vrijdag 10 mei 2013

Kinderen van overbeschermende ouders worden vaker gepest. Dus ligt het aan de ouders, toch?


In Trouw van 9 mei 2013 staat het met dikke letters in de kop: “Kinderen uit beschermende gezinnen vaker slachtoffer pesten”. (1) De opvoedstijl van ouders heeft volgens het artikel invloed op de kans dat kinderen zich tot pestkop of slachtoffer ontwikkelen, zo blijkt althans uit Brits onderzoek. Zegt het artikel.
Het  lijkt een logische redenering: de opvoeding van kinderen thuis heeft invloed op hun weerbaarheid en sociale vaardigheid, en dus op de kans dat kinderen op school gepest worden of zelf pesten. Het artikel besluit dan ook met een pleidooi voor begeleiding van gezinnen als de kinderen nog heel jong zijn, om latere problemen te voorkomen.
Het klinkt allemaal plausibel, maar op een flink aantal punten gaat het mis.

Mijn eerste punt van kritiek betreft de opening van het artikel: “kinderen onder elkaar kunnen meedogenloos zijn”. Dat suggereert dat het pesten een probleem van kinderen is. Het tegendeel is waar: pesten is een probleem van groepen. Het kan iemand op elke leeftijd treffen: op het werk, in het leger, in de buurt, in het bejaardentehuis. Dat pesten onder kinderen vaak voorkomt, ligt er vooral aan dat wij kinderen in groepen onderbrengen, in het onderwijs. Pesten is geen kinderprobleem, maar een groepsprobleem. Dat maakt de vraag of opvoeding invloed heeft al heel wat minder relevant.
Nog afgezien van de invalshoek. Dit onderzoek zoekt de oorzaak van pesten in het gepeste (of pestende) individu. Natuurlijk is inzicht in de pestproblematiek belangrijk, maar de stap van oorzaak naar schuld is dan nog maar klein. Hadden de ouders maar anders moeten opvoeden. Had het kind maar weerbaar moeten zijn. Dat ligt ook besloten in het pleidooi voor opvoedbegeleiding (waarbij ik me nog afvraag hoe ze die ouders willen benaderen). In zijn blog als reactie op het Trouw-artikel(2) stelt Theo Klungers dan ook terecht dat pestkoppen nóóit het recht hebben om te pesten, of iemand nu weerbaar is of niet. Daarnaast is het natuurlijk heel beperkt om bij een groepsprobleem als pesten te kiezen voor een individuele onderzoeksbenadering, wat bij onderzoek door psychologen vaker een bezwaar is.

In het onderzoek werden 70 studies naar opvoeding en pesten geanalyseerd. Dat levert hooguit informatie op naar samenhang tussen opvoeding en pesten, maar vertelt nog niets over de betekenis daarvan. Zo gingen mijn haren recht overeind staan bij de term “overbeschermende ouders” . Niet alleen is dat geen waardenvrije term (er zit een duidelijke veroordeling in), maar je moet je ook afvragen waaróm  zijn die ouders zo beschermend? En als hun kinderen gepest worden, hoe beschermend zijn zij dan nog? Wellicht kennen zij hun kind zo goed dat zij weten dat het minder weerbaar zal zijn, omdat het gevoeliger is dan gemiddeld, of op een andere manier iets “anders” is dan anderen. Is het pesten dan een gevolg van de opvoeding, of hangt het samen met dat “anders” zijn? (3)
Of wellicht hebben die ouders zelf een pestverleden, met dramatische gevolgen voor hun zelfvertrouwen, hun sociale vaardigheid en vertrouwen in de mensheid? Het zou zomaar kunnen. Niet voor niets moest ik ooit tegen mijn kind zeggen: “het spijt me, ik weet niet wat je moet doen om niet gepest te worden. Ik weet maar al te goed wat je moet doen om wél gepest te worden.” Ik kan me voorstellen dat pesten (zowel als dader of als object) erfelijk is.

Maar het allergrootste bezwaar kwam bij me op toen ik eens goed naar het genoemde onderzoek zelf keek. Het blijkt dat een negatieve opvoeding een sterk verband heeft met pesten als dader, en een zwak verband heeft met gepest worden. En dat van alle soorten negatief opvoedingsgedrag de overbeschermende opvoeding juist het minste invloed had op  pesten of gepest worden. Om precies te zijn: nauwelijks. (4) Misbruik en verwaarlozing hebben een sterke invloed; een opvoeding waarin slecht gecommuniceerd wordt met het kind een matige invloed. Lees het zelf na, ik ben benieuwd wat jullie eruit opmaken.

Waarom dan die vette koppen, al die aandacht voor overbeschermende ouders en hun vermeende negatieve invloed? Omdat dat zo lekker aansluit bij de heersende trend van ouders bashen, waarbij ouders de schuld krijgen van bijna alle maatschappelijke problemen. Waarbij ouders die hun stinkende best doen “helicopterouders” worden genoemd. Zodat ouders het eigenlijk niet goed kúnnen doen. Daarover later meer, voor nu zeg ik alleen: pesten is een groepsprobleem en komt bij alle leeftijden voor. De oorzaken moeten in de groepsdynamiek gezocht èn gevonden worden.

(2) http://www.posicom.nl/tips/39-tips-over-pesten/164-kinderen-uit-beschermende-gezinnen-vaker-slachtoffer-van-pesten
 
(3) http://miekevanstigt.blogspot.nl/2013/01/naar-een-effectieve-aanpak-van-pesten.html

donderdag 25 april 2013

Jongens zijn slimmer dan meisjes


Jongens zijn slimmer dan meisjes…
en andere mythes over leren en onderwijs. Zo luidt de titel van het boekje dat onlangs verscheen, geschreven door mijn twittervriendjes Pedro de Bruyckere en Casper Hulshof. Een klein, en zeer handig boekje waarin ze een aantal ideeën over leren en onderwijs aan kritisch onderzoek onderwerpen.  En hard nodig ook, als je sommige stellige uitspraken hoort die in onderwijsland rondgaan.
Want kloppen die wel?

Zo hoorde ik de bijlesdocent wiskunde van mijn dochter laatst zeggen:  kinderen leren het best door iets aan een ander uit te leggen. Even bladeren en inderdaad: onzin. Vaak wordt verwezen naar de “Glasserpyramide (of Dale, of NTL) waarbij de laagste score (10%) op wat er van de onderwezen stof onthouden wordt komt van uitleg door een leraar, en de hoogste score (90%) van het zelf uitleggen van de lesstof. Het probleem bij deze pyramide is, dat de herkomst volkomen onduidelijk is en de ingevulde percentages blijken al helemaal niet te kloppen. De verschillende manieren van leren zouden net zo goed in een vierkant kunnen staan. Nu had ik de tegenwoordigheid van geest om niet meteen met de fonkelnieuwe wiskundebijlesleraar in discussie te gaan, maar ik houd het wel in mijn achterhoofd: uitleggen aan anderen is voor mijn dochter misschien niét de beste manier om wiskundebijles te krijgen.
Er heersen overal, dus ook in onderwijsland, vele mythes die ons denken en handelen zin en/of richting geven. Zo wordt algemeen gedacht dat jongens het slechter doen omdat het onderwijs feminiseert. Inderdaad, jongens zijn het slechter gaan doen (ten opzichte van meisjes dan) en inderdaad, het onderwijs feminiseert. Maar het een is nog geen verklaring voor het ander. We zeggen immers ook niet dat het onderwijs feminiseert omdát jongens het slechter zijn gaan doen. Uit onderzoek blijkt op geen enkele manier dat jongens (of meisjes) het slechter of beter doen bij een man of een vrouw voor de klas. Maar in onderwijsland praten velen elkaar na, gevoed door een handvol pedagogen die hun brood verdienen aan dergelijke onzin.

Zo verspreidt “onderwijs maak je samen” posters om in de klas op te hangen. Op de roze poster staat hoe meisjes zijn en hoe meisjes leren, zoals:  “Ik heb een sterker emotioneel geheugen” en “Omdat mijn hersenhelften beter kunnen samenwerken ben ik beter in multitasken”. Op de blauwe poster staat ondermeer “Ik leer beter wanneer mijn lichaam in beweging is” en “Ik ben eerder geneigd fysiek te reageren wanneer ik me bedreigd of emotioneel geladen voel” en “Ik ben sterker in ruimtelijk denken, mentale manipulatie en ruimtelijk denken.”
De Bruyckere en Hulshof zijn hier heel duidelijk over. Ten eerste klopt het idee dat meisjes taliger zijn en jongens beter in wiskunde, niet. Althans, niet vanuit hun biologische aanleg. In het verleden zijn wel verschillen aangetoond, maar die hangen samen met sociale en culturele factoren. Dat jongens het beter doen in wiskunde is een westers fenomeen en hangt samen met opvoeding en het onderwijs zelf. Bovendien: meisjes die verbaal sterker zijn, zijn vaak ook beter in wiskunde. Omdat je voor wiskunde veel taal nodig hebt.

Er is ook niet zoiets als een mannelijk brein of een vrouwelijk brein. Er zijn gemiddeld genomen wel verschillen, maar de verschillen tussen meisjes onderling, of tussen jongens onderling zijn veel groter. En dat meisjes beter zouden scoren op een test waarin empathie wordt gemeten is waar… totdat jongens tevoren wordt verteld dat zij beter zijn. Dan scoren ze ook beter.
Het grote gevaar van dergelijke denkbeelden is namelijk de selffulfilling prophecy: juist doordat mensen erin geloven, gaan ze ernaar handelen.  Ze zoeken naar hun eigen gelijk en zien dat keer op keer bevestigd. Dat is het gevaar van docenten die geloven dat jongens het beter doen met een man voor de klas: jongens gaan zich daarnaar gedragen, en meisjes gaan geloven dat een vrouw voor de klas minder waard is. Voorwaar een lonkend toekomstbeeld. En wat te denken van kinderen die opgroeien met een dergelijke poster voor de klas?

Dergelijke denkbeelden kunnen ons houvast geven, maar als ons handelen daardoor in de verkeerde richting wordt gestuurd, zijn we beter af met nuances. Daarom zou iedereen die met onderwijs te maken heeft, het boekje grondig moeten bestuderen.

 

Pedro de Bruyckere en Casper Hulshof: jongens zijn slimmer dan meisjes en andere mythes over leren en onderwijs. Lannoo Campus/ Van Duuren psychologie 2013.
http://www.onderwijsmaakjesamen.nl/actueel/boysandgirls/

 Leestips:
Asha ten Broeke: Het idee M/V.  Ontmaskering van een hardnekkig denkbeeld. Uitgeverij Maven Publishing 2010.
Cordelia Fine: Waarom wij allemaal van mars komen.  Hoe neuroseksisme aan de basis ligt van de verschillen tussen man en vrouw. Uitgeverij Lannoo 2011.

woensdag 24 april 2013

Een krijsend kind in de supermarkt


(Dit blog verscheen eerder op Opositief.blogspot.nl)
 
Het is een nachtmerrie voor (bijna) alle ouders en alom spreekt men er schande van: een kind dat languit in de winkel gaat liggen krijsen, of gilt dat het NU deze koekjes wil. De ouders, bang voor de prikkende blikken in hun rug, sussen het kind en geven het dan maar zijn of haar zin. Waarna men er nog meer schande van spreekt of denkt. Zie je wel: die ouder kan geen grenzen stellen, dat kind wordt gewoon verwend. Zijn dwingende gedrag wordt beloond, wat moet dat worden in de toekomst? Het kind een pak voor de billen geven is al helemaal uit den boze. Slaan is immers taboe? Hoe overleeft een ouder het spitsuur in de supermarkt? Hoe deden ze dat vroeger?
Nou, om te beginnen waren er vroeger helemaal geen supermarkten. De winkels hadden een toonbank, en als je aan de beurt was vertelde je wat je graag kopen zou en dat werd je dan aangereikt. Niks geen verleidelijke pakken Dora-koekjes op kinderhoogte. Die bestonden trouwens ook nog niet. De meeste boodschappen werden trouwens thuisbezorgd, van brood en melk tot en met groenten en vlees. Bij de kruidenier hoefde je eigenlijk niet dagelijks te zijn. En natuurlijk stond er een pot met snoepjes op de toonbank. En als je geluk had mocht je als kind er daarvan één uitzoeken.
Ergens in de jaren vijftig of zestig werd de supermarkt uitgevonden, of eigenlijk werd deze vanuit Amerika ingevoerd waar dit fenomeen al langer bestond. Mèt de supermarkt werd de marketing uitgevonden: hoe kun je de klanten zo veel mogelijk verleiden je producten te kopen. Deze marketing werd een complete wetenschap, dat zich richtte op het onbewuste: gevoelens, emoties, identiteit. Zo bleek uit onderzoek dat mensen in een supermarkt minder vaak met de ogen knipperden, alsof ze in een soort trance waren. Bij de kassa nam de frequentie van knipperen dan enorm toe, hetgeen wijst op stress (1). Marketeers weten dit allemaal – en nog veel meer. De supermarkt (en vele andere winkels) zijn dan ook maximaal ingericht om tot aankoop te verleiden. Niet voor niets beginnen supermarkten met een groenteafdeling: als je net binnenkomt ben je nog helemaal alert(2). De groenteafdeling vraagt weinig alertheid en geeft ook weinig verleiding. De echte verleidingen staan verderop, en vooral bij de kassa. Is het je nooit opgevallen dat nu vrijwel elke kassa omgeven is door chocola en zoetigheid? Niet alleen bij de supermarkt, maar ook bij de blokker, de drogisterijketen, de bouwmarkt, de benzinepomp, etcetera?  Dat is niet voor niks.
Kinderen zijn nog veel kwetsbaarder voor dit soort verleiding, en dat weten ze bij de supermarkt en andere winkels ook. In het spitsuur van de supermarkt – lange dag achter de rug, jijzelf en je kind(eren) moe- heb je al genoeg energie nodig om je eigen gedachten bij elkaar te houden. Is het dan vreemd dat je kind op hol slaat? Als moderne ouder heb je er een flinke klus aan, zonder dat we er ooit een gebruiksaanwijzing voor in handen hebben gekregen. Toegeven mag niet, laten krijsen ook niet, en slaan al helemaal niet. Ondertussen doen de marketeers hun uiterste best om kinderen tot zeuren aan te wakkeren.(3)

Wat is wijsheid? Wéét dat de supermarkt zo ingericht is om jou en je kinderen maximaal te prikkelen en verleiden. Het liefst laat je je kids helemaal thuis, maar die optie is er nou eenmaal niet altijd. Je kunt wel je kind laten ‘helpen’: in plaats van verbieden, kun je het laten meezoeken naar de macaroni. En als het aankomt met een pak Spongebob macaroni (ja dat bestaat) zeggen: “ja, dat is Spongebob, leuk hè?” En dan terugleggen. Of laten kiezen tussen twee mogelijkheden die jij bepaalt.
En als je met zo’n hummel door een speelgoedpaleis loopt, verwacht er dan niet teveel van. De prikkels daar, met al dat geel, blauw en roze, zijn gewoon méér dan welk kind dan ook kan verdragen. Ik zag ooit een jongetje steeds met ander speelgoed naar zijn vader rennen, die vervolgens boos werd. Hij had ook kunnen zeggen: “ja dat is óók erg mooi, ik snap best dat jij dat wil hebben.” Het joch was hooguit drie…

Maar weet ook, dat de meeste volwassenen je sores zullen herkennen. We hebben allemaal wel eens met een krijsend kind in de supermarkt gelopen. Zo stond ik ooit bij de kassa met een luidruchtig tegenstribbelend kind, dat haar zin niet kreeg. Een oudere dame legde haar hand op mijn arm en zei: “je doet het goed hoor!”

 

Noten:

(1) Vance Pacquard: de verborgen verleiders. (The hidden Persuaders, 1957)
(2) Asha ten Broeke en Ronald Broekhuizen: Eet mij. Amsterdam 2012.
(3)zie ook het rapport van Foodwatch over kindermarketing:  http://foodwatch.nl/pers/persberichten/e45738/index_nl.html

vrijdag 12 april 2013

Strenger opvoeden! - Gastblog van Gabriëlle Jurriaans

Zelden zoveel amateurpedagogen op Twitter langs zien schuiven als tijdens de VPRO themavond 'Alles voor je kind' (donderdag 11 april 2013, Nederland 3). We verwennen onze kinderen te veel, is de gedachte. We zijn niet streng genoeg, kinderen krijgen te veel materiële dingen, hoeven weinig zelf te doen en ouders zijn niet consequent genoeg.

 Voor de helft ben ik het daar mee eens: ja, een kind van tien met twee laptops, een aaifoon, en drie dure sporten, dat is verwennerij. Van het soort waar kinderen, maar vooral ook onze planeet heel goed buiten kan.

En kinderen hoeven weinig zelf te doen. Ook dat is waar. Kinderen willen en kunnen nuttig zijn en hebben het nodig om als gelijkwaardig teamlid in een groep te functioneren. Daar kun je al heel vroeg mee beginnen, bijvoorbeeld met zes maanden als je kind een vaste hap mag en je hem een struik afgekoelde broccoli of een stuk banaan geeft.

'Zelluf doen' is een basisbehoefte van kinderen die er niet is om jou dwars te zitten, maar om te leren hoe het leven in elkaar steekt. Wil je kind van twee dus zelf wat water inschenken, bedenk dan – als je de vloer staat te dweilen – dat het kind een enorm nuttige vaardigheid aan het oefenen is.

Maar hoe zit dat met dat consequent en streng zijn? In 'Alles voor je kind' zien we presentator Bram van Splunteren zijn tweejarige trainen. Als je de driftbuien van een peuter ziet als een programmeerfout van het kind, dan moet dat er natuurlijk flink uit geoefend worden. Op het stoutstoeltje, inzicht geven, maar gelukkig ook afleiden (halleluja!). De Triple P-folders kwamen nog even in beeld. Waren die driftbuien nu minder? Het leek er niet erg op.

Van Splunteren had eerst de Gordontraining gedaan, maar dat was toch niet gelukt. Nogal wiedes: het kind is pas twee en de Gordonmethode is een communicatiesysteem. Probeer dat over een jaar nog eens, van Splunteren!

Verder zagen we worstelende ouders, mensen die het vooral moeilijk vonden zichzelf te reguleren. 'Ja, ik ga 40 dagen om half zeven thuis zijn van mijn werk' zei een moeder. En, was het gelukt? Nou nee, voor zevenen lukte dan meestal nog net wél, lachte moeder haar verbroken belofte weg.

Kijk, ouders die zichzelf verwennen, met tripjes naar exotische oorden, met dure apparatuur,  hoe moeten die dan soberheid aan hun kinderen voorleven? Ouders die het zelf amper op kunnen brengen om zonder televisie of laptop aan tafel te eten. Dan kun je nog zo consequent regels aan je kind opleggen, maar kinderen doen nu eenmaal wat jij doet en niet wat je zegt.

En dat streng zijn dan. Kinderen hebben grenzen nodig, dat weten we wel, maar grenzen die keihard en zonder enige flexibiliteit of menselijkheid gehanteerd worden, zijn belachelijk. Een beetje onderhandelruimte, respect voor je kind, goed luisteren naar wat je kind zegt en nadenken over de regels die je wél wilt hanteren, dat heeft niets met streng zijn te maken, maar met samenleven.

Je kunt een kind van een jaar best dwingen om stil te zitten aan tafel, maar dan ga je voorbij aan het feit dat dit erg veel gevraagd is van een dreumes. Het kind leert er vooral iets over machteloosheid, fysieke overmacht en rare rigide regels van,  waar het later in het leven helemaal niks aan heeft.

Als we allemaal gaan roeptoeteren dat kinderen streng moeten worden opgevoed, gewoon moeten luisteren, dat nee ook echt nee is en dat je altijd keihard consequent moet zijn, zonder enige nuance en duiding, dan leggen we al onze maatschappelijke en sociale problemen in de schoot van onze kinderen. Laat ouders eerst zichzelf streng opvoeden en minder verwennen. Dan praten we verder.
 
Door Gabriëlle Jurriaans, redacteur van Kiind Magazine www.kiind.nl

dinsdag 12 maart 2013

Coming out. Over pesten en slachtofferschap


De meesten van jullie weten het wellicht al, maar ik zal het maar eens hardop schrijven: Ik ben vroeger gepest. En niet zo’n beetje ook. Het begon waarschijnlijk al op de kleuterschool, hoewel ik me daarvan niet veel herinner. Maar van mijn ouders hoorde ik later dat zij destijds al overwogen om een andere kleuterschool voor mij te zoeken, vanwege de pesterijen.  Mijn oudste herinneringen aan pesten dateren van de derde klas (wat nu groep 5 heet). Op een dag mocht ik boodschappen doen, een flesje koffiemelk halen in de supermarkt, voor de lerarenkamer. Ik was natuurlijk reuze trots en vereerd. Maar een paar weken later vond ik ineens allemaal briefjes in de kast, achterin de klas. Daarop stonden dingen als: “Ik vind Mieke gewoon een stom kind” of: “Ik vind Mieke niet stom, maar ze wil alleen met E. spelen”. Bleek dat de meester in mijn afwezigheid alle kinderen had gevraagd op te schrijven hoe ze mij vonden.

Maar al jong school er een kleine socioloog in mij, die goed kon observeren, die keek wat er gebeurde. Zo zei ik tegen de meester van de vierde klas (groep 6) dat zijn belgenmoppen echt niet konden, Belgen waren gewone mensen, net als wij. Ik leerde ook al vroeg dat meesters en juffen gewoon konden meedoen met pesten, of het zelfs aanmoedigden. Zo haalde diezelfde meester van de vierde mij eens voor de klas, hield het boekje dat ik uit de schoolbieb had gehaald omhoog en zei tot de klas: “kijk eens wat Mieke voor kinderachtig boekje heeft uitgekozen!” De klas joelde maar wat graag.

En op de nieuwe school, in de nieuwe woonplaats, vonden zowel de leerlingen als (veel van) de meesters en juffen mij maar een vervelende leerling, beslist geen aanwinst voor hun school. Het pesten hield ook aan in de brugklas, en later. Tot en met 4 vwo, daarna ebde het weg.

Al die jaren pesten hebben diepe sporen in mij achtergelaten. Toch heb ik het nooit ervaren als alleen maar negatief. Ik heb namelijk ooit een moment gehad waarop ik dacht: wat ik ook doe, ik hoor er niet bij. Dan kan ik net zo goed voor mijzelf kiezen. En ik werd mezelf. En ging vooraan zitten in de collegezaal, en stelde vragen aan de professor. Ik viel op, en kon me optimaal ontwikkelen. Ik had immers niets te verliezen? Maar pijn deed het wel. Het voelde als een negatieve keuze. Het heeft wel een paar gesprekken gekost, om erachter te komen dat het altijd een positieve keuze is geweest. Voor mezelf in plaats van voor de groep.

Slachtofferrol

Ik heb lang geaarzeld om mijn verleden openbaar te maken. Jezelf als “pestslachtoffer” neerzetten is beslist geen slimme zet. Je presenteert jezelf immers als een loser? Hoe serieus word ik hierna nog genomen als wetenschapper? En juist pesten draait om het uitkiezen van de zwakkeren, die dienen als mikpunt. Bovendien roept zwakte agressie op. Wat dat betreft zie ik wel een parallel met dierlijk gedrag, maar daarin ga ik me nog eens verdiepen. Afgezien daarvan wordt de term “slachtofferrol” tegenwoordig vaak misbruikt om iemand helemaal monddood te maken. Als in: “hij/zij kiest ervoor om in een slachtofferpositie te blijven hangen”. Een loser dus, die het helemaal aan zichzelf te danken heeft dat hij/zij er niet uitkomt.  Dat heeft alles te maken met het neoliberale ideaal van meritocratie. De beteren hebben niet zozeer geluk gehad in het leven, maar hun positie aan zichzelf te danken en dan ook het volste recht op hun aanzien, hun inkomen, hun plekje aan de top. En tja, dan moeten die losers het óók wel aan zichzelf te danken hebben. Wijzen op nare omstandigheden is zó kiezen voor de slachtofferrol…

Kortom, ik moest wel even slikken om toch hardop uit te spreken dat ik inderdaad gepest ben. Toch doe ik het. Niet alleen om iets van het taboe weg te nemen, maar ook omdat ik kennis heb opgebouwd van binnenuit. Kennis waarmee ik anderen kan helpen. Ik heb dingen opgemerkt, die anderen wellicht over het hoofd zouden hebben gezien. Door die te benoemen, kunnen ze opgenomen worden in het beleid tegen pesten.(1)  Zo kon ik laatst op een expert meeting met de staatssecretaris en kinderombudsman wijzen op de soms actieve rol van leerkrachten. Pesten is niet alleen iets van kinderen onder elkaar, maar komt ook onder volwassenen voor en op scholen kunnen leerkrachten zelfs een actieve rol hebben in het pesten. Ik heb het vaak gezien, en zelf ook (soms) ervaren. De goeden niet te na gesproken, het komt voor en moet dus niet op voorhand uitgesloten of over het hoofd gezien worden.

Betrokkenheid en distantie

Natuurlijk is er het risico van te grote emotionele  betrokkenheid bij het onderwerp pesten. En inderdaad, naar sommige programma’s over pesten kan ik nauwelijks kijken. Erover vertellen vind ik nog lastiger (maar ik doe het wel!).  Aan de andere kant kun je je afvragen wie werkelijk objectief tegenover het onderwerp pesten staat. Iedereen heeft er wel eens mee te maken gehad, is ooit slachtoffer, dader, toeschouwer of meeloper geweest. Dat kan haast niet anders. Ook bij hen kun je je afvragen hoe objectief die persoon is, wat zijn/haar belangen of vooroordelen zijn. En van iemand die er ècht nooit mee te maken heeft gehad, moet je je werkelijk afvragen of die in dezen zo’n geschikte wetenschapper is. Kortom, ik heb niet de illusie objectief te zijn, noch de ambitie. Liever verwijs ik naar de verhandeling van Norbert Elias (2) over problemen van betrokkenheid en distantie. Beide termen geven meer een proces en een mengvorm aan, dan iets absoluuts.  Ikzelf probeer mijn kennis en ervaring in te zetten, en kijk niet alleen kritisch naar anderen, maar ook naar mijzelf. Althans, dat probeer ik.

 

Noten:
(1) Voor mijn aanbevelingen over pesten, zie het document “Naar een effectieve aanpak van pesten” op http://miekevanstigt.blogspot.nl/2013/01/naar-een-effectieve-aanpak-van-pesten.html

(2) Norbert Elias: Problemen van betrokkenheid en distantie. Essay. Amsterdam: Meulenhoff 1982.

vrijdag 15 februari 2013

Het vraagstuk "kip"


Bas Haring houdt zich in de Volkskrant van 15 februari bezig met het vraagstuk “kip”: is het handiger om de hele kip te consumeren of kun je de diverse kippenonderdelen beter optimaal over de wereld verdelen? Volgens hem is de ideale situatie van de vrije markt dat voedingsproducten “optimaal worden geproduceerd en verdeeld over de samenleving wanneer mensen doen wat henzelf goeddunkt en vooral niet bezig zijn met wat optimaal is voor die hele samenleving.”

Maar wat er dan gebeurt valt te lezen in diezelfde Volkskrant, een paar bladzijden daarvóór, bij het “paardengate”: handelaren proberen zo goedkoop mogelijk te leveren, desnoods door paardenvlees van dubieuze herkomst te verkopen als goedkoop rundvlees voor goedkope lasagne. De inkopers zijn op hun beurt maar wat blij met die goedkope levering en de consument wordt onwetend gehouden.

Wordt het niet eens tijd dat mensen zich juist wèl bezig gaan houden met wat optimaal is voor de hele samenleving? En dat Bas Haring vraagtekens gaat zetten bij de aanname dat wanneer individuen doen wat goed is voor henzelf, er vanzelf een samenleving ontstaat die goed is van en voor zichzelf? Want we kunnen dagelijks zien dat daar niets van klopt. 

zaterdag 2 februari 2013

De Grote Vrouwelijke Revolutie


(ingezonden brief aan De Volkskrant. En nu hopen dat deze wèl geplaatst wordt...)
(naschrift: en waarom verbaast het mij niet dat de brief niet geplaatst is?)


De Grote Vrouwelijke Revolutie voltrekt zich,  schrijft Rutger Bregman in De Volkskrant van zaterdag 2 februari. Terwijl jongens op scholen en mannen in topfuncties voor problemen zorgen, zijn het de meisjes en vrouwen die steeds succesvoller worden. De moderne samenleving heeft meer aan vrouwelijke kwaliteiten als overleg en communicatie dan aan mannelijk testosteron. Het best nog werkt een gelijke verdeling van mannen en vrouwen. Streven naar een gelijke verdeling is dan ook een goed idee, niet zozeer vanuit gelijkwaardigheid, maar omdat het voor iederéén beter is. Een kwestie van kwaliteit dus. Alleen vreemd dat we daar in Nederland zo weinig van merken, aan de top èn in het openbare debat. Nog altijd moeten we het doen met een minderheid aan vrouwen in leidinggevende posities, een belachelijk laag percentage aan vrouwelijke hoogleraren, een regering met méér mannelijke dan vrouwelijke ministers en met een mannelijke premier en een mannelijke vice-premier.  

Nog erger zijn de media. In serieuze discussieprogramma’s komen vrouwen nauwelijks aan het woord, daarover is al veel discussie gevoerd – zonder al te veel resultaat. Zodat we avond aan avond moeten kijken naar pratende mannen die er óók hun plasje over willen doen. Het ergst vind ik dat mijn eigen Volkskrant geen haar beter is. Dag in dag uit zie ik vooral mannen die bijdragen aan de opiniepagina’s. Een jonge, mannelijke Sturm-und-Dranger aan de universiteit krijgt zijn stukje wel geplaatst, hoe onzinnig ook. Maar vrouwen? Niet of nauwelijks bij de ingezonden brieven, niet of nauwelijks bij de andere opiniestukken, gelukkig nog wel een paar goede vrouwelijke columnisten. Maar daar blijft het dan ook bij. Dag na dag, week na week zijn artikelen of brieven van vrouwen veruit in de minderheid. Wordt het niet tijd dat De Volkskrant zich realiseert dat er ook vrouwelijke abonnees zijn? Dat een evenwicht in de berichtgeving èn in het debat, zowel wat toon als onderwerpen betreft, de kwaliteit ten goede komt? Kom Volkskrant, luister eens naar Bregman, zo’n verstandige man…