woensdag 4 juni 2014

Hakken in het zand tegen een verplicht anti-pestprogramma

Een jaar geleden kondigden Staatssecretaris Dekker en Kinderombudsman Dullaert hun plan van aanpak tegen pesten op scholen aan. Scholen worden in de toekomst verplicht om een goedgekeurde anti-pestmethode te gebruiken en de veiligheid en het welzijn van hun leerlingen te monitoren. Afgelopen week werden de eerste resultaten bekend. Hoewel nog geen enkel programma helemaal bewezen effectief is, zijn 9 programma’s voorlopig goedgekeurd op basis van theoretische onderbouwing en empirische bevindingen, en 4 programma’s vooralsnog afgewezen. De overige  bijna 50 programma’s zijn afgewezen.

Nu de verplichte anti-pestmethode zo dichtbij komt, groeit de verontwaardiging en het protest. Uit wetenschappelijke hoek klinkt het verwijt dat nog geen enkele methode bewezen is, en dat bovendien de betrokken onderzoekers zelf banden hebben met een bepaald anti-pestprogramma (Bram Orobio de Castro in Trouw van 16 april 2014 en Bob van der Meer in Nieuwsuur van 26 mei 2014). Uit onderwijskundige hoek klinkt het dat protocollen een bedreiging zijn voor de eigen verantwoordelijkheid van de leerkracht en  “algemene protocollen zullen nooit voor alle gevallen een specifieke oplossing kunnen bedenken.” (Hartger Wassink in de NRC van 30 mei 2014). En laatst hoorde ik een afdelingsleider vwo zuchten dat ze van Den Haag nou eenmaal aandacht moesten besteden aan het onderwerp pesten.

Wim Ludeke van de PO-raad betoogt in Nieuwsuur (26 mei 2014) dat scholen prima in staat zijn om zelf te bepalen wat zij nodig hebben om pesten aan te pakken. Een keuze  uit 13 programma’s is volgens hem geen keuze, om dat ze niet noodzakelijk aansluiten bij de school, de omgeving en het schoolveiligheidsbeleid. Hij pleit ervoor het onderwerp pesten een integraal onderdeel te laten zijn van het schoolveiligheidsbeleid, waarbij gericht gekeken worden naar “zwakke scholen” (wat betreft de veiligheid dit keer). “Besturen en scholen zijn heel wel in staat om naar hun eigen situatie te kijken en daar een passend aanbod in te vinden” en “de politiek komt met die actie na twee vreselijke incidenten, en we hebben in Nederland altijd de neiging om daarin een tikkeltje door te slaan.” Hij pleit voor beter overleg met het veld, om te zien of die methodes ook in de praktijk aansluiten.

Tijd om eens even wat misverstanden op te helderen.

Ja, de anti-pestwet is opgekomen naar aanleiding van twee zelfmoorden door pesten, die in de media veel verontwaardiging en zorg losmaakten. Maar vooral werd daardoor duidelijk welke omvang pesten op scholen heeft (en dan heb ik het nog niet over pesten op het werk of pesten in tehuizen en instellingen). Omdat definities van pesten in onderzoeken verschillen, en omdat zelfrapportage niet altijd betrouwbaar is, variëren de cijfers rond pesten, maar aangenomen kan worden dat in het primair onderwijs 10 procent van de kinderen regelmatig gepest wordt en in het voortgezet onderwijs 6 procent, en dit zijn voorzichtige cijfers, want vooral oudere kinderen geven vaak niet toe gepest te worden (bron: NJI). Als deze cijfers kloppen, dan worden ruim 200.000 kinderen regelmatig gepest. Nou zal het aantal gepeste kinderen per school kunnen verschillen, maar het is niet waarschijnlijk dat er veel scholen zullen zijn waar helemaal nooit wordt gepest, daarover straks meer.

Pesten kan, vooral wanneer het langer aanhoudt, leiden tot ernstige psychische klachten bij het slachtoffer en zelfs lichamelijke gevolgen hebben, die soms tot veertig jaar na dato nog meetbaar zijn. Enkele duizenden kinderen worden zo ernstig gepest dat ze helemaal niet meer naar school gaan. Hoe ingrijpend pesten is, konden we zien in het programma Project P, van RTL. Daarnaast is pesten schadelijk voor de dader (die heeft een grotere kans op crimineel gedrag in de toekomst), voor de meelopers (die vaak meepesten om niet zelf het volgende slachtoffer te zijn), voor de sfeer en veiligheid van de school en zelfs, in ernstige gevallen, voor de schoolprestaties van de hele groep.

Wat ook duidelijk werd bij Project P, is hoe structuréél pesten kan zijn. Het lijken kleine of grotere incidenten: een duw, een keer een bijnaam, een kapotte tas, een trap tegen je rug, een keertje pootje haken, kinderen die weglopen als je naast ze gaat zitten. Maar al deze incidenten bij elkaar vinden dus gedurende de hele dag plaats, verzieken elke schooldag, en maken het slachtoffer tot een emotioneel wrak, nooit wetend wie de volgende aanvaller zal zijn, of wat hij moet doen om het te voorkomen. Vergeet daarbij niet dat je elke keer weer naar school moét. Toch beschouwen veel scholen en leerkrachten pesten als een incident, waardoor de oorzaak makkelijker bij het slachtoffer gezocht wordt: die vertoont ook wel raar gedrag of zoekt de problemen op. Of hij is niet weerbaar genoeg, wat wil je met ouders die bij elk wissewasje op school komen klagen. Tragisch genoeg zijn veel van deze gedragingen juist een gevolg van pesten, en in ieder geval geen excuus ervoor.

De praktijk is anders

Hoezo kunnen scholen dit best zelf beoordelen en oplossen? Als er iéts duidelijk is geworden van de discussies in het afgelopen jaar, is dat zij dit juist niét kunnen en niét doen. Kinderen melden pesten vaak niet, omdat ze geen vertrouwen hebben in een goede en stevige aanpak, en vrezen dat het optreden van de leerkracht (“jongens, niet zo flauw, niet meer doen hoor!”) alleen maar averechts zal werken. Waar ze overigens helemaal gelijk in hebben. Wanneer het pesten zulke vormen heeft aangenomen dat kinderen en hun ouders er niet meer omheen kunnen, lopen deze laatsten lopen soms maandenlang de schooldeur plat, zonder dat het pesten opgelost wordt. Of zoeken in arren moede een andere school, die helemaal niet staat te springen om hun kind warm te ontvangen ‘als ze op die school gepest is, zal dat op onze school zéker gebeuren.’ (geparafraseerd citaat uit Alles over pesten, p. 199)
En dit zijn géén incidenten. De meest gangbare reacties wanneer het over pesten gaat, zijn ontkenning (dit is geen pesten, het is een geintje) en beschuldiging van het slachtoffer (die doet ook raar, is niet weerbaar genoeg, zoekt de problemen steeds op). En scholen zien vaak niet hoe structureel het pesten is, maar hanteren een incidentenpolitiek: brandjes blussen, zuchtend dat ze nou wéér moeten optreden, of “dat dit de vervelendste klas in jaren is”.

Incidentenpolitiek is geen antwoord op een structureel probleem

Laten we wel zijn: een school is zowel in sociaal als in fysiek opzicht een ingewikkelde constructie, en een onnatuurlijke situatie. We zetten kinderen op grond van hun leeftijd in een grote groep (en met vele groepen in een groot gebouw), fysiek verwijderd van ouderlijk toezicht, met daarbij één (vaak nog wisselend ook, in ieder geval elk jaar een andere) volwassene, die niét is opgeleid in het hanteren van groepen. Omgaan met pesten is op de pabo een keuzevak. Ongelooflijk. Terwijl een goede sfeer in de groep bepalend is voor het welzijn van alle leerlingen (niet alleen het slachtoffer) en voor het succes van al het leren. Niet alleen nemen mensen niet snel iets aan van iemand zonder status (dus ook niet van een leraar zonder gezag); een onveilige sfeer zorgt voor slechtere schoolprestaties. Dat kan iedere leerkracht bevestigen die een klas overneemt waarin het vorige jaar veel gepest is.

Pesten is niet het zoveelste maatschappelijke probleem dat van bovenaf de school in wordt gegooid; pesten is het probleem van de school, van het onderwijs zelf, of ze nou willen of niet. En de praktijk is dat veel leerkrachten en schoolleiders niet zien wat er voor hun neus gebeurt, of denken dat dergelijk gedrag nou eenmaal bij kinderen/pubers hoort, of zuchtend zeggen: “jongens, stoppen nou”. Juist omdat pesten een structureel probleem is, en juist omdat scholen in de praktijk vaak tekortschieten, is een structureel anti-pestbeleid noodzakelijk. Dus géén protocol dat pas bij escalatie van de plank wordt gehaald.

Scholen en bestuurders hebben een ingewikkelde en ook zware taak, zeker gezien het feit dat zij overdag verantwoordelijk zijn voor het welzijn van kinderen, die verplicht onder hun hoede worden gegeven. Maar dat zij nu zo verontwaardigd zijn betreft niét de zorg over het welzijn van die leerlingen, maar de aantasting van hun eigen status en autonomie. De anti-pestwet is motie van wantrouwen en ze zijn dan ook op hun tenen getrapt. In plaats van blij te zijn dat zij in hun zware taak worden ondersteund met onderzoek naar geschikte programma’s in plaats van de zoveelste beunhaas, mopperen ze dat ze gedwongen worden te kiezen. In plaats van zich zorgen te maken over de vele, vele slachtoffers, maken zij zich zorgen over hun imago.

Helpt een verplicht anti-pestprogramma?

Dat is nog maar helemaal de vraag. Een effectief programma is nog geen effectieve aanpak, dat hangt namelijk helemaal af van de manier waarop de school er in de praktijk mee omgaat. Tegen hakken in het zand zijn zelfs de beste anti-pestprogramma’s niet of nauwelijks bestand. De kwaliteit van een team, zowel in samenwerking als in de sociale slagkracht, bepaalt in hoeverre er op een school gepest wordt. Gezien de complexe sociale structuur van een school is het onvermijdelijk dat er wel eens wat gebeurt. Noem mij één school waar helemaal niet, nooit, gepest wordt en ik ga er wonen. 
Voor een echt veilige sfeer zal de school zich moeten ontwikkelen tot een lerende organisatie, waarin docenten zich gezamenlijk inzetten voor een goede sfeer en daarbij feedback, hulp en ondersteuning van elkaar accepteren. Maar ook is het nodig dat ze ondersteuning accepteren van de overheid, in de vorm van kennis over pesten en keuring van anti-pestprogramma’s. Of beter nog: aanvullende opleidingen en trainingen, en een verplicht vak groepsvorming op de pabo’s en lerarenopleidingen.

Wat echt nodig is, is inzicht in de problematiek van pesten, zowel voor het slachtoffer als voor de school als geheel. Pesten duidt op een structureel probleem in de groep, en uiteindelijk op een gebrek aan sturing en leiderschap. Scholen hebben daarmee een zware maatschappelijke taak en een enorme verantwoordelijkheid, en kunnen daarbij alle hulp gebruiken die ze krijgen kunnen, ook van de overheid. Maar de eerste stap moet toch echt zijn dat ze die verantwoordelijkheid erkennen, en niet bij de media (tikkeltje overdreven ophef), bij het slachtoffer (niet weerbaar genoeg), bij de dader (kinderen zijn nu eenmaal wreed) of bij de ouders (lastig, klaagcultuur) neerleggen. Uiteindelijk zal een stellingname tegen pesten, vóór een veilige school, niet alleen de slachtoffers, maar iedereen, tot en met het team en de schoolresultaten, ten goede komen. En welke school wil dat nou niet?

zaterdag 24 mei 2014

Opvoeders en huttenbouwers - boektijdschriftrecensie

Toen ik in 1976 een meisje van bijna tien jaar oud was, kreeg mijn oudste zus een tweeling. Twee meisjes. Extra handen waren natuurlijk welkom, en wat is er voor een meisje van 10 nou mooier dan twee échte baby’s. Een soort poppen 2.0. Ik genoot ervan om ze de fles te geven, te verschonen, in bad te doen, luiers te vouwen, met ze rond te lopen, te spelen en later, ze te helpen zindelijk te worden. Ik heb nog meer zussen, dus eigenlijk kwam er elke drie, vier jaar wel een kleintje bij, zodat ik opgroeide met kleine kinderen en zag hoe zij weer opgroeiden.

Toen ik vele jaren later zelf een baby kreeg, greep ik dan ook als vanzelf naar de omslaghemdjes en de katoenen luiers, ik wist nog hoe ik ze moest vouwen (maar leerde van een vriend een andere manier, met een dubbele landingsstrook). En uiteraard hoefde ik niet alles nieuw te hebben, maar kreeg ik van alle kanten tassen vol met babykleertjes, die ik na gebruik weer vrolijk doorschoof. Maar ik merkte dat jonge ouders in mijn omgeving helemaal niet zo vanzelfsprekend ervaring hebben met kleintjes in hun omgeving. Zij hadden maar één zus of broer (die meestal nog kinderloos was) en geen nichtjes en neefjes in hun omgeving.

Opvoeden is dan ook niet meer zo vanzelfsprekend en makkelijk als het geweest is. Eerdere generaties “kregen” gewoon kinderen, en hun grootste zorg was om ze gevoed en gewassen te krijgen. De kinderen groeiden vooral met elkaar op, en werden haast vanzelf groot. Maar de tijden zijn veranderd. Huidige ouders hebben niet meer de vanzelfsprekende ervaring met kleine kinderen, en ook het teruggrijpen op de opvoeding die ze zelf kregen, werkt niet altijd. De eisen zijn veranderd en vooral enorm opgeschroefd. Zo stond in mijn eigen jeugd de huiskamer blauw van de rook, tijdens verjaardagen en feestjes. De sigaretten en sigaren stonden klaar op tafel, voor de visite. Tegenwoordig is roken in huis en de auto is tegenwoordig vrijwel overal taboe, al helemaal met een kindje in de buurt. De kennis vanuit het verleden ouders biedt daarom – en om heel veel andere redenen- vaak weinig houvast, maar ook komen ouders daartegen in opstand, ze vinden de tradities (laten huilen, slapen in het eigen bedje, voeden op vaste tijden, enzovoorts) veel te streng. Het vóelt gewoon niet goed. Maar ook in het woud van de nieuwe pedagogische stromingen is het soms flink zoeken, en bij je buurvrouw hoef je ook niet altijd aan te kloppen, zij denkt er vaak weer anders over dan jij. Veel ouders keren zich af van zowel traditie als de hoofdstromen in de pedagogiek: zij zoeken naar het optimale contact met hun kindje, maar ook naar de diepere waarden van het leven: genieten van de natuur, zelf ontdekken, en tégen het consumentisme in dat je vertelt dat je een goede ouder bent als je maar product X koopt. Dat ook nog eens enorm vervuilend is.


Voor deze (maar eigenlijk voor alle) ouders is er een nieuw boektijdschrift: Opvoeders en huttenbouwers. Het is de eerste papieren uitgave van het online magazine voor ouders “Kiind”, waarin hun beste artikelen verzameld zijn, als gids voor een bewust leven en opvoeden, en voor puur genieten met je kinderen, en – ook dat zie je nog niet zo veel- net zo goed geschreven voor vaders als voor moeders. Een echte aanrader, vooral omdat de verschillende artikelen zo ongeveer alle aspecten van het ouderschap omvatten, van een ontspannen geboorte tot het bouwen van een hut. Daarbij worden de goede elementen uit de traditie (het zelf maken van brood en toetjes of het –mogen- kiezen voor thuismoederschap) en met een stevige theoretische onderbouwing en verwijzing naar verdere literatuur. En ook nog eens ontzettend leuk om te lezen, je krijgt meteen zelf zin om een hut te bouwen of een vuurtje te stoken. Eens vragen of mijn dochter van 16 daar zin in heeft… 

Opvoeders en huttenbouwers, van de makers van Kiind. Uitgeverij Noest, 15 euro. Elke euro dubbel en dwars waard, een aanrader! 

woensdag 21 mei 2014

Toespraak bij de presentatie van mijn boek Alles over Pesten.

Eigenlijk wilde ik dit boek helemaal niet schrijven. Niet alleen omdat ik hartgrondig had gewild dat ik nooit gepest werd en dat het mijn leven niet zo fundamenteel bepaald zou hebben. Al op de kleuterschool moet ik gepest zijn, zodanig in ieder geval dat mijn ouders op zoek waren naar een andere school. En ik herinner me dat ik in de derde klas zat en de meester vroeg: wie wil er een boodschap doen. Alle vingers gingen omhoog, maar hij koos mij. Ik mocht samen met een vriendinnetje naar de supermarkt, voor koffiemelk, ik was zo trots. Een paar weken later vond ik achter in de klas, in een kast, een hele stapel met briefjes. Daarop stonden dingen als: Ik vind Mieke gewoon stom. Mieke is een trut. Of: ik vind haar wel aardig maar ze wil alleen met E. spelen. Het bleek dat de meester in mijn supermarktafwezigheid aan iedereen had gevraagd wat ze van mij vonden, om erachter te komen waarom ik zo gepest werd. Dat vond ik achteraf nog niet eens het ergste. Het ergste vond ik dat ik die briefjes vond, dat het blijkbaar niet erg was dat ik ze kon lezen. En dat ik niet uitverkoren was om de boodschap te doen, maar dat de meester mij gewoon even weg had willen hebben.
Ik wilde dit boek ook niet schrijven omdat ik hoopte, wenste, dat ik het onderwerp pesten voorgoed achter me had gelaten. Dat ik dingen bereikt heb, net als “gewone” mensen. Dat ik juist niet geassocieerd zou worden met het besmette onderwerp pesten, want pestslachtoffers zijn “besmet”. Het zijn de zwarte schapen, en als je met ze omgaat word je zelf ook besmet. Of het zijn de losers die te lang blijven hangen in een slachtofferrol. Kom op zeg, get over it and get a life.

Maar eigenlijk wilde ik dit boek juist ontzettend graag schrijven. Niet alleen om antwoorden te vinden op de vele, vele vragen die ik had over pesten. Over de oorzaken, of mijn eigen schuld, over de rare reacties van leerkrachten, over de vraag hoe het kan dat een vriendin met wie je thuis zo leuk speelt, je op school als een baksteen laat vallen. Over boeken over pesten en anti-pestprogramma’s die de rol van school en leerkracht gewoon over het hoofd zien, over de vraag hoe het kan dat er na 30 jaar kennis over pesten, er nog zo weinig veranderd is.  Maar ook om met mijn antwoorden iets bij te dragen. Met name in de praktijk, bij leerkrachten en ouders, ontbreekt in hoge mate kennis en inzicht over pesten. Het wordt ontkend, gebagatelliseerd of bij het slachtoffer gelegd, of men staat machteloos.
Een van de grootste misverstanden rondom pesten is, dat het een probleem van kinderen is (met als nog groter misverstand dat het nu eenmaal bij opgroeien hoort). In dit boek laat ik zien dat pesten een probleem van groepen is, en dat juist de manier waarop het onderwijs ingericht is, bijdraagt aan problemen in de groep en dus bijdraagt aan pesten. De leerkrachten zijn daarbij lang niet altijd een machteloos toekijkende partij, maar dragen soms actief bij aan het pesten. Dit is een enorm taboe, maar welke gepeste persoon ik ook spreek, ik krijg een hand op mijn arm, een indringende blik en een hartgrondig: ja.
Het werd me ook duidelijk dat juist ik dit boek moest schrijven. Ik kon de kennis van binnenuit combineren met theoretische inzichten en laten zien waar de tekorten en de gaten zitten. Waar lopen mensen tegenaan die gepest worden of gepest zijn? Waar krijgen ouders mee te maken? Wat is pesten nou echt en welke misverstanden moeten nu eindelijk, eindelijk eens de wereld uit geholpen worden?

Het schrijven van dit boek was dan ook een hele toer. In emotioneel opzicht: het risico was groot dat het een larmoyant klaagboek zou worden, en dat wilde ik per sé niet. Juist om serieus genomen te worden, moeten feiten en emoties in balans zijn, en moeten de verhalen leiden tot meer inzicht in zowel de problematiek van pesten, als in de oplossingen en aanpak. Mijn leermeester de socioloog Norbert Elias schreef een boek met de naam: Problemen van betrokkenheid en distantie. Betrokkenheid is noodzakelijk vanwege de kennis en ervaring van binnenuit, met de gedrevenheid er iets aan te willen doen, en distantie is noodzakelijk vanwege objectiviteit en toetsing aan de theorie. De valkuil van betrokkenheid is een emotionele  blindheid, waardoor je bepaalde evidenties niet meer wil zien en waardoor je, juist omdat je zo diep in de materie zit, bepaalde samenhangen niet meer ziet. De valkuil van distantie is dat je die samenhangen wel ziet, maar dat, juist door je onthechtheid, de diepere betekenis ervan je ontgaat. Beide zijn – zo schreef Elias- geen absolute posities, het gaat veel meer om een bewegen tussen twee uiteinden van een continuüm. Onnodig te zeggen dat werken aan dit boek een vorm van evenwichtskunst is geweest.

Een ander inzicht van Elias hielp ook, uit zijn boek De gevestigden en de buitenstaanders, over de machtsbalans in en tussen groepen. Deze theorie heeft wat betreft mijn boek, in belangrijke mate bijgedragen aan inzicht in pesten als een maatschappelijk proces, als een proces in en tussen groepen, waarbij de kenmerken van die groepen veel belangrijker zijn dan de eventuele persoonskenmerken. Voor hetzelfde geld zou iemand in de andere wijk geboren zijn en dan bij de pestkoppen hebben gehoord en niet bij de slachtoffers. Of zou de andere wijk veel langer hebben bestaan, dan waren zij de gevestigden  geweest en de andere wijk de nieuwkomers.

Pesten richt enorme schade aan, aan je zelfbeeld en aan je anderbeeld: aan je zelfvertrouwen, en aan het vertrouwen in anderen. Pesten gaat verder dan een persoonlijk drama, al was het maar omdat er zovéél pestslachtoffers zijn. Het zorgt voor economische schade. Tienduizenden kinderen worden dagelijks of wekelijks gepest. Dat is niet alleen schadelijk voor henzelf en hun gezondheid, die veertig jaar na dato nog de gevolgen draagt. Dat is ook schadelijk voor alle betrokkenen. Voor de pester, die een grotere kans loopt om in de criminaliteit te belanden, voor de omstanders die zelf opgroeien in angst en niet leren hoe je met elkaar een positief groepsproces opbouwt. Voor alle kinderen die helemaal niet meer naar school gaan en thuiszitten. Voor alle mensen die op hun werk gepest worden, en de enorme economische schade daarvan. Voor het leed van bewoners van instellingen en verzorgingshuizen. Pesten is een persoonlijk, maar vooral ook een maatschappelijk drama. Pesten is een groot probleem in onze samenleving en heeft niets - ik herhaal niets - te maken met wreedheid van kinderen. Wel met wreedheid van mensen en vooral met wreedheid van groepen. Pesten is niet het gebrek aan empathie, maar juist het actief losmaken van empathie, van het slachtoffer. Die wordt ge-ont-empatiseerd, waarna hij de behandeling die hij krijgt ook echt verdient. Dat is één van de redenen waarom pesten vaak niet herkend wordt: de rechtvaardigingstheorieën maken dat het geen pesten is, maar een natuurlijke, noodzakelijke of rechtvaardige gang van zaken. En ik hoef maar naar de behandeling van joden in de jaren dertig en vroege jaren veertig te verwijzen, om duidelijk te maken dat pesten in het groot en pesten in het klein met elkaar verbonden zijn.

Ik ben bij het schrijven van dit boek enorm geholpen door vele anderen, die mij hun verhaal vertelden. Over het pesten, maar vooral over de gevolgen, die soms na decennia nog voelbaar zijn. Mensen die nog steeds worstelen met de gevolgen van pesten, die zich nog steeds niet thuis voelen in een groep, in een gezelschap. Die nog steeds twijfelen aan zichzelf. Dat vond ik overigens nog best heftig, die verhalen. De pijn van mezelf, daar was ik wel aan gewend.
Maar de pijn van anderen, die door mij- ik vroeg er immers naar- weer naar boven kwam. Dat vond ik moeilijk, confronterend. Maar ze zeiden allemaal: als  mijn verhaal er toe bij kan dragen dat iemand zich begrepen voelt, dat er meer kennis komt over pesten, dat mensen zich herkennen, dat pesten wordt aangepakt, dan is het niet voor niets, dan heb ik het er graag voor over. Ik ben al deze mensen enorm dankbaar, hun vertrouwen in mij maakte me nederig, en ik hoop alleen maar dat mijn boek enigszins tegemoet komt aan hun verwachtingen. Hun bijdrage heeft ervoor gezorgd dat dit boek veel rijker is dan wanneer ik alleen mijn eigen verhaal zou vertellen. Het gaf me ook houvast: ik was en ben niet de enige.

Dit boek zou er nooit zijn geweest zonder Theo Klungers, pestdeskundige en therapeut (1). Jaren geleden vertelde hij op een ouderavond, op de school van mijn dochter, over pesten en de gevolgen. Hij zei: als pesten langer duurt dan drie, vier maanden, dan spreken we van structureel pesten en dat richt blijvende schade aan. Ik dacht bij mezelf: vier máánden? Ik ben (even tellen) minstens 8 jaar gepest. Eigenlijk van de kleuterschool tot in 5vwo (en dat is dus 13 jaar). En op zich kon ik daar nog wel mee omgaan, en was ik best trots op wat ik allemaal gedaan en bereikt had, ook juist dank zij het pesten, omdat ik me op een kwaad moment (ik zag pas veel later, dank zij Theo, dat dit een goed moment was) had bevrijd van de mening van anderen, en daardoor juist meer durfde te zeggen en wel durfde op te vallen. Maar figuurlijk gesproken was de fundering onder mijn huis totaal verrot. Er hoefde maar iets te gebeuren of het zaakje stortte in. En vooral met betrekking tot onze dochter, die in alles zo op ons lijkt, was ik bang dat mijn instortende huis háár schade zou berokkenen. Ik ben bij Theo in therapie gegaan, en heb daar vele, vele gesprekken gevoerd, die uiteindelijk uitgroeiden tot gelijkwaardige samenwerking, en een gezamenlijk document aan de staatssecretaris en de kinderombudsman. En vervolgens tot dit boek.

Dankbaar ben ik ook voor mijn ouders, die mij door mijn jeugd heen geholpen en gesteund hebben met hun grenzeloze liefde, geduld en vertrouwen in mij. Dat geldt ook voor mijn gewaardeerde wederhelft Ronald, die de rots is waarop jarenlang mijn zelfvertrouwen kon groeien.  En natuurlijk onze dochter Elise, die ook het nodige met mij te stellen heeft gehad. Het valt niet mee als je moeder een boek schrijft over een zo pijnlijk onderwerp.
Ik wil de mensen van de uitgeverij en vooral Suzanne Batelaan enorm bedanken voor de prettige manier van samenwerken en vooral hun enorme vertrouwen in mij, toen ze mij vroegen dit boek te schrijven.
Dank ook aan Arjan Post, mijn redacteur en vriend, die als mede-socioloog begreep welk boek ik voor ogen had. Dank aan alle mensen die mij op deze weg gesteund hebben, in levenden lijve en via de sociale media, die –ondanks de slechte naam- vooral ook sociale media zijn.

Tot slot ben ik heel dankbaar dat de Kinderombudsman, samen met de Staatssecretaris, het onderwerp pesten op de maatschappelijke agenda heeft gezet. Pesten is geen individueel, maar een maatschappelijk probleem. Het richt, naast enorm persoonlijk leed, economische schade aan door ziekteverzuim, ziektekosten, verminderde productie en lagere schoolprestaties. Van de overheid moeten kinderen verplicht naar school, maar gepeste kinderen komen daar dagelijks in een hel terecht. Dat is op korte en lange termijn ziekmakend, alweer een individueel én maatschappelijk drama. De leerplicht maakt de overheid ook verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van kinderen en jongeren. Dat is geen eenvoudige taak, juist omdat pesten mede voortvloeit uit de manier waarop onze samenleving, en ook ons onderwijssysteem, is ingericht. Toch vernam ik, dat pesten op de pabo geen verplicht vak is, maar onderdeel van een keuzevak. Onbegrijpelijk. Een gezonde sfeer in de klas is de basis voor elk ander schoolsucces, van alle betrokken kinderen. Ik hoop dan ook (Mijnheer Dullaert, nu ik u toch spreek) dat de kinderombudsman zich niet alleen inzet voor verantwoorde anti-pestprogramma’s, maar ook voor fundamentele ondersteuning van scholen en leerkrachten op dit gebied, en dat het onderwerp op pabo’s verplichte kost wordt (het liefst natuurlijk met gebruik van mijn boek).  

Er moet in ieder geval meer  duidelijkheid komen over verantwoordelijkheid, in scholen, bedrijven en instellingen, maar ook in buurten en in de samenleving als geheel. Met mijn boek hoop ik een bijdrage te leveren aan het debat over pesten, aan de kennis erover en van de voorwaarden voor een aanpak ervan. Daarnaast is het bedoeld als hart onder de riem, als troost voor alle mensen die gepest zijn of dat nog worden, en voor alle ouders die `s avonds aan het bed van een verdrietig kind zitten. Een boek, kortom, voor buitenbeentjes en kuddedieren, dus voor ons allemaal. Het is daarom een grote eer dat dhr. Dullaert dit boek in ontvangst wil nemen. Mijnheer Dullaert, alstublieft.  






Het boek Alles over Pesten is vanaf 21 mei 2014 verkrijgbaar (of te bestellen) via de plaatselijke boekhandel of via de grootgrutters op internet. €24,95

noot (1): Theo Klungers, bureau Posicom. www.posicom.nl 

donderdag 15 mei 2014

Wat we kunnen leren van Project P

Al vóór het televisieprogramma “Project P, stop het pesten”  werd uitgezonden, ontstond er een fikse discussie, met name over de vraag of een slachtoffer van pesten de dagelijkse mishandelingen mag filmen met een verborgen camera, en of een televisiezender daarvan een programma mag maken en uitzenden. Aanleiding voor deze felle discussie was, dat de schoolleiding van één van de afleveringen, een kort geding tegen RTL aanspande om uitzending van het tv-programma te voorkomen.

Inmiddels heb ik drie afleveringen bekeken (1), waarin het pesten met succes bleek te zijn aangepakt, ook als de presentator enige weken later het slachtoffer opnieuw opzoekt. Hoewel ik aanvankelijk grote bezwaren had tegen het programma – het risico voor het slachtoffer leek me té groot – moet ik zeggen dat ik de afleveringen behoorlijk zorgvuldig gemaakt vond. En ja, het pesten was blijkbaar opgehouden. Het intrigeerde me wel: wat precies had ervoor gezorgd dat het pesten stopte, en waarom?

Maar aan de andere kanten zijn er de berichten uit de bovengenoemde rechtszaak. Met die jongen gaat het – zoals ik voorspelde (2)- niét goed. De sfeer op school werd alleen maar onveiliger, en hoewel de school het ontkent, voelt hij zich daar niet langer welkom. Wat ging er precies mis, en waarom?

Met andere woorden: wat kunnen we leren van Project P?

Hoe zit het tv-programma in elkaar? Eigenlijk zien we niet zo heel veel van het pesten zelf. Wat we zien is vooral de pijn van het slachtoffer. Het verdriet en de voortdurende stress. De beelden zelf zijn schokkend, maar zodanig geblurred en vervormd, dat ze eigenlijk ook niet zoveel zeggen. Je hoort een paar scheldwoorden, je ziet een of twee trappen. Erg genoeg, maar het is niet zo heel veel. Negentig procent van de uitzending gaat naar het verhaal eromheen. Waarschijnlijk krijgen de ouders en de klas- of teamgenoten veel meer, en onvervormde beelden te zien, want vooral aan hun geschoktheid kan de tv-kijker zien hoe erg het pesten is.

En dat is ook meteen de grootste verdienste van Project P: dat duidelijk wordt hoe ingrijpend pesten is. Het gaat niet om één keer uitgescholden te worden, of een keer met een bijnaam aangesproken te worden. Het gaat niet om één fysieke aanvaring. Pesten is de constante dreiging van verbale en fysieke mishandeling. Dagelijks, door verschillende personen, elke dag weer. Niet weten wat je kunt of moet doen om het te voorkomen, maar daar toch de hele tijd mee bezig zijn: als ik deze kleren aantrek, gaat het dan goed? Als ik een andere tas heb, kan dat wel? Als ik straks de gang door moet, of het lokaal in. Of naar huis fietsen. De continue angst en onzekerheid breken het slachtoffer af, zowel geestelijk als fysiek. Slachtoffers van pesten leven in een voortdurende hel.

Het vreemde is dat vrijwel niemand het ziet. De ouders zien een verdrietig, angstig kind, maar weten ook niet precies hoe het is. De leerkrachten weten soms wel dat een kind aangeeft gepest te worden, maar krijgen vrij weinig mee van de gebeurtenissen. Of ze zien één incident, waarvan ze dan wel of niet iets zeggen, maar hebben geen idee van het geheel. Zelfs de daders zeggen – na confrontatie met de beelden - nauwelijks door te hebben gehad hoe erg het pesten was, omdat ze alleen van hun eigen acties weet hadden. Maar niemand wist hoe het was om in de schoenen van het slachtoffer te staan. Tot Project P.

Wat doet Project P eigenlijk om het pesten te stoppen? Wat is het, dat werkt?

Om te beginnen krijgt het slachtoffer een "advocaat" in de vorm van een populaire televisieheld. Iemand die hem of haar helemaal steunt, die geen frasen gebruikt als: “ja, maar vraag je er niet een beetje om”, of “je zoekt het ook wel altijd op”, maar die zich inleeft en vooral: die steunt en vooral zegt dat het slachtoffer juist een sterke, leuke persoon is. Die vraagt of hij het aandurft om met een camera naar school of training te gaan, wetende dat er ellende komt, maar met de troost dat er dan eindelijk bewijs op tafel komt. En dat er echt iets aan gedaan gaat worden.

De beelden spreken vervolgens voor zich. Ouders zijn geschokt, leerkrachten (trainers) en klasgenoten zijn geschokt. Wisten de pestkoppen dan niet wat ze deden? Ja, zeker wel. Maar ook zij hadden het overzicht niet en vooral: ze waren opgehouden zich voor te stellen wat de impact op het slachtoffer was. Pesten is het actief uitschakelen van identificatie, van empathie voor het slachtoffer. Het is ook een –vaak stilzwijgende- afspraak in de groep: we sluiten hem sámen uit. Pesten geeft op die manier een vorm van saamhorigheid; dat het ten koste gaat van een mens, wordt verdrongen. De confrontatie met de beelden maakt aan die verdringing een einde. Vooral ook omdat die confrontatie geleid wordt door een sterke, populaire figuur als Johnny de Mol (tjee, daar is Johnny de Mol, in ónze klas!) en voor het voetbalteam hadden ze er zelfs een mastodont als John de Wolf bij. Daar kun je echt niet omheen. Benadrukt wordt dat het filmen met een verborgen camera enorme lef vereist. Daarmee wordt de voormalige definitie “x is een loser” omgezet in “x heeft lef”.

De pestkoppen schrikken enorm. Niet alleen van hetgeen ze het slachtoffer hebben aangedaan, maar ook van het feit dat ze dat blijkbaar niet ongezien hebben gedaan – wat ze tot dusver dachten. En vervolgens dat ze afgaan. De samenzwering (wij mogen hem pesten, met elkaar) is doorbroken. Toch worden ze niet al te zeer aan de schandpaal genageld. Niet het verleden is belangrijk, maar de afspraak dat het vanaf nu anders wordt. Daar doen de programmamakers heel verstandig aan. Het risico van teveel nadruk op beschuldigen is, dat de (voormalige) pestkoppen dat niet pikken, waarna het pesten alleen maar toeneemt.
Het is niet alleen het slachtoffer die een nieuwe kans krijgt, dit geldt ook voor de pestkoppen. Ook al werken ze mee aan de samenzwering, dat wil nog niet zeggen dat ze dat ook fijn vinden. Van pesten gaat immers de dreiging uit dat jij de volgende zult zijn, als je niet meedoet. Wat je ziet is dat de hele groep blijer is als het pesten is opgelost, zelfs hun cijfers gaan omhoog. Of zoals de klasgenoten van Xandra zeiden: wij zijn niet langer die rotklas.

Toch gaat het niet altijd goed. Rondom de jongen op het Einsteinlyceum, waar dit verhaal mee begon, is nog altijd veel onzekerheid. Met een slag om de arm – welke versie moet ik geloven- kunnen we toch wel vaststellen dat het pesten daar niet is opgehouden. De jongen mocht niet meer in zijn eigen klas komen, en pas na de pauze van zijn klasgenoten naar school komen. Zijn schoolwerk maakte hij in de directiekamer, zo vertelde zijn moeder in NRC Handelsblad (3). En ondanks dat de rector van de school op Twitter liet weten dat de jongen nog gewoon welkom is, hebben hij en zijn ouders duidelijk niet die indruk.

We kunnen alleen maar gissen wat er precies is misgegaan. Maar zelfs als de school goede bedoelingen had met de rechtszaak, namelijk het beschermen van de privacy van slachtoffer én daders, pakt dit in dit geval duidelijk niet goed uit. De boodschap naar de pesters en hun ouders is wel degelijk dat deze jongen – met de programmamakers, mét zijn ouders- over de schreef is gegaan, dat die jóngen het probleem is en niet de pesters. Dat krijgt de jongen nu op zijn brood, en de pesters voelen zich gesterkt in hun samenzwering, de empathie blijft uitgeschakeld.
Dat is een belangrijk verschil met de andere afleveringen, waar de school (of de voetbalclub) wél overging tot samenwerking met het programma. De groepsnorm werd omgebogen en die ontwikkeling werd vervolgens door de school of de club vastgehouden.

Project P zet de scholen dan ook enorm voor het blok (en in hun hemd). Niemand wil graag horen dat hij tekort schiet, en waar de scholen al maanden of jaren aan het sleutelen waren, lossen zij het probleem in een handomdraai op. Toch doen alle scholen er verstandig aan, te leren van Project P: wat pesten is, hoe structureel het pesten is en hoezeer het verweven is met de groepsnorm. Dat los je niet op met incidentenpolitiek (alleen ingrijpen als je een overtreding ziet) of met een pestprotocol op de plank. Je zult veel meer moeten sturen op een positief groepsproces, waarbij je alle kinderen betrekt en de pestkoppen de kans geeft om te veranderen.
Een dergelijke benadering werkt het beste vanuit een positief geleid schoolklimaat, waarin leerkrachten en schoolleiding zich gezamenlijk inzetten voor veiligheid en respect. Communicatie met ouders is essentieel, maar met tegelijk ook de morele boodschap: pesten op school is schadelijk voor iedereen, dus ook voor uw kind.

Betekent dit, dat ik alleen maar sta te juichen bij Project P? Nou, toch niet helemaal. Er zitten fundamentele bezwaren aan het filmen met een verborgen camera, zoals de rol van het filmende kind dat als enige weet dát er gefilmd wordt. Hij is niet langer alleen subject (zo hij dat ooit was): mogelijk zoekt hij specifieke daders en omstandigheden op. Daarbij is elk televisieprogramma een gemonteerde en dus geselecteerde versie van de werkelijkheid. Er zijn veel achtergronden, die wij niet te zien krijgen, óók bij de pesters. Nu worden deze gelukkig door het programma niet heel negatief in beeld gebracht, maar toch. Ik begrijp de weerstand van het Einsteinlyceum ook wel. Privacy is inderdaad een issue als je een veilige omgeving wilt bieden (maar dat wil niet zeggen dat die omgeving ook inderdaad veilig is, en daar heeft Project P weer een punt). En daarbij gaat het om jonge kinderen, die in een complexe sociale situatie, met een klasgenoot met specifieke problemen, met elkaar moeten (leren) omgaan.

Maar dat ze daarbij een strak moreel kader, onder sterke begeleiding, en confrontatie met hun daden nodig hebben, wordt ook duidelijk. Daar is niet per sé een verborgen camera voor nodig, maar wel volwassenen die hun ogen en oren openhouden en vooral ook wéten wat ze horen: structureel pesten bestaat - naast de fysieke bedreigingen en af en toe een schop- vooral uit tientallen speldenprikken en kleine duwtjes in de rug. Het is te hopen dat de goede elementen van Project P door scholen en sportclubs worden meegenomen. Want we kunnen niet alle tienduizenden kinderen en jongeren die gepest worden, uitrusten met een verborgen camera, inclusief Johnny de Mol en RTL. Wel kunnen we kijken, leren en met elkaar werken aan een veilige school en club voor álle kinderen.


(1)    Je kunt de afleveringen van Project P hier terugkijken: http://www.rtlxl.nl/#!/gemist/project-p-stop-het-pesten-304895
(2) Bij Studio Max Live, donderdag 10 april 2014: http://www.studiomaxlive.nl/uitzending/studio-max-live-donderdag-10-april-2014/
(3)    In NRC-Handelsblad van 14 mei 2014: “`Ze scholden, gingen op zijn rug staan’.”


dinsdag 22 april 2014

Eerst zien en dan pas oordelen

Twee weken geleden schreef ik een blog: Pesten als drama, over het televisieprogramma Project P en de discussie op en over het Einsteinlyceum, dat naar de rechter stapte om de uitzending van het programma tegen te houden. Er was veel discussie, en de hoofdpersoon uit de betreffende aflevering vertelde bij Humberto Tan dat het pesten nu helemaal was opgehouden en dat zijn voormalige pestkoppen nu zijn matties waren. Wat moest ik ervan denken, welke balans kunnen we voorlopig opmaken over Project P? Daarover schreef ik een opiniestuk voor de site Sociale Vraagstukken: Project P, ja of nee? Dit stuk werd doorgeplaatst naar de site van Trouw, met de wervende, maar enigszins misplaatste titel: "Schandpaalaanpak Project P heeft geen effect". (1) 

Via LinkedIn kreeg ik daarop een mail van één van de programmamakers. Ook hij keek gelukkig voorbij de misplaatste kop, en kon zich vooral vinden in mijn laatste zin: “Dan is er een project P nodig om de zaak grondig wakker te schudden.” Hij vroeg me om niet in de val te stappen van anderen napraten die niets gezien hebben en de situatie niet kennen, maar pleitte ervoor dat ik eerst zou zien en dan pas zou oordelen. Het programma wordt vanaf 28 april uitgezonden en hij is benieuwd naar mijn gedachte over Project P. Hij benadrukt dat het programma met veel zorg is gemaakt, dat de scholen nu een probleem minder hebben en dat de ouders nu een blij kind thuis hebben, en dat het hen daar om begonnen is.

Mijn antwoord daarop wil ik jullie niet onthouden.

Je pleit ervoor dat ik eerst zie, en dan oordeel. Wie zou daar tegen kunnen zijn? Toch wil ik daar wel een paar dingen over zeggen. Als je goed leest, zie je dat ik zo min mogelijk oordeel, maar juist overwegingen geef waarom ik jullie aanpak wel of geen goed idee vind. Het is jammer dat je niet op die argumenten ingaat.

Daarnaast is het vaak juist erg raadzaam om tevoren dingen goed af te wegen, en niet altijd de afloop af te wachten. Ik heb een aantal fundamentele bezwaren tegen jullie aanpak, de belangrijkste daarvan zijn dat je reactief werkt, eerst het pesten, dan de aanpak, en niet proactief: meteen corrigeren in plaats van de zaak zo grondig uit de hand te laten lopen. Maar gezien de omstandigheden (een school die die taak onvoldoende op zich neemt of kan nemen) is jullie tactiek niet eens zo slecht. Het programma legt bestaande misstanden bloot en confronteert:  niemand kan er meer omheen.

Maar toch is er een belangrijk  probleem, namelijk dat van manipulatie van de werkelijkheid. Een jongen die weet dat hij filmt, kan de situatie beïnvloeden om betere beelden te krijgen. Ik zeg niet dát hij het doet, maar het kán. En niemand kan dat controleren.

Dat maakt je ook verzoek om eerst het programma te zien problematisch, hoezeer ik ook geloof dat jullie bedoelingen oprecht zijn. Jullie zijn televisiemakers, geen hulpverleners. Datgene wat ik straks op televisie te zien krijg, is (opnieuw?) een selectie, een manipulatie van de werkelijkheid. Mijn eventuele oordeel straks,  zal gaan over die selectie, niet over de werkelijkheid, althans, ik kan dat nooit helemaal zeker weten. En dat vind ik problematisch.


Maar nogmaals, gezien mijn ervaringen met tegenstribbelende scholen en ontkenningen vanuit omgeving, leerkrachten en (andere) ouders, is een programma als dat van jullie een "welkome" (het is triest dat het nodig is) wake-up call. Dit is wat er gebeurt op scholen. Nu je het zo in beeld ziet, kan niemand meer ontkennen dat er gepest wordt en hoe erg dat is. 


dinsdag 8 april 2014

Pesten als drama. De casus van het Einsteinlyceum

Een jongen heeft met een verborgen camera de pesterijen gefilmd die hij dagelijks op school moet ondergaan. Dit, in opdracht van een televisieprogramma (Project P: Stop het pesten, van RTL 5) dat hem had beloofd een einde te maken aan het pesten. En natuurlijk zou hij er mee op televisie komen.

Al met al een recept voor problemen, en natuurlijk ging het mis. De school spande een rechtszaak aan om uitzending van het programma tegen te houden. Het programma Nieuwsuur wijdde er een item aan (1).
Maar wat ging er precies mis en vooral: waarom?

Allereerst de methode. Dat is die van “blaming and shaming” oftewel de piratenmethode, die pesten “hard” wil aanpakken. De daders confronteren en zwartmaken, zodat ze voor eens en altijd zullen begrijpen dat ze niet mogen pesten. Deze methode levert geen inzicht in oorzaken en oplossingen van pesten. Pesten is een probleem van de hele groep en het zoeken naar hiërarchie en gezamenlijke groepsnormen. Soms komt een groep in een negatief groepsproces terecht, waarbij een zondebok nodig is om de groepsnormen te bekrachtigen en zo de machtsverhoudingen te waarborgen. Vooral als er geen sprake is van positief leiderschap in de groep zelf of van de docent(en). Dit kun je niet doorbreken met een harde ingreep waarbij iedereen straf krijgt, want wie is daarvan het slachtoffer? Juist, de zondebok. Deze methode roept dus juist agressie op. Wat ook blijkt, de verontwaardiging is groot. Maar niet de verontwaardiging over het maandenlange pesten, maar over het tv-programma en het stiekeme filmen.

De meest gangbare reactie op pesten is ontkenning (“het is maar een geintje, daar moet je tegenkunnen”), of –als dat niet helpt-  het slachtoffer beschuldigen. Die doet ook wel heel raar, zoekt de moeilijkheden juist op, gedraagt zich kinderachtig, reageert overal op, enzovoorts. Daarbij over het hoofd ziend dat dit juist vaak reacties zijn op het pesten. Gevolgen dus in plaats van oorzaken.
In dit geval gaat de verontwaardiging naar de programmamakers die de kinderen dwongen en naar de jongen, die stiekem filmde. Niét naar de pesterijen die hij al tijdenlang moest doormaken, niet naar de klaarblijkelijke wanhoop van de jongen en zijn ouders. De verontwaardiging van de school, die zelfs een rechtszaak aanspant om uitzending van het tv-programma te voorkomen, gaat vooral naar de methode en de openbaarheid ervan. Kinderen zouden zijn gedwongen om naar de opnames te kijken en vervolgens hun excuses te maken. Hoe erg is dat, vraag je je af, in vergelijking tot wat de jongen in kwestie dagelijks moest meemaken?

De rector heeft groot gelijk dat de aanpak van pesten een langdurig proces is dat zorgvuldig begeleid moet worden, en dat je bij zo’n eenmalige actie als die van het televisieprogramma niet de illusie moet hebben dat je ook maar iets bereikt. Toch wringt er iets. Bagatelliseert hij het pesten als hij er nadrukkelijk op wijst dat hij de dossiers heeft bekeken en dat het om “multi-problemen” ging (suggererend dat er echt wel wat meer aan de hand is)? Of wanneer hij stelt dat op de gemaakte opnamen “opmerkingen die je zou kunnen opvatten als pesten” voorkwamen? De rector wil de zaak niet in de openbaarheid oplossen (daarin heeft hij groot gelijk) maar in een “veilige setting, in de geborgenheid van de school.” Maar hoe veilig is die setting? Die was al buitengewoon onveilig voor deze jongen, en is dat nu nog meer.

Wat ik mis is aandacht voor de wanhoop van de jongen en zijn ouders, en vooral, voor de gevolgen van deze schreeuw om aandacht. Ik heb inmiddels gehoord (van horen zeggen) dat het pesten alleen maar is toegenomen. Of, zoals pestdeskundige Bob van der Meer in hetzelfde filmpje zegt: die jongen is zwaar gestigmatiseerd. Die heeft geklikt, zijn positie is nu helemaal onmogelijk op die school. Grote schuldige is de producent van het programma, die uit is op kijkcijfers. Die krijg je nu eenmaal niet met een weloverwogen, langdurig en genuanceerd proces, maar wel met snelle opnames en een hoop reuring. In de woorden van Bob van der Meer (die om dezelfde redenen al snel afhaakte): met “stennis”.

Al met al een zeer trieste situatie. Alleen nog een heel krachtig ingrijpen van de rector en de hele school kan de situatie van de jongen redden. Met aandacht voor het waarom van deze wanhoopsdaad (wat maandenlang pesten met je doet) en met meteen een leermomentje wat sensatiejagers met jouw situatie kunnen doen. Dat ze eigenlijk alleen maar geld willen verdienen met jouw leed. Kortom, een lesje mediawijsheid.
Maar gezien de verontwaardiging en toch (het vermoeden van de) neiging tot bagatelliseren, verwacht ik dat de jongen niet lang op die school zal blijven. Gedoemd tot het zoeken van een andere school (die hem ook niet zal willen hebben) of tot thuiszitten. Triest.

En het programma is vast alweer op zoek naar het volgende slachtoffer.



Nieuwsflits!
Mijn boek “Alles over pesten” verschijnt half mei bij uitgeverij Boom:  http://www.boompsychologie.nl/product/2395/Alles-over-pesten 









donderdag 20 maart 2014

Pesten is geen schoonmaakmiddel!

Pesten is een probleem in de Nederlandse Defensie Academie (1). Geweld en vernedering tussen de aspirant-officieren nemen problematische vormen aan, en sommige cadetten en adelborsten worden structureel buitengesloten. Gelukkig vindt de gouverneur van de Koninklijke Militaire Academie, Theo Vleugels,  het ongewenst dat studenten intern saneren. Maar volgens Stephan de Vries (in het NRC-Handelsblad van 19 februari j.l.) is dat een misvatting en heeft het pesten juist een zelfreinigende functie. Zijn argument hierbij is dat militairen onder extreme omstandigheden op elkaar moeten kunnen vertrouwen. Door middel van het uitsluiten naar impliciet tot stand gekomen groepsnormen worden zo de zwakkeren uit de groep geweerd, wat zowel de kameraadschap als de veiligheid ten goede zou komen.
Deze redenering – die ook wel op schoolpleinen te beluisteren valt - berust op een grove misvatting over de aard en oorzaken van pesten. Vaak wordt gedacht dat personen die gepest worden, niet aan de (al dan niet impliciete) groepsnormen beantwoorden. Het omgekeerde is echter het geval. Groepsnormen worden aangegrepen om het buitensluiten te legitimeren. Daarbij wordt met twee maten gemeten: zo is een populaire persoon die huilt empathisch (norm: sociale betrokkenheid) of dapper dat hij zijn gevoelens laat zien (norm: jezelf zijn) en de minder populaire huilebalk een kinderachtige loser (norm: flink zijn). De populaire persoon met een aparte haardracht is authentiek, de minder populaire met dezelfde haardracht een uitslover of een na-aper. Belangrijk is dus dat de norm wordt aangehaald in dienst van het pesten; het buitensluiten gaat dus aan het formuleren van de groepsnorm vooraf.
Wordt via het pesten de zwakkere weggesaneerd? Heeft pesten een zelfreinigend vermogen dat de veiligheid in het leger (of in het algemeen, de kameraadschap in een groep) ten goede komt? Dat is nog maar helemaal de vraag. Verwacht mag worden dat de militaire  opleiding zelf al voldoende sanerend vermogen heeft. Niet iedereen wordt aangenomen, of kan het fysiek en mentaal zware programma aan. De opleiders hebben voldoende gelegenheid om ook naar sociale vaardigheid van hun cadetten te kijken, dat is inderdaad niet de taak van de tweedejaars.
Het belangrijkste argument van De Vries is veiligheid in oorlogssituaties, als het op de samenwerking van de groep aankomt. De zwakkeren zouden deze in gevaar kunnen brengen, het zou zelfs levens kunnen kosten. Dit ziet hij als een rechtvaardiging voor het pesten en buitensluiten. Immers, de zwakkeren zijn een gevaar, het is maar goed dat ze eruit gepest worden. Dan vormen zij ook geen bedreiging van de groep, want wat overblijft als de zwakkeren eruit gepest zijn, zijn echte vrienden die elkaar kunnen vertrouwen. 
Het tegenovergestelde is echter waar: juist een sfeer van pesten en buitensluiten zorgt voor een onveilig gevoel in de hele groep. Jij kan de volgende zijn, als je maar enige zwakte laat zien, of als je een misstand aan de orde wil stellen die door de onveilige groepsnorm niet genoemd mag worden. Volgens dit mechanisme zijn er in de geschiedenis al vele fatale fouten gemaakt, onder andere in cockpits van vliegtuigen.

Pesten heeft geen zelfreinigend vermogen, maar werkt juist vervuilend: zowel voor het gevoel van groepsveiligheid als voor de fysieke veiligheid. Het idee dat de zwakkeren zo weggezuiverd worden komt neer op sociaal darwinisme: de slachtoffers van pesten zijn biologisch en/of sociaal inferieur, die kun je maar beter wegzuiveren. Iedereen weet wat het gevolg kan zijn van dit soort redeneringen.
Ja, maar, de groep besluit toch niet zomaar om iemand te gaan pesten, daar moet toch iets mee zijn? Alweer een misverstand. Gebrek aan leiderschap en de onveiligheid die daarvan het gevolg is veroorzaken pesten, doordat de eigen positie en die van de anderen niet duidelijk is. Een slecht geleide groep zal zo onderling gaan zoeken naar een slachtoffer, om een kunstmatige consensus te bereiken: wij zijn een groep dóórdat we een extern mikpunt hebben. Dat betekent echter niet dat het uiteindelijke slachtoffer "zwakker" was, maar dat deze zwakker wordt gemáákt. De onveiligheid (in de groep zelf, nog los van de oorlogssituatie) gaat aan het pesten en aan het slachtoffer vooraf. Pesten wordt wel ingezet om personen weg te "zuiveren", maar de groep wordt er niet schoner van.

Onderling vertrouwen in de groep groeit onder krachtig en positief leiderschap, terwijl slecht of tiranniek leiderschap –en dit blijkt uit onderzoek- juist zorgt voor meer onderlinge agressie.(2)  Wanneer de opleiders de groep stevig onder handen gaan nemen en hun verantwoordelijkheid terugpakken op de pestkoppen, komt dat niet alleen de groep, maar ook de veiligheid ten goede. Pestretoriek is niet op zijn plaats. Niet in de samenleving, en dus ook niet in het leger. 


(2)Een studie uit 1939 van Lewin et.al., liet al zien dat onder leiding van een autoritaire leider, de onderlinge vijandigheid in een groep maar liefst acht keer zo groot is als onder democratisch leidinggevende. Lewin, Lippitt and White: Studies of Leadership and Social Climates (1939).