maandag 5 september 2016

Hebben jullie mijn website al gezien?

Lieve allemaal

In 2011 begon ik dit blog. De ruim 80 blogs die ik plaatste zijn bij elkaar meer dan 65.000 keer gelezen. Dank daarvoor!

Maar het werd natuurlijk de hoogste tijd voor een eigen website,
die is er nu: www.miekevanstigt.nl

In de komende tijd ga ik de blogs van deze site overhevelen naar mijn eigen webstek. Daar houd ik jullie op de hoogte van mijn activiteiten en zullen ook eventuele nieuwe blogs worden geplaatst.

voor nu: dank voor het lezen!

Mieke van Stigt

p.s. wie mij wil bereiken: info@miekevanstigt.nl

volg mij op Twitter! @miekevanstigt

en koop mijn boek hier ! 

woensdag 11 mei 2016

Wat is er mis met het Vinkje?

Onlangs publiceerde ik een column op Sociale Vraagstukken, waarin ik kritiek uitte op het Voedingscentrum. Door te kiezen voor Het Vinkje op sommige producten kozen zij eerder voor het bedrijfsleven dan voor de consumenten, zo stelde ik. De keuze voor de Vinkjes sluit beter aan bij marketing, dan bij de situatie van consumenten die zich een weg moeten banen door de dagelijkse voedingsjungle. In die jungle is de Schijf van Vijf echt nergens te bekennen.
Kort daarop verscheen er in De Volkskrant een opiniestuk van een groep mensen met gezonde belangstelling voor Echt Eten, waarin zij (waaronder ikzelf) het Voedingscentrum opriepen te stoppen met die Vinkjes.

Er zijn veel mensen die niet begrijpen wat er mis is met de Vinkjes. Een greep uit de reacties die ik kreeg: ze zijn toch goedgekeurd door de Europese Commissie (is dat zo? ja) en het Voedingscentrum heeft toch het beste met de mensheid voor? Waarom toch zo negatief? En bovendien, een betuttelende overheid, dat willen we toch niet? Straks krijgen we hier Noord-Koreaanse toestanden! En mensen kiezen toch zelf, zijn toch geen slachtoffers? Ze zijn zelf verantwoordelijk voor hun overgewicht, en door ze slachtoffer te noemen geef je ze toch alleen maar een vrijbrief om nóg meer te gaan schransen?

Daarom in dit blog toch nog een poging tot toelichting.

Ik weet niet of het Vinkje een puur commercieel oogmerk heeft of had en of het Voedingscentrum erop uit is ons bewust te misleiden. Het lijkt me eerder een gevolg van twee ideologische opvattingen, namelijk ten eerste dat consumenten bewust kiezen en ten tweede dat de overheid moet samenwerken met het bedrijfsleven. Waarom zijn dit ideologische keuzen?
Dat mensen maar zeer beperkt bewust kiezen, blijkt uit psychologisch onderzoek, dat is allang bekend. Van alle beslissingen die met eten te maken hebben zijn er maar een kleine minderheid echt bewust. (Zie daarvoor: Asha ten Broeke en Ronald Veldhuizen: Eet mij).

De nadruk op bewust kiezen is ideologisch omdat deze de mens definieert als consument in een markt, waarbij de individuen als bewust acterend worden voorgesteld. Een markt van bewust kiezende consumenten dus. Het totaal van deze bewuste keuzes is dan de marktwerking, die als drijfveer voor onze samenleving wordt gezien: marktwerking leidt vanzelf tot een optimale situatie. Dat betekent ook dat je als overheid de bedrijven niet moet inperken, omdat de markt uiteindelijk vanzelf wel het goede. Dat betekent óók dat  de consumenten daarvoor verantwoordelijk zijn. Dat is de tweede ideologische keuze. (Lees Paul Verhaeghe, Identiteit) In de praktijk blijkt dit keer op keer een misverstand. Bedrijven zijn er om winst te maken. Daarbij rekken zij de grens van wat mag, steeds zo ver mogelijk op. Gezondheid is niet hun doel, niet hun belang. Verkopen wel. Samenwerken met bedrijven berust dus op een geloof dat ze uit zichzelf wel het goede zullen doen, maar dat blijkt keer op keer vooral het goede voor zichzelf: meer verkopen, meer winst. Geloof in de werking van de "markt" is dus een ideologische, en met het oog op de volksgezondheid bepaald geen goede keuze. 

Het Vinkje past in dit ideologische model, omdat bedrijven hiermee “voorlichting” kunnen geven. Ja, er komen ook Vinkjes voor op gezonde producten, maar niet alle gezonde producten hebben een Vinkje. Daarbij is het tweede Vinkje, de “gezondere keuze in de productgroep” ronduit misleidend, omdat lijkt alsof het om een gezonde keuze gaat. In werkelijkheid is het hooguit een iets minder slechte keuze (als je kijkt naar vet, suiker of zout) maar komt het niet in de buurt van gezond. Veruit de meeste consumenten begrijpen dit niet, er is ook vrij veel kennis voor nodig. Bovendien staat nergens wat die productgroep precies is, en of die productgroep überhaupt in de Schijf van Vijf.  De uitwerking van dit Vinkje is vooral dat producten “onder de radar” komen: mensen willen wel opletten op wat gezond is, maar denken dan eerder dat dit product wel meevalt, het wordt door hun ongezondheidsradar niet langer opgemerkt. Het is onnodig te zeggen dat vooral fabrikanten hiervan profiteren, het is zelfs een centraal punt in hun marketingstrategie. Verleiden en misleiden.
Mijn punt (en dat van vele critici) is dat de overheid (in casu het Voedingscentrum) vooral aansluit bij de zojuist beschreven ideologie van de markt en dús de belangen van de producenten. Die liever een zweem van gezond suggereren en zo gebruik maken van een Vinkje.

Vanuit het oogpunt van een onafhankelijke voorlichter (wat het Voedingscentrum zou moeten zijn) zou een model met drie Vinkjes: gezond, twijfelachtig en ronduit ongezond gepropageerd moeten worden (een soort stoplichtmodel dus, dat juist met heel veel lobbygeld vanuit de voedingssector is tegengehouden!). Of twee Vinkjes: gezond en twijfelachtig. Maar dan echt op ALLE producten, zodat de consument ook echt zou kunnen vergelijken. Dit lost nog steeds het feit niet op dat de meeste keuzes onbewust plaatsvinden, maar zou vanuit het perspectief van voorlichting ten minste eerlijk zijn. Het feit dat fabrikanten moeten, of vrijwillig kunnen, bijdragen aan het verkrijgen van een Vinkje, maakt dat dit Vinkje eerder marketing is dan voorlichting. Commercieel als gevolg van een bewuste keuze van het Voedingscentrum, zou je kunnen stellen.

Daarnaast heeft de overheid in diverse rapporten steeds gesteld dat de “gezonde keuze steeds de makkelijkste” moet zijn. In de praktijk is hiervan niets terug te vinden, de ongezonde keuze is steeds veruit het makkelijkst, het verleidelijkst, het overvloedigst aanwezig en het goedkoopst. Ook in het beleid is hiervan zeer weinig terug te vinden, omdat de overheid geen beperkingen aan bedrijven wil opleggen of omdat gemaakte afspraken niet worden nageleefd, zie bijvoorbeeld het rapport over kindermarketing van Foodwatch. Vrijwel alle producten gericht op kinderen (van K3 tot Cars tot Disney tot Kabouter Plop) zijn ongezond. En je maakt mij niet wijs dat deze producten niet voor kinderen onder de 6 jaar zijn – wat bedrijven zeiden te hebben afgesproken.

En de voedingsjungle blijft onaangetast. Nog steeds moet je bij vrijwel alle kassa’s langs een snoepfuik. Terwijl je staat te wachten, word je aan maximale verleiding blootgesteld. Dat dit werkt, komt doordat de marketeers heel goed weten dat de meeste voedingskeuzes onbewust worden gemaakt. Dat kun je hen niet kwalijk nemen, dat is hun doel. Hoe meer wij eten (en hoe ongezonder, omdat bewerkte producten meer geld opleveren en leiden tot nóg meer eetlust) hoe beter voor hun gezondheid, dat wil zeggen: hun portemonnee.

En nog steeds staan er frisdrankautomaten in scholen, liggen er koeken en snacks in de “gezonde schoolkantines” (toegegeven, er is meer aanbod van gezond gekomen, maar verleiding is er nog steeds). Nog steeds draaien sportkantines (!!) op chips, patat, kroketten en bier.
Dat betekent dat alle verantwoordelijkheid op de schouders van de consument komt te liggen, óók op jonge consumenten, buiten de aanwezigheid van hun ouders (op scholen dus). Keuzevrijheid is een groot goed, maar de gezonde keuzes zijn veruit het duurst en het ingewikkeldst, de verleiding is nog altijd groot. In de dagelijkse voedseljungle komt het aan op zelfbeheersing, kennis, geld en vooral: een steunende omgeving. En deze voorwaarden zijn niét gelijk verdeeld. Laten we eerlijk zijn: overgewicht is in hoge mate een armoedeprobleem. Dat heeft te maken met genen, voedingspatroon (waarin je opgroeit), met geldgebrek, lage status en sociale stress en in veel gevallen laaggeletterdheid of een lagere begaafdheid. Natuurlijk moet ik oppassen met deze woorden, het geldt niet voor iedereen. Maar als je de cijfers erop naslaat, kom je tot dezelfde bevindingen. Een gezond voedingspatroon in deze tijden kost niet alleen geld, maar vergt ook kennis, inspanning en een steunende sociale omgeving.


Op het moment dat ik dit schrijf zit ik op het Franse platteland. Ook hier zie je veel mensen met overgewicht, maar wat wil je? Er heerst armoede, en de boontjes kosten 7 euro per kilo. Snoep, frisdrank en chips kosten bijna niets. Kijk maar eens wat ze bij de Franse Aldi verkopen, de winkel voor arme mensen: koek, snoep en chips. Het is de enige troost en de enige vorm van luxe voor de mensen hier, wat zouden ze eraan hebben om zichzelf ook dit nog te ontzeggen? Zelfs als ze 10 kilo zouden afvallen, dan nog hebben ze overgewicht, maar missen ze het enige stukje troost dat ze kunnen betalen. Het verandert niets aan de uitzichtloosheid van hun positie, maar zorgt er wel voor dat ze alleen staan. Eten is immers naast een vorm van troost ook een sociaal gebeuren… Professor Seidell geeft als ultieme tip: zorg dat je een stressvrij leven hebt. Hoe moeten de mensen aan de onderkant van de samenleving hier in vredesnaam voor zorgen?

Het Voedingscentrum zou zich moeten gaan bezighouden met deze realiteit van consumenten. Om te beginnen door de Vinkjes op àlle producten te zetten (en zich zo los te weken van het verdienmodel waarin sommige fabrikanten de indruk van gezond kunnen kopen). Dan pas kun je als consument vergelijken. Bovendien zouden er handleidingen moeten komen hoe je overleeft in de voedseljungle: bijvoorbeeld door meer nadruk op het eten van drie goede maaltijden per dag. Niks halvarine, niet beknibbelen op roomboter, maar drie voedzame maaltijden met veel eiwitten, groenten en fruit. Met een volle maag ben je zoveel beter bestand tegen verleiding.

Daarnaast zouden sommige omgevingen beschermd moeten worden, zoals scholen. Kinderen en jongeren brengen lange dagen op school door, waarom zou daar geen gezonde maaltijden beschikbaar moeten zijn? Ik wil geen kind een hap eten opdringen, maar als het aangeboden wordt, als samen gezond eten gewoon wordt, als er voor de niet-ontbijters boterhammen liggen en als er aan het eind van de ochtend een gezonde maaltijd klaarstaat, denk ik dat er heel wat minder jongeren in de supermarkt te vinden zouden zijn, met hun energy drinks en roze koeken. Hoezo is dit de verantwoordelijkheid van ouders? We hebben met de leerplicht kinderen toch juist uit de handen van ouders losgemaakt, overdag? Waarom zouden scholen dan niet, als wettelijke plaatsvervangende ouders van die uren, als een verantwoordelijke ouder voor die kinderen zorgen? Dat geeft bovendien mínder ongelijkheid: door steeds te verwijzen naar de verantwoordelijke ouders zijn juist die kinderen de dupe die het minder getroffen hebben. Die zonder ontbijt op school komen. Die van huis uit vooral armoede, stress en slecht eten meekrijgen.

En er is nog iets: de keuzeideologie leidt ook nog eens tot stigmatisering. Niet het ongezonde eten, maar overgewicht wordt gezien als problematisch. Tegen alle wetenschappelijk bewijs in heerst de gedachte dat overgewicht een eigen keuze is. Zelfs bij kinderen, die weinig te kiezen hebben. Zelfs bij kinderen nauwelijks overgewicht hebben, maar die van zichzelf (er is een tamelijk grote variatie in gewone mensen en dus gewone kinderen) iets zwaarder zijn. Deze kinderen worden nu al nagewezen: “jij zult wel elke dag bij de snackbar eten” terwijl de dunne kinderen straffeloos hun koeken en fris naar binnen werken. Je dunne lichaam is je vrijbrief, als “bewijs” van goed gedrag – daarbij maar even negerend dat niet iedereen dezelfde genen heeft. Nu worden vooral de pechvogels in de samenleving gestraft, voor hun vermeende “onmatige” gedrag en vermeende gebrek aan wilskracht. De borstkloppers gaan naar de sportschool en worden daarvoor uitgebreid gecomplimenteerd. En stappen vervolgens in hun dure auto.

Onder het motto Eigen Verantwoordelijkheid wordt niet alleen de sociale invloed (groepsdruk en sociale stress) ontkend, maar ook de gevolgen van marketing en de overload aan ongezond voer aan individuele fouten geweten. Eigen Schuld. En het erge is dus dat het Voedingscentrum hieraan bijdraagt, door eetgedrag te zien als iets individueels in plaats van iets wat bij uitstek sociaal bepaald is. En door, via de keuzeideologie, de verantwoordelijkheid bij de Consumenten te leggen. Zo worden de gevolgen van een voedingsindustrie die op volle toeren draait om ons vol te stoppen met rommel op de schouders gelegd van de grootste pechhebbers in de samenleving. Beleidsmaatregelen worden met felheid tegengehouden: betutteling, indoctrinatie, Noord-Korea! We willen toch geen "nanny-state"? Alsof het gezond maken van scholen ook maar iets van de keuzevrijheid in de weg staat... Alsof pubers van 12 bewust kiezen om als eenling hun stukjes komkommer te eten, terwijl de anderen naar de snackbar gaan... Zelfs Seidell draagt vooral argumenten aan om vooral geen groenten op scholen te serveren, omdat ouders dat als betuttelend zouden zien. Nee, ook hij houdt het liever bij voorlichting. 

Als het Voedingscentrum echt iets voor de Nederlandse bevolking zou willen doen, dan zou het moeten beginnen met het kiezen voor de gezondheid van de burgers. Door te kijken hoe hun dagelijkse voedingsrealiteit is. Door te helpen om gezond eten voor iedereen ook mogelijk te maken. Dan krijgt het Voedingscentrum van mij ook weer een Vinkje.  

zondag 6 maart 2016

Een kerel in een supermarkt

Mijn onbetaalbare vent heeft gereageerd op de column van Eva Hoeke in het Volkskrant Magazine van deze week. Zij beschreef hoe haar man thuis kwam met allerlei ongevraagde boodschappen, inclusief kattenkorrels, maar niet het enige artikel waarom zij gevraagd had, namelijk mayonaise. Dit leidde tot allerlei bespiegelingen over mannen in de supermarkt, die zich door primaire instincten zouden laten leiden.

"Een kerel in een supermarkt is als een vos in een kippenhok"

aldus Eva. Lees hieronder de reactie die mijn kerel stuurde:

Beste Eva ,

je hebt het wat boodschappen doen niet getroffen met je man.
ik kom zelden bij de AH , en juist dan neem ik wel de bonuskaart mee omdat ik er speciaal naar toe ga.
ik koop alleen wat ik wil , ik eet nooit worst , ribbelchips of frisdrank , en bier drink ik ook niet.
ik laat me absoluut niet leiden door felle kleurtjes of andere reclame of andere volgens jou primaire driften ,
je hebt een bijzonder beeld van de man , waar in mijn geval niets van klopt.
de zware artikelen zet ik altijd het eerst op de band , die belanden dus altijd het eerst in de kartonnen kratjes die ik gebruik.
dus nooit zijn er dan geplette witte bolletjes of tomaten te vinden.
de eventuele demonstratrices in de winkel negeer ik volkomen , geen behoefte aan om 08.00 uur op zaterdag morgen als ik croissanten haal
voor mijn wederhelft en onze dochter.

met vriendelijke groeten , R , woonplaats.


p.s : we hebben geen kat.

donderdag 21 januari 2016

Sociale uitsluiting is niet dierlijk!

In zijn artikel “Het zijn net beesten” geeft Maarten Keulemans in De Volkskrant van 16 januari j.l.  zijn visie op de vraag waarom groepen mensen de neiging hebben om andere groepen mensen af te schilderen als beesten. Hij noemt dat terecht “dehumaniseren”, ontmenselijken. Als voorbeeld noemde hij de broodje-aapverhalen over vluchtelingen die koikarpers uit een vijver zouden hebben gejat, of dat Vietnamese nieuwkomers de honden zouden opeten. De buitenlander die rare, dierlijke dingen doet. Keulemans bevestigt niet alleen dat mensen van nature xenofoob zijn, maar stelt dat het nog erger is: dat ook de neiging om anderen te dehumaniseren, het ontmenselijken van de ander, een “diep menselijke, universele reflex” is. Die ander hoeft niet eens van een ander ras te zijn, zelfs studenten van een andere universiteit worden in een testsituatie al minder snel herkend als menselijk. “Zie daar de aap die alles buiten zijn kringetje veracht.” Waren we daarin maar wat minder dierlijk, verzucht Keulemans.

Uitsluiting is niét dierlijk

Ik heb goed nieuws voor hem: daarin zíjn we ook wat minder dierlijk. Juist het dehumaniseren van de ander, ook al is het een student van een naburige universiteit, is bij uitstek mensengedrag. Of veel liever: menselijk groepsgedrag, sociaal gedrag dus. Want inderdaad hebben we de reflex om anderen snel in te delen in “wij” en “zij”. Alleen: wie die wij en zij zijn, verschilt nogal. We leven allang niet meer in relatief gesloten stamgroepen op de steppe en onze niveaus van identificatie lopen dus enorm uiteen: van ons gezin, onze familie, onze vriendenkring tot de buurt, de school, ons werk, de sportclub, onze stad of ons dorp, mensen van onze huidskleur of ons geloof, mensen die ook in Nederland, Europa, de wereld wonen. Op al deze vlakken vinden processen van identificatie en desidentificatie plaats en géén van die processen verloopt hetzelfde.

Sociale, menselijke processen

Dit zijn bij uitstek sociale processen. De vraag wie bij “ons”  hoort wordt niet op individueel, maar op groepsniveau beantwoord en daar zijn, ook zichtbaar op de sociale media, felle debatten over. Ons vermogen tot empathie voor de ander is inderdaad dierlijk en aangeboren: als er een ernstig ongeluk gebeurt voor onze ogen schrikken we daarvan vóórdat we doorhebben van welke kleur, ras, geloof, godsdienst of voetbalclub het slachtoffer is. Het uitschakelen van deze natuurlijke empathie is bij uitstek een sociaal proces, via definities als hierboven beschreven. Die zie je ook in de klas, waarin een willekeurig kind wordt bestempeld als asociaal, heeft luizen, stinkt, is altijd agressief. Die definities dienen ervoor om het pesten, het buitensluiten, zowel onzichtbaar te maken (want de schuld van het slachtoffer zelf) als te rechtvaardigen. En dat kind is willekeurig gekozen, is niet per sé van een andere kleur, ander geloof, andere voetbalclub enzovoorts. Het is er gewoon één van ons. Onze natuurlijke empathie voor de ander wordt uitgeschakeld in een groepsproces. En neemt iemand het voor het slachtoffer op, dan volgen er sancties. Veel anderen pesten mee, uit angst om anders de volgende te zijn. Dat zie je ook in bedrijven, waarin de nieuwkomer wordt gepest of een werknemer door zijn of haar collega’s  psychisch wordt mishandeld. Je ziet het in tehuizen waarin sommige bewoners niet aan tafel mogen koffie drinken of nooit mogen bepalen wat er op tv is.

Het misverstand biologie

Juist het bestempelen van deze processen van uitsluiting als “natuurlijk” verdoezelt het feit dat het hier gaat om sociale processen die weliswaar een functie hebben (het geleiden van spanningen in en tussen groepen) maar die geenszins onvermijdelijk, natuurlijk of gezond zijn. Nog belangrijker: in deze vorm komt pesten niet in de dierenwereld voor. Natuurlijk testen kleine aapjes het leiderschapsvermogen van de grote apen, maar als ze het te gek maken, wordt er wel degelijk ingegrepen. Als je denkt dat het natuurlijk is, dan hoort pesten nu eenmaal bij kinderen. Dan kijken scholen de andere kant op of verzuchten dat kinderen nu eenmaal wreed zijn. Dan doen werkgevers niets, ook al is de sfeer verziekt en kost het pesten het bedrijfsleven miljarden per jaar. Als je beseft dat pesten een uiting is van sociale spanningen, een symptoom van een verziekt groepsproces, dan weet je dat je aan de bak moet. Dan kun je als leerkracht, schoolleider, bedrijfsleider, burgemeester of als staatshoofd leiderschap laten zien: wat zegt dit gedrag over ons? 

dinsdag 22 september 2015

Drie dingen die je echt moet weten over pesten

Het is de week tegen pesten, en de media staan bol van de aandacht. Nu is het risico groot dat de meesten volgende week opgelucht ademhalen en overgaan tot de orde van de dag. Er is immers al zoveel waar het onderwijs aandacht aan moet besteden, tegenwoordig.

Daarom even heel kort: drie dingen die je echt moet weten over pesten.

1.      Wat is pesten?

Wat is pesten eigenlijk? Vaak wordt verwezen naar de omschrijvingen van pesten, zoals het fysieke mishandelen: schoppen, duwen, knijpen, slaan; het verbale mishandelen: schelden, beledigen, dreigen, belachelijk maken; het materiële beschadigen: spullen kapot-, kwijtmaken of opeisen en het sociaal buitensluiten of negeren.
Dit zijn symptomen van pesten. Zoals je griep kunt beschrijven aan de hand van snot, pijn en koorts, kun je pesten op deze manier beschrijven. Het pesten zelf is net als de griep de overkoepelende verklaring voor de symptomen: pesten is het doelbewuste en structurele proces van sociale buitensluiting en beschadiging door een groep.

2.     Hoe herken je pesten?

Het probleem bij pesten is dat je het als leerkracht, ouder of betrokkene niet altijd ziet. Een belangrijk onderdeel van pesten is namelijk de definitie van het slachtoffer: deze wordt steevast (met verwijzing naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen) negatief gelabeld: iemand is “een na-aper”, hij “stinkt” of is dik, lui, gemeen, agressief of “niet weerbaar”. Hierdoor gaan mensen oprecht geloven dat het pesten aan het slachtoffer te wijten is. Zo lijkt het geen pesten, maar deugt de persoon gewoon niet. Zelfs leerkrachten en scholen kunnen hierin meegaan: door het vervelende gedrag (voortdurend klagen dat hij of zij gepest wordt) hebben zij een probleem.  Maar al te vaak verlaat het slachtoffer de school, in plaats van dat het pesten actief wordt aangepakt. In de pestende groep ontstaat vanzelf een nieuw slachtoffer…
Hoe herken je pesten? Aan de symptomen die onder punt 1. genoemd werden, maar vooral aan het feit dat deze steeds dezelfde persoon treffen en dat er in de groep een zekere consensus is dat het aan het slachtoffer ligt. Het zijn géén incidenten, maar vallen in een patroon. Het gedrag van het slachtoffer (huilen, overgevoelig, onzekere uitstraling) is meestal juist het gevolg van pesten. Een weerbaarheidscursus heeft alleen zin als de pestende groep aangepakt wordt, want in een zieke omgeving zal niemand gezond worden. Elk gedrag dat de gepeste vertoont, wordt immers negatief gelabeld? Dus ook het weerbare gedrag. Je ziet zelfs dat een slachtoffer dat écht voor zichzelf opkomt, meestal met veel geweld door opgebouwde frustratie, van school gestuurd wordt wegens “gedragsproblemen”. Of erger, zie de trieste steekpartij in Voorburg.

3.     Wat helpt nou echt tegen pesten?

Pesten is alleen op te lossen door het te zien als een probleem van de hele groep. Er is in de groep blijkbaar een evenwicht ontstaan ten koste van één of meerdere personen. Er zijn mensen die dit “natuurlijk” noemen, onvermijdelijk, het hoort er nu eenmaal bij, maar die zien over het hoofd dat in een onveilige groep alle betrokkenen onder de sfeer lijden. Je ziet dat kinderen vooral druk zijn met elkaar en met hun positie in de klas. Ze komen amper toe aan leren, aan zichzelf ontwikkelen als stabiel en positief mens, want daarvoor zijn juist rust en veiligheid nodig.
Pesten is dus een probleem van de groep en daarmee een leiderschapsprobleem. Op scholen geldt dat leerlingen gedwongen zijn daar elke dag naartoe te gaan, de kinderen zijn aan elkaar overgeleverd. Dit maakt scholen medeverantwoordelijk. Daarnaast spelen volwassenen niet zelden een legitimerende rol bij het pesten: een kind dat bij de leerkrachten niet geliefd is, is extra kwetsbaar bij pesten. Leraren doen niet altijd mee aan het pesten, maar ondersteunen dit wel door halfbakken op te treden of het slachtoffer openlijk af te wijzen: jij bent een zeurpiet. Of tegen de ouders: uw kind moet maar eens wat weerbaarder worden.

Wat echt helpt tegen pesten is inzicht in pesten als groepsprobleem en een krachtige stellingname en samenwerking van het hele team voor een veilige en gelukkige school. Dat komt de leerprestaties, het werkplezier en het levensgeluk van álle betrokkenen, docenten en leerlingen, ten goede. Wie wil dat nou niet?


Lees echt alles over pesten in mijn boek: Alles over Pesten


https://www.boompsychologie.nl/product/2395/Alles-over-pesten

vrijdag 21 augustus 2015

Alleen maar zinnige adviezen. Boekrecensie het Antidieetboek van Eetschrijver Gerrit Jan Groothedde

Tijdens mijn vakantie las ik met ontzettend veel plezier Het Antidieetboek van “Eetschrijver” Gerrit Jan Groothedde.

Om te beginnen moet iedereen dit boek lezen. Of je nu op dieet wil, of juist niet. Of je jezelf nu te zwaar vindt of niet. Dit boek staat boordevol kennis over ons voedingspatroon en vooral: over de markt en de kwaliteit van ons voedsel.

De grootste veroorzaker van de toename van obesitas en onze problemen met onze gezondheid is – en dat laat Groothedde op vele manieren zien-  ons eetpatroon en met name de manier waarop deze door de supermarkten en  de voedings- en frisdrankindustrie wordt vormgegeven. Deze industrie is er namelijk vooral op gericht ons zoveel mogelijk te laten consumeren, gemaksvoedsel is niet alleen gemakkelijk, maar ook maximaal verslavend: we eten er teveel van, en willen steeds meer. Daarbij worden we aan alle kanten misleid, bijvoorbeeld omdat eindeloze marketing ons heeft laten geloven dat tussendoortjes normaal zijn, en je hooguit kunt kiezen voor een ‘gezond tussendoortje’, bijvoorbeeld een stuk ontbijtkoek dat voor bijna de helft uit suiker bestaat. Bovendien eten we vooral heel veel van hetzelfde, met name waar het brood betreft. Ons voedingspatroon is op die manier losgezongen van wat ons lichaam nodig heeft.


Groothedde heeft een nieuwe manier gevonden om terug te keren naar een gezond-verstand eetpatroon op basis van contact met je lichaam en bewuste keuzes voor gevarieerd eten. – en viel daar zelf 35 kilo mee af (waarbij hij nadrukkelijk zegt dat dit gebaseerd is op ervaringen van één persoon). Deze manier is géén dieet, maar een leefpatroon en de Eetschrijver presenteert zich nadrukkelijk niet als een goeroe, maar reikt hooguit kennis en inzicht aan, de rest moet je zelf doen.

Dat laatste lijkt me op basis van dit boek nog niet helemaal makkelijk, niet alleen ontbreken concrete menu’s of lijstjes (logisch, omdat je het zelf moet doen, maar dat maakt de drempel wat hoger), ook sluit de nieuwe leefwijze niet echt aan bij de inrichting van de samenleving, de sociale omgeving, de werkplek. Voor mij blijft het allemaal nog wat abstract, zeker gezien het feit dat ik bij het koken ook rekening te houden heb met een hardwerkende (en zeer kieskeurige) man en een schoolgaande puber (idem). Maar ik denk dat iedereen die dit boek leest zich in ieder geval eens achter de oren gaat krabben bij de inzichten uit dit heerlijk leesbare boek. En wat je er vervolgens mee doet, is aan jou.

Okee, één tipje van de sluier dan (want dat boek moet je echt lezen): neem je calorieën niet tot je in vloeibare vorm. “Smoothies doen niets voor je wat de ingrediënten in ongepureerde vorm niet veel beter doen. Je lijf snapt echt totaal NIETS van smoothies.”


Veel leesplezier!

Gerrit Jan Groothedde: het Antidieetboek. Afvallen zonder kuren of andere fratsen volgens Eetschrijver. Uitgeverij Spectrum 2015.

maandag 25 mei 2015

Het geweten van de sjoemelaar. Voedselveiligheid in historisch perspectief

Wat drijft de overtreder van de regels gericht op voedselveiligheid? Een historisch perspectief op menselijke motieven in dierlijke voedselschandalen.
(Dit artikel verscheen eerder in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, nummer 3, 2014)

Met regels staan we op gespannen voet. We ervaren ze als nodig, en tegelijkertijd zien we ze maar al te vaak als hinderlijk en beperkend. Iedereen gaat op zijn eigen manier met regels om, dus is de vraag niet óf we regels overtreden maar eerder wélke regels we overtreden en hoeveel of hoe vaak. Een glijdende schaal dus.
Maar wat als de regels er zijn om de veiligheid van anderen te garanderen? Meer specifiek: Wat gaat er om in het hoofd van bijvoorbeeld degene die met voedselveiligheid sjoemelt? Die, zoals begin dit jaar in het nieuws was, onduidelijk paardenvlees verkoopt als rundvlees? Ontkenning? Bagatellisering? Winstbejag of angst? Zijn de motieven om te sjoemelen persoonlijk van aard, of zijn er perverse prikkels vanuit de markt? Waar ligt de grens en wat is de rol van de overheid?

Voedselveiligheid door de tijd
Het knoeien met voedsel is beslist niet voorbehouden aan onze tijd. De sociologe Anneke van Otterloo schreef het prachtige boek Eten en eetlust in Nederland 1840-1990. (1) Met de verstedelijking en industrialisatie in de negentiende eeuw, werd er steeds meer voedsel verder van huis geproduceerd (en kwam er ook steeds meer voedsel beschikbaar). Dat gaf uiteraard problemen van productie op grotere schaal, van transport en houdbaarheid, maar er werd ook al veel geknoeid. Over de periode rond 1840 schrijft ze: ‘Van melk werden in de grote steden geen grote hoeveelheden gebruikt, omdat zij duur was en zelden onvervalst te krijgen viel. Er werd praktisch altijd water uit de pomp, sloot of gracht aan toegevoegd en om het mengsel natuurlijker te doen lijken, maakten melkslijters gebruik van meelsoorten, lijnolie of fijngewreven schapenhersenen. Het toevoegen van water waardoor de prijs tot bijna de helft kon zakken, was zo gebruikelijk dat het niet als een vervalsing werd opgevat. Wel werden later eisen gesteld aan de waterkwaliteit.’(2) Een bepaling uit 1858 stelde voor verdunning een maximum van twaalf kannen water op dertig kannen melk. De chiquere ‘melkinrichtingen’ (een soort cafetaria waar melk gedronken kon worden) controleerden de verdunning met een ‘lactodensimeter’. (3)   

In de hele negentiende eeuw waren bederf − er werd volop geëxperimenteerd met methoden om de houdbaarheid en bijbehorende smaak van voedingsmiddelen te verbeteren − en vooral ook vervalsing veelvoorkomende problemen die een serieuze bedreiging voor de volksgezondheid vormden. Vervalsing, zo schrijft Van Otterloo, ‘was weliswaar niet nieuw, maar de omvang ervan nam in de loop van de negentiende eeuw zeer toe door de wijdverbreide armoede en de snelle groei van het aantal stedelingen. Vandaar dat de kwaliteit van het in de steden verkrijgbare voedsel, althans voor de onderste lagen van de bevolking, zeer slecht was en dat ook nog lang bleef.’ (4) Goede controle ontbrak, zodat vooral stedelingen sterk afhankelijk waren van het geweten en de zorgvuldigheid van handelaren, bakkers en winkeliers. Van Otterloo: ‘De machtsbalans tussen enerzijds producenten en anderzijds consumenten was in deze situatie zodanig ongelijk, dat de verleiding voor de eersten om het eigen voordeel te maximaliseren groot was. Producenten en vooral tussenhandelaren maakten zich dan ook veelvuldig schuldig aan opzettelijke knoeierijen.’ (5) Deze knoeierijen bestonden onder meer uit het toevoegen van zand, gips, bonenmeel of andere dubieuze stoffen aan meel en brood, het manipuleren van het gewicht van brood met water, hetgeen weer gecamoufleerd werd met het toevoegen van kopersulfaat; het vervalsen van zout met krijt, het vervalsen van azijn met zwavelzuur en het bewerken van kaas met arseenzuur tegen mijt. Goede boter werd vermengd met boter van mindere kwaliteit en/of andere soorten vet, aardappelmeel en kleurstoffen. Niet alleen moesten de kopers enorm letten op de kwaliteit van de koopwaar; de knoeierijen brachten zelfs de export van boter in gevaar omdat de kwaliteit ervan zo slecht bekendstond. 
Het is dus bepaald niet voor het eerst dat er gesjoemeld wordt met de kwaliteit en veiligheid van ons voedsel, maar wat leert de geschiedenis  ons over de huidige voedselschandalen? Wat zou er omgegaan zijn in de hoofden van degenen die recent fraudeerden met de kwaliteit en de hygiëne van vlees?

Voedselaffaires − twee voorbeelden

In het afgelopen jaar zijn er meerdere gevallen van geknoei met vlees aan het licht gekomen. Toezichthouder NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, voorheen de Keuringsdienst van Waren) bekritiseerde producenten van ‘separatorvlees’: vleesresten die op mechanische wijze van botten en karkassen worden gescheiden en in gemaksvoedsel als frikadellen of kipnuggets worden verwerkt. In bijna 70% van de genomen proefmonsters werden bacteriën aangetroffen. Daarnaast klopten bij 80% van de bedrijven de etiketten niet en bij 40% van de bedrijven was de kwaliteit ondermaats. Bij 30% van de bedrijven was er kritiek op de hygiëne.
Zorgelijke bevindingen en maar goed dat er gecontroleerd wordt, denk je dan als consument. En vooral: Wat heb ik gegeten en wat zat erin? Kan ik er ziek van worden? In dit eerste geval lijkt de schade mee te vallen, zolang het eindproduct goed wordt verhit zodat eventueel aanwezige bacteriën niet overleven. Maar dat geldt niet voor gevallen waarin (het goedkopere) paardenvlees door rundvlees wordt gemengd en als zodanig − rundvlees − wordt verkocht. Nog los van het ethische aspect − de consument heeft er recht op te weten of hij of zij paard eet − is er een groot risico. Paarden kunnen tijdens hun leven medicijnen hebben gekregen die verboden zijn voor voedselproducerende dieren, zoals de ontstekingsremmer phenylbutazone. De herkomst van slachtpaarden en hun medische geschiedenis moet daarom gedocumenteerd en veilig bevonden zijn.
Dr. Joanna Swabe, EU Director Humane SocietyInternational: ‘De hele affaire met paardenvlees is eigenlijk per toeval aan het licht gekomen toen er in januari 2013 in Ierland, om geheel andere redenen, in een fabriek een DNA-controle gehouden werd. Daar werd toen DNA van paardenvlees gevonden, terwijl in de fabriek alleen rund- en varkensvlees verwerkt werd. Van een verontreiniging via eerder gebruikte machines kon dus geen sprake zijn, het moest echt om opzet, om fraude gaan. Vanaf toen werden DNA-controles ingevoerd, vóór die tijd werd er niet standaard gecontroleerd. Het is eigenlijk vrij eenvoudig: wat je niet controleert, dat vind je niet.’

Een recent schandaal vond plaats in Dodewaard, waar een grote slachterij haar erkenning kwijtraakte: ze mag geen dieren meer slachten en geen vlees meer in de handel brengen omdat de herkomst van het vlees (langdurig) onvoldoende gedocumenteerd was. De NVWA vermoedt dat paardenvlees in partijen rundvleessnippers terecht is gekomen. De kritische consumentenorganisatie Foodwatch kwam overigens in opstand en spande een kort geding aan tegen de NVWA. Weliswaar werden partijen onzuiver rundvlees uit de handel gehaald; onbekend bleef echter waar de andere al verkochte partijen zijn gebleven. Consumenten bleven in het ongewisse in welke producten het eerder verkochte vlees was verwerkt. Foodwatch eiste openheid van zaken.
  
Wat gaat er om in de hoofden van de slachters of de eigenaren van deze slachterijen? Naast persoonlijk gewin (sjoemelen levert op korte termijn meer geld op) kunnen diverse factoren een rol spelen. Het gevoel dat je ongezien je gang kunt gaan, verlaagt de drempel voor grensoverschrijdend gedrag. (6) Rommelen met de boekhouding is aantrekkelijk: je vergroot je winst, maar dat niet alleen. Het geeft ook een gevoel dat je boven de wet staat. Een gevoel van macht. Het gaat er bij het sjoemelen dan ook niet zozeer om of mensen er ziek van kunnen worden, maar of de fraude ontdekt wordt en herleid kan worden tot de dader. Eventuele schuldgevoelens zijn te reduceren met rechtvaardigende gedachten als: het valt allemaal wel mee; het kan geen kwaad; die mensen wéten toch dat ze rommel kopen als dat gehakt zo goedkoop is? En de abstractie van grote getallen: bij hoeveelheden als 690 ton vlees lijkt de connectie met het biefstukje op je bord wel heel ver weg. 
Dat laatste blijkt een belangrijke factor. Frauderen met voedsel is vooral een systeemprobleem. In de huidige wereld betekent dit: als jij als enige eerlijk blijft, leg je het af tegen de concurrentie die iets soepeler met de wet omgaat. Bedrijven moeten concurreren en zoeken daarom per definitie de grens op van het toelaatbare én het traceerbare. Dat is niet alleen het geval tussen bedrijven, maar ook binnen bedrijven: niet voor niets hebben klokkenluiders een zwaar bestaan. De druk van het systeem is blijkbaar groter dan de druk van het geweten.

Wat leert de geschiedenis?

Het knoeien met eten was (werd) volgens Van Otterloo vooral een aspect van het leven in steden. Niet dat op het platteland helemaal niet vervalst werd, maar mensen waren daar minder afhankelijk van de markt, ze produceerden veel van hun voedsel zelf. Ook waren de gemeenschappen kleiner − men kende elkaar − en niet alleen de sociale controle was groot, maar ook het gevoel van persoonlijke relatie werkte op het geweten van de producent. Dat was in de steden een groter probleem en dat werd toen ook al ingezien. Van Otterloo citeert een beschrijving uit het begin van de negentiende eeuw: ‘In een stad gelijk deze waar de drukke koophandel de mensen zeer licht tot een ongeoorloofde winzucht kan vervoeren [zijn vervalsingen mogelijk en] helaas waarschijnlijk.’(7) 
In eerdere eeuwen oefenden de gilden controle uit op de productie van voedsel. Dit systeem was aan het eind van de achttiende eeuw geheel verdwenen, wat leidde tot een liberalisering van de markt. Eisen en bepalingen aan vakmanschap verdwenen en iedereen kon een winkel of ambacht uitoefenen. Regels waren afwezig of onduidelijk, zodat voedselveiligheid een groot probleem kon worden. Pas veel later in de negentiende eeuw kwamen steeds meer chemische technieken ter beschikking van de consumenten om zelf de kwaliteit van de koopwaar te testen. Het duurde nog langer voordat de overheid met wetgeving en toezicht een bepalende rol ging spelen in de controle op voedselkwaliteit: rond 1900 werden er gemeentelijke keuringsdiensten opgericht en pas na de Eerste Wereldoorlog (in 1919), toen problemen met vervalsingen opnieuw urgent werden, werd in de Tweede Kamer een wet aangenomen waarmee de centrale overheid eisen kon gaan stellen aan gemeenten. Van Otterloo: ‘Een algemene wettelijke bescherming van arme en onwetende consumenten tegen voedselbederf en knoeierij door producenten en handelaren was daarmee een feit.’ (8) Arm en onwetend: de maatregelen beschermden juist de meest kwetsbaren: het gewone volk.

Leren wij van de geschiedenis?

De NVWA is dus ontstaan als reactie op de processen van mechanisering, conservering en schaalvergroting van de productie van voedsel. Juist de grotere afstand tussen mensen en de productie van hun voedsel maakte hen kwetsbaar voor fraude en vervalsing. Die vormen niet alleen een individueel, maar ook een maatschappelijk risico, vanwege de gevolgen voor zowel volksgezondheid als economie.
De afgelopen decennia is er een ontwikkeling gaande die vergelijkbaar is met het verdwijnen van de gilden aan het eind van de achttiende eeuw, namelijk een nieuwe liberalisering van de markt, waarbij de overheid terugtreedt en toezicht commercieel wordt. Dat heeft onmiddellijk gevolgen. Zo lezen we dat commerciële laboratoria de aanwezigheid van paardenvlees vaak over het hoofd zien, zélfs als er uitdrukkelijk opdracht is gegeven daarop te testen. De NVWA is door jarenlange bezuinigingen uitgehold en wordt inmiddels gezien als een ‘tandeloze tijger’. En de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) ligt onder vuur omdat ze voortaan de inspecties tevoren wil aankondigen. In de Volkskrant: ‘De nieuwe lijn van de inspectie is die van vertrouwen’, en ‘Volgens de dienst past dit bij de moderne tijd waarin ondernemingen en overheid niet tegenover elkaar staan, maar naast elkaar.’


In de huidige markteconomie is zelfregulering het nieuwe credo, met de consument als schuldige en als bewaker. Schuldig omdat deze immers zo goedkoop mogelijke waren aanschaft, zodat de producent wel móét sjoemelen om aan de vraag te kunnen beantwoorden; bewaker omdat de consument zelf ‘bewust moet worden’ en moet kiezen voor kwaliteit. Dat zijn twee heel gevaarlijke aannames. De consumenten die zo goedkoop mogelijk winkelen zijn de consumenten met lage inkomens. Die bleken ook in de vorige eeuwen het meest kwetsbaar voor fraude met voedsel. De consument die bewust voor kwaliteit kiest is een illusie, omdat deze consument daar helemaal geen zicht op heeft – juist door de lange of verre productieketens. Uiteraard ontstaan er steeds meer winkels of merken die kiezen voor verantwoorde productie, bijvoorbeeld biologische producten. Maar de ervaring leert ook dat deze, juist omdat ze duurder zijn en naarmate ze massaler geproduceerd worden, kwetsbaarder zijn voor fraude − er valt immers door de hogere prijzen met gesjoemel meer aan te verdienen. Als we leren van de geschiedenis, weten we dat vertrouwen alleen kan bestaan in een zeer lokale economie en op kleine schaal. Op nationaal en Europees niveau kan alleen de overheid professioneel en onafhankelijk toezicht garanderen. In de woorden van Jean de la Fontaine, Frans schrijver (1621-1695): ‘Het wantrouwen is de moeder der veiligheid.’

Noten: 
(1) Anneke van Otterloo, Eten en eetlust in Nederland 1840-1990. Een historisch-sociologische studie. Bert Bakker, 1990 (alleen nog tweedehands verkrijgbaar, aanrader!!).
(2) Van Otterloo 1990, p. 68.
(3) Van Otterloo 1990, p. 71. Een lactodensimeter is een instrument dat de dichtheid van lactose meet, dus de mate van verdunning van de melk.
(4) Van Otterloo 1990, p. 93. 

(5) Van Otterloo 1990, p. 96. 
(6) Dit is een algemeen bekend verschijnsel, het sterkst terug te vinden in het werk van Zimbardo: http://psycnet.apa.org/psycinfo/1971-08069-001
(7) Van Otterloo 1990, p. 97, citeert (en vult aan) C.J. Nieuwenhuis (1816-1820): Proeve eener geneeskundige plaatsbeschrijving (topographie) der stad Amsterdam.
(8) Van Otterloo 1990, p. 105.