dinsdag 22 april 2014

Eerst zien en dan pas oordelen

Twee weken geleden schreef ik een blog: Pesten als drama, over het televisieprogramma Project P en de discussie op en over het Einsteinlyceum, dat naar de rechter stapte om de uitzending van het programma tegen te houden. Er was veel discussie, en de hoofdpersoon uit de betreffende aflevering vertelde bij Humberto Tan dat het pesten nu helemaal was opgehouden en dat zijn voormalige pestkoppen nu zijn matties waren. Wat moest ik ervan denken, welke balans kunnen we voorlopig opmaken over Project P? Daarover schreef ik een opiniestuk voor de site Sociale Vraagstukken: Project P, ja of nee? Dit stuk werd doorgeplaatst naar de site van Trouw, met de wervende, maar enigszins misplaatste titel: "Schandpaalaanpak Project P heeft geen effect". (1) 

Via LinkedIn kreeg ik daarop een mail van één van de programmamakers. Ook hij keek gelukkig voorbij de misplaatste kop, en kon zich vooral vinden in mijn laatste zin: “Dan is er een project P nodig om de zaak grondig wakker te schudden.” Hij vroeg me om niet in de val te stappen van anderen napraten die niets gezien hebben en de situatie niet kennen, maar pleitte ervoor dat ik eerst zou zien en dan pas zou oordelen. Het programma wordt vanaf 28 april uitgezonden en hij is benieuwd naar mijn gedachte over Project P. Hij benadrukt dat het programma met veel zorg is gemaakt, dat de scholen nu een probleem minder hebben en dat de ouders nu een blij kind thuis hebben, en dat het hen daar om begonnen is.

Mijn antwoord daarop wil ik jullie niet onthouden.

Je pleit ervoor dat ik eerst zie, en dan oordeel. Wie zou daar tegen kunnen zijn? Toch wil ik daar wel een paar dingen over zeggen. Als je goed leest, zie je dat ik zo min mogelijk oordeel, maar juist overwegingen geef waarom ik jullie aanpak wel of geen goed idee vind. Het is jammer dat je niet op die argumenten ingaat.

Daarnaast is het vaak juist erg raadzaam om tevoren dingen goed af te wegen, en niet altijd de afloop af te wachten. Ik heb een aantal fundamentele bezwaren tegen jullie aanpak, de belangrijkste daarvan zijn dat je reactief werkt, eerst het pesten, dan de aanpak, en niet proactief: meteen corrigeren in plaats van de zaak zo grondig uit de hand te laten lopen. Maar gezien de omstandigheden (een school die die taak onvoldoende op zich neemt of kan nemen) is jullie tactiek niet eens zo slecht. Het programma legt bestaande misstanden bloot en confronteert:  niemand kan er meer omheen.

Maar toch is er een belangrijk  probleem, namelijk dat van manipulatie van de werkelijkheid. Een jongen die weet dat hij filmt, kan de situatie beïnvloeden om betere beelden te krijgen. Ik zeg niet dát hij het doet, maar het kán. En niemand kan dat controleren.

Dat maakt je ook verzoek om eerst het programma te zien problematisch, hoezeer ik ook geloof dat jullie bedoelingen oprecht zijn. Jullie zijn televisiemakers, geen hulpverleners. Datgene wat ik straks op televisie te zien krijg, is (opnieuw?) een selectie, een manipulatie van de werkelijkheid. Mijn eventuele oordeel straks,  zal gaan over die selectie, niet over de werkelijkheid, althans, ik kan dat nooit helemaal zeker weten. En dat vind ik problematisch.


Maar nogmaals, gezien mijn ervaringen met tegenstribbelende scholen en ontkenningen vanuit omgeving, leerkrachten en (andere) ouders, is een programma als dat van jullie een "welkome" (het is triest dat het nodig is) wake-up call. Dit is wat er gebeurt op scholen. Nu je het zo in beeld ziet, kan niemand meer ontkennen dat er gepest wordt en hoe erg dat is. 


dinsdag 8 april 2014

Pesten als drama. De casus van het Einsteinlyceum

Een jongen heeft met een verborgen camera de pesterijen gefilmd die hij dagelijks op school moet ondergaan. Dit, in opdracht van een televisieprogramma (Project P: Stop het pesten, van RTL 5) dat hem had beloofd een einde te maken aan het pesten. En natuurlijk zou hij er mee op televisie komen.

Al met al een recept voor problemen, en natuurlijk ging het mis. De school spande een rechtszaak aan om uitzending van het programma tegen te houden. Het programma Nieuwsuur wijdde er een item aan (1).
Maar wat ging er precies mis en vooral: waarom?

Allereerst de methode. Dat is die van “blaming and shaming” oftewel de piratenmethode, die pesten “hard” wil aanpakken. De daders confronteren en zwartmaken, zodat ze voor eens en altijd zullen begrijpen dat ze niet mogen pesten. Deze methode levert geen inzicht in oorzaken en oplossingen van pesten. Pesten is een probleem van de hele groep en het zoeken naar hiërarchie en gezamenlijke groepsnormen. Soms komt een groep in een negatief groepsproces terecht, waarbij een zondebok nodig is om de groepsnormen te bekrachtigen en zo de machtsverhoudingen te waarborgen. Vooral als er geen sprake is van positief leiderschap in de groep zelf of van de docent(en). Dit kun je niet doorbreken met een harde ingreep waarbij iedereen straf krijgt, want wie is daarvan het slachtoffer? Juist, de zondebok. Deze methode roept dus juist agressie op. Wat ook blijkt, de verontwaardiging is groot. Maar niet de verontwaardiging over het maandenlange pesten, maar over het tv-programma en het stiekeme filmen.

De meest gangbare reactie op pesten is ontkenning (“het is maar een geintje, daar moet je tegenkunnen”), of –als dat niet helpt-  het slachtoffer beschuldigen. Die doet ook wel heel raar, zoekt de moeilijkheden juist op, gedraagt zich kinderachtig, reageert overal op, enzovoorts. Daarbij over het hoofd ziend dat dit juist vaak reacties zijn op het pesten. Gevolgen dus in plaats van oorzaken.
In dit geval gaat de verontwaardiging naar de programmamakers die de kinderen dwongen en naar de jongen, die stiekem filmde. Niét naar de pesterijen die hij al tijdenlang moest doormaken, niet naar de klaarblijkelijke wanhoop van de jongen en zijn ouders. De verontwaardiging van de school, die zelfs een rechtszaak aanspant om uitzending van het tv-programma te voorkomen, gaat vooral naar de methode en de openbaarheid ervan. Kinderen zouden zijn gedwongen om naar de opnames te kijken en vervolgens hun excuses te maken. Hoe erg is dat, vraag je je af, in vergelijking tot wat de jongen in kwestie dagelijks moest meemaken?

De rector heeft groot gelijk dat de aanpak van pesten een langdurig proces is dat zorgvuldig begeleid moet worden, en dat je bij zo’n eenmalige actie als die van het televisieprogramma niet de illusie moet hebben dat je ook maar iets bereikt. Toch wringt er iets. Bagatelliseert hij het pesten als hij er nadrukkelijk op wijst dat hij de dossiers heeft bekeken en dat het om “multi-problemen” ging (suggererend dat er echt wel wat meer aan de hand is)? Of wanneer hij stelt dat op de gemaakte opnamen “opmerkingen die je zou kunnen opvatten als pesten” voorkwamen? De rector wil de zaak niet in de openbaarheid oplossen (daarin heeft hij groot gelijk) maar in een “veilige setting, in de geborgenheid van de school.” Maar hoe veilig is die setting? Die was al buitengewoon onveilig voor deze jongen, en is dat nu nog meer.

Wat ik mis is aandacht voor de wanhoop van de jongen en zijn ouders, en vooral, voor de gevolgen van deze schreeuw om aandacht. Ik heb inmiddels gehoord (van horen zeggen) dat het pesten alleen maar is toegenomen. Of, zoals pestdeskundige Bob van der Meer in hetzelfde filmpje zegt: die jongen is zwaar gestigmatiseerd. Die heeft geklikt, zijn positie is nu helemaal onmogelijk op die school. Grote schuldige is de producent van het programma, die uit is op kijkcijfers. Die krijg je nu eenmaal niet met een weloverwogen, langdurig en genuanceerd proces, maar wel met snelle opnames en een hoop reuring. In de woorden van Bob van der Meer (die om dezelfde redenen al snel afhaakte): met “stennis”.

Al met al een zeer trieste situatie. Alleen nog een heel krachtig ingrijpen van de rector en de hele school kan de situatie van de jongen redden. Met aandacht voor het waarom van deze wanhoopsdaad (wat maandenlang pesten met je doet) en met meteen een leermomentje wat sensatiejagers met jouw situatie kunnen doen. Dat ze eigenlijk alleen maar geld willen verdienen met jouw leed. Kortom, een lesje mediawijsheid.
Maar gezien de verontwaardiging en toch (het vermoeden van de) neiging tot bagatelliseren, verwacht ik dat de jongen niet lang op die school zal blijven. Gedoemd tot het zoeken van een andere school (die hem ook niet zal willen hebben) of tot thuiszitten. Triest.

En het programma is vast alweer op zoek naar het volgende slachtoffer.



Nieuwsflits!
Mijn boek “Alles over pesten” verschijnt half mei bij uitgeverij Boom:  http://www.boompsychologie.nl/product/2395/Alles-over-pesten 









donderdag 20 maart 2014

Pesten is geen schoonmaakmiddel!

Pesten is een probleem in de Nederlandse Defensie Academie (1). Geweld en vernedering tussen de aspirant-officieren nemen problematische vormen aan, en sommige cadetten en adelborsten worden structureel buitengesloten. Gelukkig vindt de gouverneur van de Koninklijke Militaire Academie, Theo Vleugels,  het ongewenst dat studenten intern saneren. Maar volgens Stephan de Vries (in het NRC-Handelsblad van 19 februari j.l.) is dat een misvatting en heeft het pesten juist een zelfreinigende functie. Zijn argument hierbij is dat militairen onder extreme omstandigheden op elkaar moeten kunnen vertrouwen. Door middel van het uitsluiten naar impliciet tot stand gekomen groepsnormen worden zo de zwakkeren uit de groep geweerd, wat zowel de kameraadschap als de veiligheid ten goede zou komen.
Deze redenering – die ook wel op schoolpleinen te beluisteren valt - berust op een grove misvatting over de aard en oorzaken van pesten. Vaak wordt gedacht dat personen die gepest worden, niet aan de (al dan niet impliciete) groepsnormen beantwoorden. Het omgekeerde is echter het geval. Groepsnormen worden aangegrepen om het buitensluiten te legitimeren. Daarbij wordt met twee maten gemeten: zo is een populaire persoon die huilt empathisch (norm: sociale betrokkenheid) of dapper dat hij zijn gevoelens laat zien (norm: jezelf zijn) en de minder populaire huilebalk een kinderachtige loser (norm: flink zijn). De populaire persoon met een aparte haardracht is authentiek, de minder populaire met dezelfde haardracht een uitslover of een na-aper. Belangrijk is dus dat de norm wordt aangehaald in dienst van het pesten; het buitensluiten gaat dus aan het formuleren van de groepsnorm vooraf.
Wordt via het pesten de zwakkere weggesaneerd? Heeft pesten een zelfreinigend vermogen dat de veiligheid in het leger (of in het algemeen, de kameraadschap in een groep) ten goede komt? Dat is nog maar helemaal de vraag. Verwacht mag worden dat de militaire  opleiding zelf al voldoende sanerend vermogen heeft. Niet iedereen wordt aangenomen, of kan het fysiek en mentaal zware programma aan. De opleiders hebben voldoende gelegenheid om ook naar sociale vaardigheid van hun cadetten te kijken, dat is inderdaad niet de taak van de tweedejaars.
Het belangrijkste argument van De Vries is veiligheid in oorlogssituaties, als het op de samenwerking van de groep aankomt. De zwakkeren zouden deze in gevaar kunnen brengen, het zou zelfs levens kunnen kosten. Dit ziet hij als een rechtvaardiging voor het pesten en buitensluiten. Immers, de zwakkeren zijn een gevaar, het is maar goed dat ze eruit gepest worden. Dan vormen zij ook geen bedreiging van de groep, want wat overblijft als de zwakkeren eruit gepest zijn, zijn echte vrienden die elkaar kunnen vertrouwen. 
Het tegenovergestelde is echter waar: juist een sfeer van pesten en buitensluiten zorgt voor een onveilig gevoel in de hele groep. Jij kan de volgende zijn, als je maar enige zwakte laat zien, of als je een misstand aan de orde wil stellen die door de onveilige groepsnorm niet genoemd mag worden. Volgens dit mechanisme zijn er in de geschiedenis al vele fatale fouten gemaakt, onder andere in cockpits van vliegtuigen.

Pesten heeft geen zelfreinigend vermogen, maar werkt juist vervuilend: zowel voor het gevoel van groepsveiligheid als voor de fysieke veiligheid. Het idee dat de zwakkeren zo weggezuiverd worden komt neer op sociaal darwinisme: de slachtoffers van pesten zijn biologisch en/of sociaal inferieur, die kun je maar beter wegzuiveren. Iedereen weet wat het gevolg kan zijn van dit soort redeneringen.
Ja, maar, de groep besluit toch niet zomaar om iemand te gaan pesten, daar moet toch iets mee zijn? Alweer een misverstand. Gebrek aan leiderschap en de onveiligheid die daarvan het gevolg is veroorzaken pesten, doordat de eigen positie en die van de anderen niet duidelijk is. Een slecht geleide groep zal zo onderling gaan zoeken naar een slachtoffer, om een kunstmatige consensus te bereiken: wij zijn een groep dóórdat we een extern mikpunt hebben. Dat betekent echter niet dat het uiteindelijke slachtoffer "zwakker" was, maar dat deze zwakker wordt gemáákt. De onveiligheid (in de groep zelf, nog los van de oorlogssituatie) gaat aan het pesten en aan het slachtoffer vooraf. Pesten wordt wel ingezet om personen weg te "zuiveren", maar de groep wordt er niet schoner van.

Onderling vertrouwen in de groep groeit onder krachtig en positief leiderschap, terwijl slecht of tiranniek leiderschap –en dit blijkt uit onderzoek- juist zorgt voor meer onderlinge agressie.(2)  Wanneer de opleiders de groep stevig onder handen gaan nemen en hun verantwoordelijkheid terugpakken op de pestkoppen, komt dat niet alleen de groep, maar ook de veiligheid ten goede. Pestretoriek is niet op zijn plaats. Niet in de samenleving, en dus ook niet in het leger. 


(2)Een studie uit 1939 van Lewin et.al., liet al zien dat onder leiding van een autoritaire leider, de onderlinge vijandigheid in een groep maar liefst acht keer zo groot is als onder democratisch leidinggevende. Lewin, Lippitt and White: Studies of Leadership and Social Climates (1939). 

maandag 10 maart 2014

Help! Een emotie!

De meeste mensen weten wel wat je moet doen als iemand zich brandt (onder de kraan, nu meteen) en dat je wondjes en wonden meteen moet behandelen en niet moet laten infecteren. Zelfs achtstegroepers oefenen met de Heimlich-greep en halen een EHBO-diploma. Maar op emoties wordt vaak met grotere schrik en handelingsverlegenheid gereageerd. Je wordt naar huis gestuurd om de gebeurtenissen “te gaan verwerken” of “een plekje te geven”, zonder enig benul hoé je dat voor elkaar moet krijgen. Als het al zover komt trouwens, liever hebben mensen dat je, als ze vragen hoe het met je gaat, antwoordt met een vrolijk “goed hoor, met jou?” of “druk, druk!” en niet dat je naar alle eerlijkheid antwoordt dat je volstrekt niet kan leven met het verlies van een ouder, een kind, je baan of je beste vriendin. Als mensen dat weten lopen ze liever met een grote boog om je heen.

Maar nu is er het boek “Eerste hulp bij emoties” van Guy Winch. Met als ondertitel: “onmisbaar advies bij psychische blessures en blauwe plekken.”  Eindelijk een handzaam overzicht van de belangrijkste psychische kwetsuren die men in het leven op kan lopen, zoals je ook vroeg of laat een gat in je knie of kin valt. Leven gaat onvermijdelijk gepaard met risico’s, ook op het psychische vlak. Winch bespreekt de belangrijkste soorten emotionele pijn, mét adviezen hoe je die moet behandelen en disclaimers wanneer je echt professionele hulp moet zoeken. Een onderhoudend boek, dat niet alleen meer kennis en inzicht in emoties oplevert, maar ook eindelijk eens gewone adviezen geeft.  Zo behandelt hij achtereenvolgens de pijn van sociale afwijzing, eenzaamheid, verlies en trauma’s, schuldgevoel, piekeren, mislukking en onzekerheid.

Sociale afwijzing is een pijn die vergelijkbaar is met de ergste fysieke pijn en ook op gelijksoortige wijze zichtbaar is in het brein (en anders dan bij andere vormen van emotionele pijn, helpt paracetamol wèl). Onderzoekers lieten drie mensen met een bal spelen. Na de tweede ronde overgooien werd er steeds één overgeslagen (die niet wist dat de andere twee onderzoekers waren). De buitengesloten mensen rapporteerden achteraf erge emotionele pijn, op fysiek vlak vergelijkbaar met een beenbreuk of een zware bevalling. Zelfs de mededeling dat het onderzoekers waren, of zelfs leden van de Klu Klux Klan, deed niets meer af aan die pijn. Winch legt een verband met de evolutie: mensen zijn voor hun overleven zodanig aangewezen op anderen, dat deze pijn werkt als een waarschuwing: pas op, je dreigt buitengesloten te worden. Dat mag zo zijn, maar dat zou betekenen dat je daarna ook wist wat je moest doen om niet buitengesloten te worden- wat helaas lang niet altijd  zo is.
Afwijzing heeft drie soorten gevolgen: we kunnen niet meer helder denken, we worden agressief en we gaan (onnodig) negatief over onszelf denken. Winch geeft ons tips om met deze zelfkritiek in debat te gaan, om ons gevoel van eigenwaarde weer op te krikken en vooral- om onze banden met anderen aan te halen. Verbondenheid met anderen helpt bij afwijzing. Een foto van je gezin op je bureau is dus helemaal geen gek idee in een negatief kantoorklimaat. Professionele hulp is nodig als we anderen of onszelf geweld aan willen doen.

Op deze manier behandelt Winch ook de andere emoties: lichtvoetig, verhelderend en praktisch. Over veel van de details zou ik graag met Winch in discussie gaan- dat houden jullie van me tegoed. Ook had ik graag tips gezien over hoe je met emoties van ánderen moet omgaan. Toch is dit boek als basiskennis, in deze tijd die veel van onze emotionele vaardigheden vraagt, beslist geen overbodige luxe. Een aanrader dus, voor in het geestelijke medicijnkastje.


Guy Winch: Eerste hulp bij emoties. Amsterdam: Maven Publishing, 2013.

maandag 17 februari 2014

Chaostheorie - (g)een excuus om je bureau niet op te ruimen

Gejuich steeg op bij het verschijnen van dit boek: Een goede manager zaait verwarring. Waarom elk bedrijf beter wordt van een beetje chaos (van Ori Brafman en Judah Pollack). Geen wonder, op de achterflap staat: “het perfecte excuus om je bureau niet op te ruimen”. Zie je wel, dachten de rommelkonten op Twitter, wij zijn eigenlijk heel creatief en vernieuwend, in plaats van slordig. Dat staat zo veel beter…

Ik moet deze pret toch even bederven, want het boek is op geen enkele manier een excuus voor een puinhoop op je bureau. Het is wel een pleidooi voor het doorbreken van een te grote mate van organisatie – in een bedrijf. Die organisatie, en vooral de hiërarchie, maken vernieuwing en bruikbare feedback vaak onmogelijk. Het boek beschrijft er prachtige voorbeelden van. Zo had een ziekenhuis in de VS een groot probleem met resistente bacteriën. Dat is goed op te lossen als alle medewerkers hun handen consequent wassen, maar dat deden ze niet. Voorlichting hielp niet. Een onderzoek was nodig. Daarbij bleek dat een complete afdeling van het ziekenhuis niet over warm water beschikte. In een modern ziekenhuis! De verpleegkundigen moesten telkens met een emmertje naar de kelder. Dat maakte goede hygiëne wel heel lastig. Een overleg met de ontwerper van het ziekenhuis leverde niets op. Pas in een overleg waarin niet alleen de ontwerpers en de verpleeghulpen, maar ook een oudere conciërge was betrokken, kwam er een doorbraak. Deze wist namelijk nog een oude meterkast te vinden, waar zich achter een ongebruikt aanrecht en een heleboel schoonmaakspullen, de hoofdkraan bevond…

Wat je nodig hebt om dit soort fouten te vermijden (en om te zorgen voor vernieuwing en versterking van je organisatie) zijn drie zaken. De eerste is witruimte: genoeg vrije ruimte om te kunnen denken, buiten de strakke structuren van je werk en van de organisatie. Juist in die witruimte krijgen je hersenen de tijd en de gelegenheid om onverwachte verbindingen te leggen tussen ogenschijnlijk volstrekt willekeurige feiten. Op die manier kan de broodnodige vernieuwing ontstaan. Belangrijk is dat deze witruimte Echt Helemaal Vrij is.
Het tweede noodzakelijke onderdeel is het introduceren van “unusual suspects”. Managers van bedrijven hebben te vaak de neiging om mensen aan te nemen die op ze lijken. Daarmee beperken ze de vernieuwingskracht van hun bedrijf. Juist mensen met een andere achtergrond kunnen zorgen voor de broodnodige inzichten en feedback. Je moet er vervolgens wel voor willen openstaan.
En de derde factor is “georganiseerde serendipiteit”. Je kunt het toeval van de samenloop van omstandigheden best een handje helpen door verschillende mensen in en rond de organisatie bij elkaar te brengen en ze de volstrekte vrije ruimte geven om met elkaar te praten. Een agenda voor die bijeenkomst is dan al een beperking. Durf te vertrouwen.

Het boek is dus niet zozeer een pleidooi voor chaos, als wel tégen al te gestructureerd denken. Zo dankte Einstein zijn briljante ingevingen niet alleen aan de hoeveelheid witruimte die hij had door juist niet aan een universiteit verbonden te zijn, maar ook door het gedisciplineerde en gestructureerde werken aan zijn theorieën. Net zo goed is het boek een pleidooi tegen star en hiërarchisch denken, in de organisatie en wat betreft het betrekken van verschillende mensen. In dat opzicht sluit het enorm aan bij het onlangs bij dezelfde uitgeverij (Maven Publishing in Amsterdam) verschenen boek over Schaarste, door de Harvard-econoom Sendhil Mullainathan en Princeton-psycholoog Eldar Shafir . Daarin laten de auteurs zien dat schaarste (in dit geval aan tijd en vrije ruimte) zorgen voor een beperking in het denken, voor tunnelvisie. Wanneer in een organisatie alle witruimte en serendipiteit is weggeorganiseerd, wordt deze vanzelf star: er is geen vernieuwing meer. En contraproductief: men is bezig met het blussen van brandjes, wat op korte termijn het meest noodzakelijk is, maar op langere termijn juist meer tijd en menskracht kost. Dit boek laat overtuigend zien waarom arme mensen domme dingen doen, en hoe dit juist het gevolg is van schaarste, in plaats van de oorzaak. Ook al een aanrader.

Een beetje chaos is nodig, of zo je het noemen wil: een beetje ruimte, en (hoewel die term inmiddels te vreselijk is voor woorden) een beetje “out-of-the-box-denken”, wat je mogelijk moet maken door verschíllende mensen bij elkaar te zetten, niet meer van dezelfde. Dat verklaart waarschijnlijk ook waarom bedrijven met meer vrouwen aan de top, het ook beter doen. Daarmee zijn namelijk meerdere posities en visies in het bedrijf zelf vertegenwoordigd.
Maar het boek pleit helemaal niet voor chaos, integendeel. “Het leiden van een chaotisch proces wordt een beproeving voor wie greep op de zaak wil houden” (p. 202). De chaos moet wel in bedwang te houden zijn. Beteugelde chaos dus. De hoera-roepers op Twitter zullen dus echt af en toe hun bureau op moeten ruimen.

Ori Brafman en Judah Pollack: Een goede manager zaait verwarring. Waarom elk bedrijf beter wordt van een beetje chaos. Amsterdam: Maven Publishing 2013.

Sendhil Mullainhathan en Eldar Shafir: Schaarste. Hoe gebrek aan tijd en geld ons gedrag bepalen. Amsterdam, Maven Publishing 2013.

vrijdag 29 november 2013

Sociale ongelijkheid, ongezonde keuzes en de angst voor betutteling


Op de WRR-Lecture 2013 hield Richard Wilkinson een boeiend betoog met een keiharde waarheid. Samenlevingen met grote ongelijkheid doen het slechter op allerlei gebied: tienerzwangerschappen, (geestelijke) gezondheid, kennispeil, sociale mobiliteit, verslavingen, het aandeel mensen in de gevangenissen, enzovoorts.  Wat vooral van belang is, is dat deze nadelen niet alleen de lagere sociale klassen treffen, maar door de hele samenleving heen meetbaar is. Zelfs de mensen in de hoogste opleidings/inkomensklassen doen het in deze opzichten “slechter” dan hun soortgenoten in een ontwikkeld land met een kleine sociale ongelijkheid. Aan de slechte kant van het spectrum staan de VS, aan de gunstige kant (met weinig ongelijkheid en goede scores) de Scandinavische landen en Japan.
Na de voordracht van Wilkinson traden er drie sprekers op over de vraag hoe in dit opzicht de situatie in Nederland is. Hoewel Nederland in de Europese landen een middenpositie bekleedt, is volgens hoogleraar economische en sociale geschiedenis Bas van Bavel met name de verdeling van het vermogen in Nederland enorm scheef. De “onderste” 60% van de bevolking bezit samen slechts 1% van het totale vermogen in Nederland (en dit is nog gunstig weergegeven, omdat er op het naar het buitenland gesluisde vermogen natuurlijk geen zicht is). De rijkste 2% van de Nederlanders bezit samen 32% van het totale vermogen (of meer dus). Gelach in de zaal toen Van Bavel meldde dat de gehele media in Nederland in handen zijn van drie miljardairs: De Mol, Berlusconi en Murdoch. Grappig ja, maar denk je de politieke implicaties daarvan eens in, aldus Van Bavel.
Karien Stronks, hoogleraar sociale geneeskunde aan de UvA/AMC, liet zien hoe lager opgeleiden in Nederland niet alleen een korte levensverwachting hebben, maar vooral ook een veel langere periode van gezondheidsproblemen. Laagopgeleide mannen en vrouwen hebben 14 jaar eerder gezondheidsproblemen dan hoogopgeleide mannen en vrouwen. [1] Stonks wees op verschillende oorzaken voor dit enorme verschil op verschillende factoren. Naast leefomgeving en ongezond werk speelt vooral gedrag een belangrijke rol. Op dat punt komt het beleid in een impasse terecht, omdat mensen zich niet graag op hun gedrag laten aanspreken, dat wordt al gauw als betuttelend opgevat.
Daar zit volgens mij dan ook de grootste denkfout (van de politiek, niet van Karien Stronks). We zien gedrag, in dit geval de ongezonde leefstijl van de laagopgeleiden: vet eten en roken, teveel als een individuele keuze. Elke beperking aan dat gedrag kan dan inderdaad worden opgevat als betutteling, een inperking van de in onze cultuur zo hooggedragen keuzevrijheid. Maar de vraag die we ons moeten stellen is: klopt dat wel? Is ongezond gedrag in de lagere sociale klassen wel een vrije keuze? Wat betreft roken en ongezond eten is dat maar zeer ten dele waar. In dit artikel wordt uitgelegd dat ongezond gedrag meestal het gevolg is van armoede en slechte leefomstandigheden en niet de oorzaak. 
De schrijfster zegt heel terecht dat ze met het maken van een gezondere keuze helemaal niets opschiet: het verandert niets aan haar situatie en het zou haar de enige troost en ontspanning ontzeggen die ze nog wel heeft. Daaraan zou ik willen toevoegen: roken en eten (alcohol ook trouwens) zijn bij uitstek sociale aangelegenheden. Je rookt zoals je directe omgeving (huisgenoten! familie!) rookt, je eet zoals je gezin, familie, kennissen, vrienden eten. Je kunt er dan voor kiezen om niet te roken (hoe hou je dat vol, afkicken als de rest wel rookt?) of niet mee te eten. Maar dat betekent een sociale isolatie van heb ik jou daar. En het levert je helemaal niets op. Behalve misschien, ooit, op den duur, een piepklein beetje gezondheidswinst. Welke overigens teniet zal worden gedaan door verlies aan sociaal netwerk - maar dit terzijde.
Willen "we"  daar iets aan veranderen, dan moeten we niet sturen op gedrag (want betuttelend) maar op omstandigheden. Wisten jullie dat de prijs van groente en fruit de afgelopen jaren gestegen is ten opzichte van andere voedingsmiddelen?[2] Daarnaast is er een enorme verleidingsindustrie die ervoor zorgt dat het aanbod van ongezond vrijwel overal aanwezig is (en met name op de plekken waar gewone mensen komen: winkels, bioscopen, zwembaden! sportzalen en -kantines!) Het aanbod van gezond ontbreekt, ga zelf maar kijken. Het is er niet. De minister denkt dat wij zelf gezonde keuzes maken in een gezonde omgeving. Het omgekeerde is waar: we maken ongezonde keuzes in een ongezonde omgeving. Die omgeving ziet er voor hoger opgeleiden overigens anders uit dan voor lager opgeleiden.
Sturen op omgeving dus, niet (direct) op gedrag. Waarom zorgen scholen niet voor een gezond aanbod van eventueel ontbijt en in ieder geval lunch? Als je een schaal gesneden fruit en rauwkost voor een bunch pubers neerzet, is het weg voor je met je ogen kunt knipperen. [3] Het huidige gezondheidsbeleid richt zich op gedrag. Wat nog erger is: ze werkt samen met de aanbieders van ongezonde producten. De gedachte is dat deze aanbieders dan vanzelf gezondere producten gaan leveren. De realiteit zal zijn dat ze hun merknamen op scholen kunnen promoten. Merkentrouw, je kunt er niet vroeg genoeg mee beginnen... [4]
De ware ongelijkheid zit dus in de beperking van de keuzevrijheid door de omstandigheden. Daar moeten we die mensen niet op aanspreken, want dat is inderdaad betuttelend. Maar ook geheel onterecht. Laten we zorgen voor een structureel gezonde omgeving, dan volgen de keuzes vanzelf.


(voor een kernachtige samenvatting van het betoog van Wilkinson zie http://www.ted.com/talks/richard_wilkinson.html)

maandag 18 november 2013

Nederland in ideeën

Wie nog op zoek is naar een cadeautje voor onder de kerstboom of in de schoen, zou eens moeten kijken naar “Nederland in ideeën,” dat ik onlangs in handen kreeg. Ideeën komen soms zomaar opzetten in de periferie van je gedachten, waar ze soms lang, soms kort verblijven. Sommige ideeën groeien uit tot belangrijke innovatie, andere ideeën veranderen van eigenaar of verdwijnen uit het bewustzijn. Toch begint elke belangrijke ontwikkeling met een idee.
De samenstellers van dit boek hebben aan 101 mensen gevraagd welk idee (of inzicht, of welke innovatie) volgens hen ons land heeft veranderd, of dat naar hun mening nog zal gaan doen. De uitkomst was een scala aan onderwerpen, van fiets tot feminisme, van kwantum informatietechnologie tot eenvoud. Over 101 onderwerpen vind je hier een korte uiteenzetting. Het aardige is dat je op die manier een overzicht krijgt (waar vind je tegenwoordig nog een overzicht?) van wat er gaande is in ons land, ook over onderwerpen waarin je je normaal gesproken niet zou verdiepen. En mocht je méér willen weten, dan kun je daarop verder zoeken.
Met overzicht heb je helaas nog geen samenhang, en dat is wel een klein bezwaar van dit boek. Tegelijk is het ook de kracht ervan, er wordt geen dwingende richting gekozen. Kritiek op een ontwikkeling wordt in het volgende stuk omgezet in pleidooi voor dezelfde, of een andere ontwikkeling. Soms met een verrassend ander inzicht. Zo las ik tot mijn grote teleurstelling een neo-liberaal pleidooi van Heleen Dupuis om de huidige welvaartsstaat af te schaffen en de burgers hun zelfstandigheid en weerbaarheid terug te geven. Ik had van haar wel wat meer historisch besef verwacht. De welvaartsstaat is immers opgericht voor diegenen die om welke reden dan ook niet zelfstandig en weerbaar waren. Die worden dat niet vanzelf door die welvaartsstaat af te schaffen.  Het volgende stukje van Annemarie van Gaal verraste mij in positieve zin, zij pleit voor meer eenvoud in de verzorgingsstaat, opdat niet nog meer mensen afhaken.
Een idee dat naar mijn mening een heel breed podium mag krijgen, is het stuk van Roel Hermans over de dikmakende omgeving en de rol van het overheidsbeleid. Terwijl de voedingsfabrikanten ons continu blootstellen aan zoveel mogelijk verleidingen en prikkels, denkt de overheid nog altijd dat het maken van goede en bewuste keuzes op het gebied van voeding, de verantwoordelijkheid van de burger is.  De overheid roept scholen en burgers op om een gezonde keuze te maken, maar het blijft bij aanmoediging, scholen worden nauwelijks financieel ondersteund. Ondertussen heeft de voedingsindustrie vrij spel, en voeren ze met een “gezondheidsoffensief” en medewerking aan projecten voor een gezonde leefstijl, vooral een schijncampagne. Het wordt tijd dat de overheid actief gaat werken aan een gezonde leefomgeving, waarin burgers ook echt een gezonde keuze kunnen maken. Bijvoorbeeld door het `stoplichtsysteem’, dat precies aangeeft welke keuze we beter wèl (groen) of niet (rood) maken. Van ongezond voedsel moet duidelijk zijn dat het ongezond is, en het moet makkelijker zijn om een gezonde keuze te maken dan een ongezonde. De overheid moet hierin eindelijk haar verantwoordelijkheid nemen en dit niet overlaten aan de voedingsindustrie. Wat daarvan het gevolg is, weten we immers al.
Zo vind je in dit boek tal van onderwerpen. Fijn voor in de kerstvakantie. Een aanrader voor allen.
 
Nederland in ideeën, 101 denkers over inzichten en innovaties die ons land verander(d)en. Onder redactie van Mark Geels en Tim van Opijnen. Maven Publishing, 2013.