meer) om een pestprobleem aan te pakken, maar beschuldigt elkaar ervan dat het pesten in stand blijft. Men graaft zich in.

Noodzakelijke maatregelen:

Op grond van de voorgaande definiëring en constateringen, is naar onze mening deze volgorde van aanpak wenselijk:

I. een goede leerkracht bewaakt het welzijn en de belangen van alle kinderen in de klas en roept zo nodig hulp in, in eerste instantie van de intern begeleider;
II. de schoolorganisatie ondersteunt de leerkracht in dit streven: pesten wordt niet getolereerd en het welzijn van àlle kinderen is even belangrijk;
III. er zijn diverse methoden die ingezet kunnen worden om de sfeer in de klas te verbeteren bij bestaand pesten of die kunnen zorgen voor een goede basissfeer in de klas;
IV. scholen kunnen bij de inspectie of vertrouwenspersoon vragen wat een goede methode is voor hun school/klas/situatie;
V. de vertrouwenspersoon is onafhankelijk en kan ook door ouders/leerling benaderd worden en onderhandelt met de school en de ouders/leerling. Bij voorkeur is de vertrouwenspersoon een mediator. Indien de mediation niet tot een oplossing leidt, kunnen ouders of school zich tot de inspectie wenden. Onze voorkeur gaat uit naar een inspecteur die expert is / wordt op het gebied van pesten en de daarbij behorende groepsprocessen. De expert heeft bevoegdheid om scholen tot medewerking te dwingen en eventueel, in samenspraak met de inspectie, te sanctioneren.
VI. de inspectie bewaakt de belangen van de school èn de leerlingen. De inspectie heeft bevoegdheid om ouders èn scholen tot medewerking te dwingen en eventueel de pestkoppen van school te verwijderen.


Verwijzingen:
(1) Theo Klungers van bureau Posicom www.posicom.nl en Mieke van Stigt, sociologe en pedagoge miekevanstigt.blogspot.nl
(6) Nu gebeurt het nog veel te vaak dat gepeste kinderen niet meer naar school gaan en vervolgens geen andere school kunnen vinden die hen aanneemt.

donderdag 21 juni 2012

Het verschil tussen plagen en pesten


In De Volkskrant van 21 juni stelt een schoolhoofd het verschil tussen pesten en plagen aan de orde. Over een jongetje van 10 jaar van zijn school, dat zelfmoord heeft gepleegd, stelt hij: “Tijdens zijn schoolperiode is hij wellicht zo zijdelings gepest; hetgeen meer kinderen overkomt. En soms is het woord plagen ook van toepassing, want pesten krijgt volgens mij te vaak een zware lading.” Uiteraard weten we niet wat het betreffende jongetje ertoe heeft gebracht zelfmoord te plegen, we kunnen het hem niet meer vragen. Maar de woorden van zijn schoolhoofd stellen mij op dat vlak geenszins gerust. Het komt inderdaad voor dat kinderen of hun ouders plagen opvatten als pesten. Het belangrijkste verschil is dat bij plagen er sprake is van wederkerigheid (er wordt over en weer geplaagd) en vooral van goedmoedigheid: de bedoelingen van de plaaggeest zijn goed. Dat laatste kan wel eens niet opgepikt worden, dan is een goed gesprek tussen de twee partijen nodig. De geplaagde heeft dan vaak een achtergrond van pesten of is supergevoelig. In beide gevallen kan hij/zij daar wel wat begeleiding bij gebruiken.

Het komt echter nog veel vaker voor dat de gepeste wel degelijk juist inschat dat er sprake is van pesten en dat dit door de schoolleiding of de leerkracht niet serieus wordt genomen. Immers: dat is alleen maar lastig. Er moet een pestprotocol ingezet worden, en de leerkracht en/of het schoolhoofd moeten eens kritisch naar hun eigen functioneren kijken. Sommigen vinden dat bedreigend en geven er de voorkeur aan de situatie te bagatelliseren. Uit Brits onderzoek van de onderwijsinspectie blijkt dat het wel degelijk voorkomt dat docenten pestgedrag stimuleren.  Dat zou ik nog krachtiger willen neerzetten: in echt ernstige pestsituaties wordt het pesten gesteund door de school. Hier is nog veel te weinig aandacht voor in Nederland en het wordt tijd dat de energie en aandacht vooral gericht worden op de rol van de school bij pesten.


donderdag 24 mei 2012

Ouderbetrokkenheid als antwoord op welk probleem?


Er is de laatste maanden veel te doen over ouderbetrokkenheid. Demissionair minister van onderwijs Marja van Bijsterveldt wil ouders betrekken en reist daartoe door het land. Ook scholen en onderwijsondersteunende instanties organiseren studiedagen over het thema van ouderbetrokkenheid. Pedagoog Micha de Winter hield onlangs een prachtige lezing op een symposium over ouderbetrokkenheid in het mbo, waarbij hij pleitte voor een positieve pedagogische omgeving voor kinderen en jongeren, die bereikt kan worden door samenwerking tussen ouders en school.  Kortom: het thema van ouderbetrokkenheid lééft.

Maar op welk probleem is ouderbetrokkenheid nou eigenlijk een antwoord? De suggestie van het nieuwe pleidooi voor ouderbetrokkenheid is, dat ouders niet of niet voldoende betrokken zouden zijn. Dit wordt door het gezinsrapport 2011 van het Sociaal en Cultureel Planbureau tegengesproken: Nederlandse ouders doen het prima en besteden twee keer zoveel tijd aan hun kinderen als hun eigen ouders dat dertig jaar geleden deden. De meeste ouders zijn dus enorm betrokken, en ook de bijdrage die zij leveren aan de dagelijkse gang van zaken op scholen is veel groter dan enige decennia geleden, toen ouders nauwelijks de school binnen kwamen. Dat, terwijl ouders (in het geval er sprake is van twéé aanwezige ouders) tegenwoordig meestal allebei werken. Overigens zijn het vooral de moeders die in de school allerlei hand- en spandiensten verrichten. Scholen in Nederland lijken nog weinig ingesteld op werkende moeders: verzoeken om hulp komen vaak op wisselende momenten of worden steeds dringender (“we zoeken voor komende week nog ouders die…”) , terwijl een school met een béétje ervaring toch wel een fatsoenlijke jaarplanning zou kunnen maken. Je zou zelfs kunnen stellen dat de eisen van de school veel moeders belemmeren om méér uren te gaan werken, maar dat is een andere discussie. In ieder geval komen de activiteiten voor en rondom school dus nog eens bij hun gewone arbeids- en zorgtaken.

Bij discussies en symposia over ouderbetrokkenheid wordt gesproken over twee soorten ouderbetrokkenheid: de betrokkenheid in school (deze wordt ook wel –maar niet altijd- ouderparticipatie genoemd) en de betrokkenheid thuis. Deze twee worden vaak verward en vaak gaan discussies over ouderbetrokkenheid over de activiteiten van ouders in en rond de school. Uit onderzoek[1] blijkt echter dat driekwart van de schoolleiders vooral betrokkenheid thuis wil: dat ouders belangstelling hebben voor de schoolse activiteiten van hun kinderen en hen daarbij ondersteunen. Niet alle ouders vinden dit even gemakkelijk: ruim een kwart van de ouders (van kinderen op de basisschool) mist de instructies voor deze vorm van ouderbetrokkenheid.

Uit decennialang sociaalwetenschappelijk onderzoek[2] is bekend dat kinderen van middelbaar- en hoger opgeleide ouders, van wie het thuismilieu goed aansluit bij het schoolmilieu, daar optimaal van profiteren en dus (gemiddeld) beter presteren op school. Het is dan ook duidelijk dat deze ouders meer dan voldoende "betrokken" zijn om hun kind te ondersteunen. Zij weten hoe het onderwijs werkt en wat belangrijk is, en kunnen hun kinderen optimaal begeleiden. Ook het taalgebruik thuis speelt een belangrijke rol[3]. Kinderen van laagopgeleide ouders (en/of allochtone ouders met een lage opleiding) hebben te maken met grote verschillen tussen thuis- en schoolmilieu en met ouders die hun kind niet optimaal kunnen ondersteunen. Daarbij moet worden opgemerkt dat veel ouders wel "betrokken" zijn maar vaak de kennis missen om dit op een goede manier te doen. Een deel van de huidige discussie over ouderbetrokkenheid lijkt vooral over deze groep ouders te gaan of zich daarop te richten. Het belang hiervan is groot: als je deze ouders méér of effectiever kunt betrekken bij de opleiding van hun kind, maken die kinderen meer kans in het onderwijs en daarmee in de (toekomstige) samenleving. De meeste ouders (uit deze groepen) zijn van goede wil, maar weten niet hoe. Ze missen ofwel kennis van de Nederlandse cultuur, de Nederlandse taal ofwel de kennis en het taalgebruik die bij het schoolmilieu aansluit. Het is tegenwoordig `not done’ om al te specifiek in termen van sociale klasse te spreken. Daarom wordt er gestreefd naar `ouderbetrokkenheid’, zonder te vermelden om welke ouders het gaat (lager opgeleiden en/of allochtone ouders) en zonder het probleem te benoemen (de kloof tussen het school en het thuismilieu).

Wanneer het om het mbo gaat, wordt de term `ouderbetrokkenheid’ danig opgerekt. Het gaat immers om (ouders van) jongeren van 16 jaar en ouder. Dit is een nieuwe ontwikkeling in de geschiedenis van onderwijs en opvoeding.  Sinds 1950 gaan jongeren steeds langer naar school en halen ze steeds massaler hogere diploma’s.[4] Dat heeft enorme gevolgen gehad voor zowel het onderwijs als de jeugdperiode. Voor de jeugdperiode betekende dit dat jongeren steeds langer, onder leeftijdgenoten, een aparte plaats in de samenleving innemen. Ze hebben nog geen eigen inkomen en zijn afhankelijk van hun ouders. Ze bereiden zich voor in het onderwijs, op hun toekomst. Voor het onderwijs betekende dit, dat problemen met de arbeidersjeugd zich verplaatst heeft van de straat en de fabriek naar de school.[5] Deze ontwikkelingen zien we terug in het pleidooi voor ouderbetrokkenheid in het mbo. Enerzijds blijkt het dus heel belangrijk om deze ouders te betrekken, zodanig zelfs dat Minister van Bijsterveldt zich daar specifiek mee bezighoudt, vooral vanuit de vraag hoe dit moet als jongeren vanaf hun 18e niet meer leerplichtig zijn. Echter: het behalen van een startkwalificatie (havo, vwo of mbo 2 diploma) is verplicht voor jongeren tot 23 jaar. Om dat felbegeerde diploma voor deze moeilijke groep jongeren te bereiken, is de betrokkenheid van ouders èn de school bij de jongere essentieel.

Ook ouders hebben dus te maken met deze nieuwe jeugdperiode, en ook middelbaar- en hoger opgeleide ouders hebben soms moeite om hun opgroeiende kinderen optimaal te ondersteunen. Ouderschap stelt vaak tegenstrijdige eisen. Kinderen moeten `gelukkig zijn’ en `lekker in hun vel’ zitten, maar dat schooldiploma moet natuurlijk wel gehaald worden. De autoritaire opvoeding heeft afgedaan. Ouders die teveel dwingen worden al gauw `tijgerouders’ genoemd, ouders die te voorzichtig zijn `hyperouders’, of hun kind lijdt aan het `verwende kind syndroom’. Je doet het niet gauw goed. Zéker in de puberteit krijgen ouders te maken met een geduchte concurrentie van de vriendengroep van hun kinderen (wier normen en gedrag het doel van het schooldiploma eerder tegenwerken dan ondersteunen) en van de consumptiecultuur en digitale media (idem). Richtlijnen voor ouders ontbreken, verwijten zijn er te over. Geen wonder dat het recente boek van Marina van der Wal en Jan Dijkgraaf: Het enige echte eerlijke puberopvoedboek, binnen twee maanden na verschijning (2012) al zijn derde druk beleeft.

Maar ouderbetrokkenheid kan niet zonder schoolbetrokkenheid. Dit is ook deel van het betoog van Micha de Winter. In een (ideale) positieve pedagogische omgeving, werken school en ouders optimaal samen. Dat geldt voor peuterspeelzaal of kinderdagverblijf, basisschool, voortgezet onderwijs tot en met het vervolgonderwijs. Waar school en thuismilieu goed op elkaar aansluiten en samenwerken, heeft dat gunstige gevolgen voor het welzijn en de schoolprestaties van het kind of de jongere. Het is niet moeilijk om te zien dat dat vooral gaat lukken als het culturele milieu van de ouders goed aansluit bij dat van de school. Maar dit geldt net zo goed andersom: ook de opstelling en de inzet van de school is belangrijk. Het gezag van de school is niet meer vanzelfsprekend. Met de democratisering en emancipatie zijn ouders niet langer – zoals vroeger- bereid om met ontzag naar school te luisteren. Niet alleen zijn ouders tegenwoordig vaak goed opgeleid, ook is de hiërarchische structuur uit de samenleving grotendeels verdwenen en heeft de `schoolmeester’ aan gezag verloren. Ouders zijn gesprekspartners geworden, en sommige scholen kunnen daar maar moeilijk aan wennen.

In de nieuwe, moeizame overlegcultuur tussen scholen en ouders zijn het niet alleen de ouders die het wel eens af laten weten. Want lang niet altijd nemen scholen verantwoordelijkheid voor problemen van kinderen binnen de school. Zoals bijvoorbeeld bij pesten. In het ideale geval wordt pesten meteen aangepakt, ligt er minimaal een pestprotocol dat op de juiste manier ingezet wordt of is er een sociale vaardigheidstraining die meteen en effectief ingezet kan worden. Maar het komt nog steeds voor dat scholen en docenten liever een andere kant op kijken of de `schuld’ van de problemen bij de leerling leggen en vervolgens niets doen. Ouders moeten soms vechten voor hun kind, tégen de school. Zo kan het gebeuren dat er kinderen thuis zitten omdat er `geen school voor ze te vinden is.’ De recente discussie over ouderbetrokkenheid riep ook om die reden veel weerstand op: het recht van ouders (van kinderen met ontwikkelingsstoornissen) werd niet in de wet vastgelegd.[6] Kortom, waar ouderbetrokkenheid gepaard zou moeten gaan met schoolbetrokkenheid, is dit nog lang niet goed geregeld. Dit is belangrijk, want scholen hebben een heel andere machtspositie dan ouders. Niet altijd is een andere school eenvoudig gevonden (het kan heel moeilijk zijn je kind geplaatst te krijgen), maar ook als er kleine conflicten zijn is de machtspositie verschillend. Ouders vinden het vaak lastig om problemen bij de school aan te kaarten. Ze willen leerkracht en schoolleiding `te vriend’ houden en zijn bang dat eventuele conflicten gevolgen zullen hebben voor hun kind.

Conclusie: ouderbetrokkenheid is vooral het antwoord op problemen van veranderingen in de samenleving. Die problemen zijn grotendeels op het bord van de scholen komen te liggen, die op hun beurt óók niet meer dezelfde maatschappelijke positie hebben als voorheen. Samenwerking met de ouders is daarom essentieel geworden, maar samenwerking kan alleen op basis van wederkerigheid en wettelijke gelijkheid. De rechtspositie van ouders zal dus beter geregeld moeten worden en wederzijdse rechten en plichten zouden voor alle partijen duidelijk moeten worden afgesproken. In dit licht is een contract nog niet eens zo’n gek idee. Maar dan geen oudercontract, maar een samenwerkingscontract. Daarnaast is inzicht belangrijk: in de verschillen tussen thuismilieu en schoolmilieu, in de specifieke problematiek van verschillende scholen en verschillende ouders. Niet om te labelen of te stigmatiseren, maar om optimaal te kunnen streven naar samenwerking tussen ouders en scholen. In het belang van het kind en daarmee in het belang van de samenleving.


[1] Bron: Volkskrant 23 mei 2012, verwijst naar onderzoek van Ecorys
[2] Bijvoorbeeld: J. Dronkers en P.M. de Graaf: Ouders en het onderwijs van hun kinderen. In: Dronkers, J. en P.M. de Graaf. Ouders en het onderwijs van hun kinderen. In: J. Dronkers en W. Ultee (red.): Verschuivende ongelijkheid in Nederland: sociale gelaagdheid en mobiliteit. Assen: Van Gorcum, 1995 (46-66). http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=76866
[3] Zie bijvoorbeeld het promotieonderzoek van NWO-onderzoeker Lotte Henrichs: http://www.nwo.nl/nwohome.nsf/pages/NWOP_84PGTV
[4] Te verwachten is dat deze trend zal afremmen, zeker nu de studieduur beperkt is en studeren en overstappen steeds duurder wordt.
[5] Dit is een wel heel korte samenvatting van een lang en ingewikkeld verhaal. Zie ook mijn lezing op  http://miekevanstigt.blogspot.com/2012/04/langer-of-korter-naar-school.html; Christien Brinkgreve: Vroeg Mondig, Laat Volwassen (2004) en: P. de Rooy: Vetkuifje waarheen? Jongeren in Nederland in de jaren vijftig en zestig. (1986)