donderdag 2 april 2015

Meer over pesten en weerbaarheid (vervolg op mijn vorige blog)

De woorden pesten en weerbaarheid komen maar al te vaak in één redenering voor. Weerbaarheid zou pesten voorkomen, of andersom: een gebrek aan weerbaarheid zou pesten veroorzaken. Deze redenering houdt pesten in stand en veroorzaakt daarom vele slachtoffers.

Wat is weerbaarheid nou eigenlijk?

Want wat is weerbaarheid: in oorlogstijd is dat het afsluiten van je gevoel, om te kunnen overleven. In vredestijd is dat het positief leren omgaan met jezelf en anderen, het leren omgaan met tegenslag.  Het probleem met pesten is dat het geen tegenslag is, maar structurele terreur. Het probleem met ons huidige onderwijs (maar ook sommige, nee veel, werksituaties)  is dat deze kenmerken bevatten van een oorlogssituatie, waarin je je onveilig voelt door gebrek aan zekerheid, respect en positief leiderschap.
Nu kun je dat opvatten als onvermijdelijk, zo is het leven nu eenmaal en “kinderen zijn nu eenmaal wreed”, of, “je moet maar leren omgaan met de vele klootzakken in deze wereld” (zie mijn vorige blog) maar dat heeft wel consequenties. Er zijn er die inderdaad overleven, maar de weerbaarheid in oorlogstijd is die van afsluiten. De prijs die zij betalen is een mens- en zelfbeeld op basis van onveiligheid en het niet kunnen ontplooien van al hun capaciteiten, omdat daar nu eenmaal een veilige omgeving voor nodig is. En de prijs is ook dat er slachtoffers vallen. Deze zijn niét onvermijdelijk, maar het gevolg van de keuzes die gemaakt worden.

De slachtoffers van pesten betalen de prijs. Het gevolg van pesten: niet kunnen omgaan met kleine speldenprikjes, waarop wordt gezegd dat het pesten aan jou ligt, omdat je zo “overgevoelig” reageert en je je alles zo ontzettend aantrekt. Het gevolg van pesten is dus niet dat je weerbaarder wordt, maar juist dat je geen kans krijgt om deze op te bouwen. Want pesten is geen tegenslag (waar je met steun van je vrienden weer bovenop kunt leren komen) maar juist het stelselmatig ondermijnen van al je pogingen tot weerbaarheid, ja zelfs je pogingen om onzichtbaar te worden.
Ingrijpen bij pesten is –anders dan veel volwassenen denken- juist niet het kind de kans ontnemen om weerbaar te worden, maar diepe noodzaak. Omdat pesten niet iets is waar je maar tegen moet kunnen. Bovendien accepteert de pestende groep niet dat een kind (of volwassene) weerbaar wordt, zal er alles aan doen om de situatie weer terug te draaien: het “weerbare” kind is nu “agressief”, geen wonder dat hij geen vriendjes heeft. Er moet dan ook een einde komen aan de reflex om kinderen die gepest worden naar een weerbaarheidstraining te sturen. Dit werkt contraproductief [i] en bevestigt zowel slachtoffer als daders dat er met hem iets mis is.

Eerst vertrouwen, dan weerbaarheid

Het enige wat helpt tegen pesten is het aanpakken van de hele groep, omdat de spanningen in de groep, meestal als gevolg van afwezigheid van positief leiderschap, tot pesten hebben geleid. Voor het slachtoffer is het eerste wat hersteld moet worden na langdurig pesten het vertrouwen, niet de weerbaarheid. Die bouw je langzaam op door de kans te krijgen om succeservaringen op te doen, óók bij het van je afbijten (iets dat door een welwillende, goed geleide groep geaccepteerd wordt als een grens, niet iets wat door de pestende groep genadeloos afgestraft wordt)
Vanuit dit opgebouwde vertrouwen kun je verschil maken tussen een buitenstaander die iets onaangenaams zegt en iemand van je eigen kring die zegt, ach joh, laat ze kletsen, ‘wij vinden je tof! Vrienden dus. Met hun steun, in een veilige omgeving, bouw je die weerbaarheid dan langzaam weer op.

Zijn de kinderen die niet gepest worden, dan wel weerbaar?

Hoe zit het met die andere kinderen, de kinderen (of volwassenen in werksituaties) die niet gepest worden. Zijn die weerbaar? En zo ja, waarom? Sommige kinderen hebben gewoon mazzel, die hebben hun uiterlijk en innerlijk mee, een stabiele thuissituatie en geen grote levensgebeurtenissen zoals verhuizen, echtscheiding, ziekte en/of dood. Ze hebben vanzelfsprekend vriendjes en komen zonder noemenswaardige problemen de schoolperiode door. Andere kinderen hebben minder geluk: ze zijn geboren met een licht afwijkend uiterlijk of een iets zwaardere lichaamsbouw[ii]. Of ze zijn veel gevoeliger en beschouwender van aard: ze voelen andermans pijn, ze ervaren onrecht, ze zien ieders verdriet en geluiden en gebeurtenissen worden al gauw overweldigend. Of ze zijn kwetsbaar door armoede, door levensgebeurtenissen of door een stoornis of beperking.
Dat hoeft allemaal geen probleem te zijn: in een stabiele omgeving bouwen ook zij zelfvertrouwen en dus weerbaarheid op. Maar in een instabiele omgeving zijn zij als eersten de klos. Zoals water altijd naar het laagste punt gaat, komen de spanningen in de groep bij hen terecht. Daar is geen ontkomen aan, maar de oorzaak ligt niet bij hen, maar bij de spanningen in de groep. Alleen hebben betrokkenen (de pesters, de volwassenen) er vaak geen belang bij om dit in te zien.
(Overigens kunnen ook kinderen of volwassenen die aan geen van bovenstaande omschrijvingen voldoen slachtoffer worden van pesten. Gewoon pech. Omdat pesten uiteindelijk nooit te verklaren is vanuit kenmerken van het slachtoffer, maar begrepen moet worden als signaal dat de groep onveilig is).

De pesters en de meelopers, zijn die dan weerbaar? Dat is toch echt een misvatting. In zekere zin gaan ze adequaat om met de situatie: ze worden niet gepest, ze pesten soms vanwege het lekkere gevoel van macht en saamhorigheid, of om hun eigen populariteit in de groep op te krikken. Of juist vanuit onzekerheid dat ze anders zélf gepest zouden worden.
Is weerbaarheid het overleven in ingewikkelde situaties? Ja, dat wel. Maar als dat ten koste gaat van anderen, omdat ze een pestslachtoffer nodig hebben voor hun eigen vertier en populariteit? Of om überhaupt hun schooltijd/werksituatie te overleven?

Bij pesten is iedereen verliezer

De bottomline is dat ook de pesters en meelopers veel verliezen. Bijvoorbeeld de kans om zich te ontplooien en positieve ervaringen op te doen. Of om mee te profiteren van de sterke kanten van de slachtoffers, kanten die niet tot bloei kunnen komen maar die in een veilige omgeving zoveel meerwaarde zouden kunnen geven aan de groep: diversiteit, andere perspectieven, een rijker geestesleven, een gedeeld gevoel van mededogen en echte vriendschap. Het verlies door onveiligheid uit zich niet alleen in gemiste kansen, maar ook in keiharde cijfers van ziekte en psychische problemen, ziekteverzuim, lagere schoolprestaties of lagere productiviteit, en hogere criminaliteit omdat kinderen alleen leren om op een negatieve manier, ten koste van anderen, hun doel te behalen.

Het niet ingrijpen bij pesten is een keuze, die maar al te vaak gerechtvaardigd wordt met verwijzing naar onvermijdelijkheid (alsof een oorlogssituatie in het onderwijs niet strijdig is met alles waar het onderwijs voor staat, alsof een oorlogssituatie op de werkvloer niet bakken vol geld kost aan fouten en ziekteverzuim), of naar de eigenschappen van de slachtoffers die niet weerbaar genoeg zijn. Maar in feite is dit niet-ingrijpen een politieke keuze: wegkijken is makkelijker, je hoeft je verantwoordelijkheid niet te nemen. Misschien kunnen deze wegkijkers nog eens op hun rol gewezen worden met verwijzing naar het enorme verlies dat ook zij lijden. Als mededogen en respect geen argument zijn, laten ze dan eens kijken naar hun portemonnee of hun eigen gemiste kansen. Bij pesten is iedereen verliezer, ook de pesters, ook de meelopers, ook de wegkijkers.













Lees nog meer over pesten in mijn boek Alles over Pesten (2014) Uitgeverij Boom. In iedere boekwinkel, bij de uitgever en bij Bol te bestellen voor 24,95.




[ii] Dat begint al heel jong, bij kinderen die van nature wat groter en zwaarder zijn. Al vroeg willen kinderen niet met ze spelen of lopen ze risico te worden gepest, ook bij sport of buitenspelen. Dit leidt vervolgens tot minder bewegen en meer (troost) eten en dus tot meer overgewicht.

maandag 30 maart 2015

Van wegkijken bij pesten wordt niemand weerbaar

“Kinderen zijn wrede monsters” stond laatst boven de gastcolumn van historicus Geerten Waling  in de Volkskrant (22 februari 2015)[i]. Deze uitspraak vond meteen bijval, in de brievenrubriek (“je moet er gewoon hard op slaan”) en zelfs op de site van J/M voor ouders, waar een jeugdcoach de moeder van een gepeste zoon uitlegt dat deze toch maar moet leren omgaan met `al die gemene klootzakken in de wereld.’ [ii]

Hoe begrijpelijk deze reactie van mensen  die jarenlang gepest zijn of het van dichtbij hebben meegemaakt ook is, toch is het een mythe dat kinderen van nature wreed zouden zijn. Kinderen zijn sociale wezens die alleen overleven via sociaal leren, via empathie dus. De omgeving bepaalt vervolgens in welke mate empathie mogelijk is: in een oorlogssituatie moet je overleven en je gevoelens kunnen afsluiten, in een veilige omgeving kun je al je eigenschappen laten opbloeien. Wreedheid is dan ook geen kenmerk van kinderen, maar –een enkele psychopaat daargelaten- vooral van groepen. Denk hierbij aan pesten op het werk, pesten in het leger, pesten in bejaardentehuizen, Arthur Gotlieb die kapotgemaakt werd bij de Nationale Zorgautoriteit. Het gaat hier niet om wreedheid van kinderen, maar macht en misbruik in groepsverband: problemen van identificatie in en tussen groepen en het ontbreken van positief leiderschap. Denk in dit verband maar Onze Grote Roerganger premier Rutte die onlangs in een interview met Metro zei dat discriminatie “vooral het probleem van Mohammed zelf” is.[iii] Falende leiders hebben er alle belang bij om te zeggen dat pesten en uitsluiting er nu eenmaal bij horen, dat het een probleem van de slachtoffers is. Dat leidt de focus van hen af, naar het slachtoffer. Het is een breed gedeelde opvatting, zowel in de klas als in de samenleving.

Pesten is niet natuurlijk 

Er zijn vele mythes over pesten en deze mythes richten enorme schade aan. Ze zorgen ervoor dat het pesten gelegitimeerd wordt en mensen wegkijken: tja, het hoort er nu eenmaal bij. Pesten zelf richt enorme schade aan waarbij alleen zelfmoordgevallen de krant halen, maar vele anderen levenslang met psychische en fysieke gevolgen leven. Bovendien is pesten niet alleen schadelijk voor de slachtoffers, maar voor alle betrokkenen. Voor de daders, die in hun latere leven een hogere kans op criminaliteit lopen; voor de hele klas door gevoelens van onveiligheid en verminderde schoolprestaties én voor het team van leraren door werkstress en hoger ziekteverzuim. In bedrijven en instellingen leidt pesten tot ziekteverzuim, fouten en verminderde productiviteit. Reden genoeg om wél in te grijpen, zou je zeggen. Maar ingrijpen is lastig en vereist niet alleen inzicht in de situatie, maar ook meesterschap daarover. Iets wat je niét op de pabo leert.

Juist het onderwijs is een uiterst onnatuurlijke sociale situatie: het is relatief nieuw dat wij kinderen in een groep bij elkaar zetten op basis van leeftijd. Je moet je eens indenken dat je dat als volwassene zou gebeuren. De horror. Toch denken veel mensen dat het “natuurlijk” is dat kinderen aan elkaar worden overgelaten, terwijl in verticale groepen pesten minder vaak voorkomt en de ouderen zowel de positieve waarden en kennis van het groepsproces door geven als ingrijpen als het uit de hand loopt. Testen hoort erbij, sociaal leren ook en ingrijpen dus ook.

Discriminatie is het probleem van Mohammed 

Maar ingrijpen vergt verantwoordelijkheidsgevoel, inzicht in de eigen rol, en die ontbreekt maar al te vaak, bij Rutte, in bedrijven en bij de school. Kinderen en hun ouders lopen tegen een muur van weerstand en onbegrip: het kind zal zelf wel niet weerbaar genoeg zijn en moet nodig naar een weerbaarheidstraining. Uit onderzoek is al lang bekend dat dit onzin is, en zelfs contraproductief werkt. Het slachtoffer wordt gesterkt in zijn gevoel dat het aan hém ligt, de klas en de leraren ook. De pestende groep staat vervolgens helemaal niet open voor wat het slachtoffer op die training leert. Pesten komt immers voort uit spanningen in die groep, en die spanningen zoeken een uitweg. Als het slachtoffer in opstand komt zullen die spanningen alleen maar toenemen. En die opstand wordt ook gezien als “bewijs” dat het pesten gerechtvaardigd is. Immers: Mohammed, die zich op aanraden van Rutte aan het invechten is, is altijd zo agressief? Geen wonder dat hij uitgesloten wordt, hij maakt zichzelf onmogelijk. Ouders grijpen niet in, bang als ze zijn dat het pesten anders op hún kind overslaat. Of ze zijn het eens met de gedeelde opvatting dat dit kind hun empathie niet verdient. En dus kan het gebeuren dat een jochie van zes maar één vriendje op zijn partijtje krijgt en de ouders van de andere vijf genodigden niet eens de moeite nemen om af te zeggen.

Als je eigen kind maar weerbaar is

Want wat is weerbaarheid eigenlijk?  In oorlogstijd betekent dit dat je je gevoelens zoveel mogelijk uitschakelt, dat je overleeft. In vredestijd juist dat je vertrouwen hebt in jezelf en de ander en dat dit vertrouwen ook een stootje kan hebben. Deze weerbaarheid doe je op via positieve ervaringen met anderen en via veiligheid in de groep. Maar hoe krijg je vertrouwen in jezelf en de ander, als je juist elke dag gepest wordt? Sociale afwijzing is zeer pijnlijk en leidt tot verminderd zelfvertrouwen, wat ook vervolgens zichtbaar is. Langdurig gepeste kinderen en mensen stralen dat vervolgens ook uit, wat hen kwetsbaar maakt voor nieuwe pesterijen. De nadruk op weerbaarheid zorgt er vervolgens voor dat hen dat wordt verweten: ze zijn niet weerbaar genoeg, geen wonder dat ze worden gepest. Zo wordt het gevolg van pesten verward met de oorzaak ervan: problemen in de groep en gebrek aan positief leiderschap. De klas blijkt niet in vredestijd, maar in oorlogstijd te verkeren. Dat is geen natuurwet, maar het gevolg van wegkijkende volwassenen. De leerkracht uit onmacht of vanuit de gedachte dat het slachtoffer tekort schiet, de andere ouders vanuit angst dat het pesten anders hún kind treft (zodat ze hun kind liever niet met het slachtoffer laten spelen, want pesten is besmettelijk) of vanuit de superieure gedachte dat hún kind tenminste wel weerbaar is.

Mythes over pesten houden pesten in stand, omdat de verantwoordelijke volwassenen niet ingrijpen en zelfs professionals zich zuchtend neerleggen bij de situatie. Fatalistisch denken dat pesten en uitsluiting er nu eenmaal bij horen en dat we daarmee maar moeten leren omgaan dient alleen degenen die niét gepest worden, omdat ze daarmee kunnen blijven geloven in zichzelf als winnaar in die strijd. Ze worden zelf zonder steun immers niet gepest? Dan hebben de slachtoffers het aan zichzelf te danken. Maar je wordt niet weerbaar van pesten, nu niet en straks niet. Wie wegkijkt steunt de pestkoppen.

woensdag 14 januari 2015

Werk in uitvoering

Een nieuw jaar, een nieuw boek? Er is veel gebeurd in 2014. Mijn boek Alles over Pesten verscheen en kreeg veel, zeer veel positieve reacties. Mijn columns op Sociale Vraagstukken werden gelezen en gewaardeerd evenals de artikelen in het gelijknamige tijdschrift, en vanaf september lees ik maandelijks voor “uit eigen werk” in het programma Nachtwerk van RTV Rijnmond.

Voor het komende jaar staan al diverse activiteiten op het programma. In maart verschijnt het F-Boek, over hedendaags feminisme, onder redactie van Anja Meulenbelt en Renée Römkens. Ik werk aan een hoofdstuk voor de FNV, over jongeren en hun toekomst en ook staan er nog wat artikelen en lezingen gepland.  

Daarnaast broed ik nog op twee mogelijke nieuwe boeken. De onderwerpen heb ik al gekozen, nu nog uitwerken en mijn uitgever enthousiast maken. Zodra daar meer duidelijkheid over komt, horen jullie van me!

Dat betekent wel dat ik niet zoveel tijd meer overhoud voor mijn blog. Af en toe verschijnt er een artikel dat ik echt nog ergens wil plaatsen, of een boekbespreking. Maar het wordt eigenlijk tijd voor een eigen website.

Mijn voornemen voor het nieuwe jaar is dan ook dat die website er gaat komen. De domeinnaam is al (jaren!) gereserveerd (uiteraard www.miekevanstigt.nl – doe geen moeite, hij is er nog niet). Nu moet ik gaan denken over vorm en opbouw.

Wie mij tot die tijd graag wil bereiken, benadere mij via Facebookchat of via miekevanstigt@hotmail.com


Tot gauw, allemaal een goed jaar gewenst.

donderdag 13 november 2014

Niet naar school

Via Twitter volgde ik de berichten van Janine Scherpenberg al een tijdje. Over haar dochter Daphne, die thuis kwam te zitten, nadat het op school (en daardoor ook thuis) slechter en slechter met haar ging.
Hoe afspraken niet nagekomen werden. Hoe de mening, kennis en deskundigheid van ouders stelselmatig opzij werden gezet. Hoe Daphne zelf steeds verder in de knel kwam, tot het moment dat ze niet meer wilde leven. Wat dat met een kind doet, wat dat met een moeder doet…

Onlangs verscheen het verhaal van Daphne in boekvorm, geschreven door haar moeder: Janine Scherpenberg: Thuis is Daphne Daphne. Een indringend verhaal, dat je soms bij de strot grijpt. Dit boek zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die in het onderwijs werkt, maar ook voor ouders die zelf een kind hebben dat in de knel zit, is dit herkenbaar en op die manier een hart onder de riem.
Daphne was een vrolijke kleuter, had veel vriendinnen op school, afspraakjes na schooltijd. Het ging prima met haar, totdat ze leerproblemen bleek te hebben en een ontwikkelingsstoornis. De diagnoses volgden elkaar op (ASS, mogelijk ADHD), maar voor Daphne betekende dit dat ze vaak te horen kreeg dat ze “het niet goed deed”. Een appel, door haar zo prachtig rood/geel overlopend ingekleurd, werd door de juf (groep 1!) meteen afgekeurd als “niet goed”. Hij had volgens de opdracht rood moeten zijn…

Thuis is Daphne een creatief kind, dat prachtig kan tekenen en kleuren, dat geïnteresseerd is in muziek, in sterrenkunde, in de wereld. Op school komt zij niet uit de verf. Het lukt haar niet. Daphne kon niet over naar een volgende klas, en raakte zo haar vriendinnetjes én zelfvertrouwen kwijt. Na een traumatische gebeurtenis op de naschoolse opvang gaat het nog slechter, de moeder vermoedt dat Daphne “selectief mutisme” heeft: een sociale angststoornis waarbij zij in situaties niet meer kán praten. De zorghandelingen van school zijn er dan met name op gericht om haar aan het praten te krijgen. Maar echt begrijpen, laat staan zién, doen ze haar niet.

Niet luisteren naar moeder

Opvallend is het gebrek aan afstemming tussen school en moeder. Als moeder heb je zicht op je kind, maar school kijkt het liever zelf aan. Uitslagen van onderzoeken (tot twee keer toe blijkt uit IQ test dat Daphne een normaal IQ heeft, maar met een disharmonisch profiel (tussen begrip en uitvoering zit een kloof). Maar met dit soort uitslagen werd niets gedaan, ze verdwenen in de map. In de verslagen staat vermeld: “volgens moeder”, of: “moeder vermoedt”, maar daar blijft het ook bij. Er wordt niets mee gedaan. En elk schooljaar opnieuw wil de nieuwe meester of juf het eerst zelf eens aanzien. En voor je het weet ben je dan een jaar verder, een jaar waarin eigenlijk niet echt iets gebeurd is voor Daphne op het gebied van leren. Waarin de achterstand verder oploopt, waarin het zelfvertrouwen afneemt.

Schrijnend ook is de beschrijving van haar selectief mutisme: als Daphne zich onveilig voelt, kán ze niet praten. Dat gaat zelfs zover dat ze in de auto alleen kan praten als alle ramen en deuren dicht zijn. Op een dag breekt ze haar pols. Bij de dokter en in het ziekenhuis geeft Daphne geen kik, maar eenmaal in de auto begint ze keihard te huilen.
De verschillende scholen die Daphne bezoekt, blijken vast te zitten in hun eigen stramien. Regels zijn regels, methoden zijn methoden, ook al werken ze niet voor Daphne. Van autisme en selectief mutisme begrijpen ze niet veel, even rustig in de klas mogen blijven als de anderen buiten spelen is er voor Daphne niet bij. Dat blijkt wèl te kunnen als ze een gebroken pols heeft. Zes heerlijke weken voor Daphne, omdat je gips wel kunt zien…

Aanwezigheidsplicht

Steeds duidelijker wordt dat school voor Daphne niet werkt. Dat ze ná school nog sommen moet maken die in de klas, onder veel druk, niet lukken. Dat ze thuis wel kan praten en op school niet. Maar op school kon ze niet vragen wat ze niet begreep. Ze moest alles zelf oplossen. Of kreeg ze te horen dat op haar vingers tellen (automatiseren lukte niet, hoewel ze wel het inzicht in rekenen had) “voor kleuters” was. Dat kan echt niet als je al elf bent. De boodschap voor Daphne was duidelijk: ze was fout en kinderachtig.

“Het stomste wat ik ooit had gedacht is, dat ik er vanuit ging dat leerkrachten inzicht hadden in hoe kinderen leren. De lerarenopleiding bestaat er denk ik vooral uit hoe je kinderen het programma naar binnen drukt. Begrijp je het niet? Hier nog een keer. Nog een keer. Nog een keer. Tot het kind gek wordt. Dat is met Daphne gebeurd. Daphne was een verlegen, pratend meisje met veel vriendinnetjes in het begin op school. Zij is helemaal 'gek' gemaakt. En niemand die daar iets van wil horen.” (p.114)

Oplossingen worden gezocht in behandelcentra, in speciaal onderwijs, waar ze tussen allemaal kleine jongetjes met autisme terecht komt. Terwijl ze thuis Engels leert uit de boeken van haar broer, en alles opzoekt over planeten. Terwijl ze elke keer opnieuw moet uitrekenen dat zeven plus acht vijftien is, maar wel weet dat de afstand tussen de zon en de aarde 150 miljoen kilometer is.

Uiteindelijk is Daphne helemaal overspannen. Het is allang duidelijk dat ze zich thuis veel beter ontwikkelt dan op school, maar daar kan geen sprake van zijn Ze moét naar school, er is immers leerplicht? Dat ze op school niets leert, doet daar niets aan af. Dat ze op school geen raad met Daphne weten, ook niet. Als ouders voorstellen om Daphne een dag in de week thuis te laten werken zodat ze op z'n minst haar taken af kan krijgen is dat nog best lastig. Dit wordt toegestaan als dat een tijdelijke oplossing is. Daphne werkt in een ochtend dan wel het werk van een halve schoolweek weg. Leerplicht blijkt neer te komen op aanwezigheidsplicht, maar in wiens belang? Niet in het belang van Daphne.

School (inmiddels speciaal onderwijs) blijkt steeds onveiliger voor Daphne. Hoewel zij juist geen agressief gedrag vertoont maar bij onveiligheid juist blokkeert, verstijft, wordt er soms door twee volwassenen fysiek ingegrepen. Als de moeder daarover op school komt praten, is men vooral beledigd. Maar de leerplicht blijft. Een verblijf in een kliniek, vijf dagen, eventueel met overnachting, zou volgens de deskundigen een oplossing zijn. Terwijl ze, inmiddels thuiszittend, zo goed ging. Tot rust kwam, piano speelde, filmpjes maakte. Maar daar kon geen sprake van zijn. Ouders zien dat het voor Daphne funest is als zij weer naar school zal moeten en vragen bij deskundigen om haar vrij te stellen van de leerplicht. Het enige alternatief wat geboden wordt, is echter verblijf in een kliniek. Instanties richten zich op projecten om haar alsnog op school te krijgen of bij instellingen voor zwakbegaafde kinderen onder te brengen. Het verzorgen van onderwijs van het kind komt niet eens aan de orde. De school zegt geen geld voor haar te hebben.

De positie van ouders

Als er iéts in dit boek duidelijk wordt, is het wel hoe slecht er naar ouders geluisterd wordt. Hoe oneindig veel machtiger (en lakser) scholen en professionals staan ten opzichte van de ouders. Afspraken worden niet nagekomen, testuitslagen worden niet opgepakt als aanknopingspunt om het kind verder te helpen, maar verdwijnen in het dossier. Leerkrachten proberen allemaal hun eigen kunstjes en trucjes uit, maar leren niet van het kind, niet van de ouders en niet van elkaar. Over de beschikbare financiële middelen wordt gelogen, het geld komt niet terecht waar het voor bestemd is: het kind zelf. En boven alles staat dat Daphne naar school moét: dat is immers goed voor haar sociale ontwikkeling? Terwijl uit alles blijkt dat het niet zo is. Tot het moment dat Daphne helemaal niet meer wil leven.

Dit boek is het verslag van het gevecht van ouders voor hun kind. Een kind dat in de knel komt in het huidige systeem. Dat systeem is er niet voor dit kind, maar dat wil niemand horen.

Daphne zit nu thuis, eindelijk rust. Eindelijk ruimte om zichzelf op haar eigen manier, in haar eigen tempo, te ontwikkelen. Ondanks het schooladvies voor PRO/BBL, volgt ze nu MAVO afstandsonderwijs, praat ze en speelt ze piano. Haar verhaal wordt nu verteld door haar moeder en is helaas herkenbaar, op punten, voor zoveel ouders naar wie niet geluisterd wordt. De overheid en de samenleving staan altijd klaar om ouders te wijzen op hun verantwoordelijkheid in de opvoeding. Maar wanneer een kind in de knel komt te zitten, staan diezelfde ouders tegenóver instanties, in plaats van naast. Dan wordt er niet naar ze geluisterd, maar gedreigd met maatregelen.

En daarom moet iedereen dit boek lezen: ouders, leerkrachten, schoolleiders en beleidsmakers. Omdat je mooie theorieën kunt hebben, maar als je niet kijkt hoe die uitpakken, ben je geen lerende organisatie. Omdat de theorieën voor de kinderen zijn en niet andersom.






Janine Scherpenberg: Thuis is Daphne Daphne. Piramidons 2014. Met een voorwoord door Katinka Slump, onderwijsadvocate die zich onder meer inzet voor thuiszitters.


Lees meer over thuiszitters:


maandag 10 november 2014

Naar de boeren!

Afgelopen dinsdagmorgen ging ik met mijn ouders (85 en 82) naar het Verzetsmuseum in Amsterdam. Er was een tentoonstelling over de kinderuitzendingen in de hongerwinter, een onderwerp waar veel mensen eigenlijk nauwelijks weet van hebben.

Hongerwinter

In de winter van ’44-’45 was er met name in de grote steden nauwelijks meer iets te eten (en daarnaast amper brandstof om eten op te bereiden). Mensen stonden uren in de rij voor een pannetje waterige soep. De situatie was nijpend, met name voor kinderen. Mensen stierven van de honger en duizenden verzwakte kinderen dreigden om te komen. Vanuit vooral de kerken ontstonden initiatieven om kinderen uit de steden bij boeren in de provincies onder te brengen. Op het platteland was vaak nog wel iets te eten. De Duitse bezetters stonden dit oogluikend toe, vooral omdat ze bang waren voor opstand onder de hongerende bevolking.
Met schepen of vrachtwagens werden kinderen (tussen de 5 en 15 jaar oud) naar het platteland: Friesland, Overijssel, Groningen gebracht. Deze transporten duurden lang, vonden vaak `s nachts plaats uit vrees voor beschietingen. Na een lange en afschuwelijke tocht arriveerden kinderen bij hun gastgezinnen. Wildvreemden die ze vaak niet eens konden verstaan. Maar ze kregen te eten en zo overleefden ze de oorlog.

Aanvankelijk was er niet veel bekend over deze kinderuitzendingen, die toch minimaal zo’n 40.000-50.000 kinderen hebben omvat. Er waren wat verslagen van vlak na de oorlog, van de organisatoren zelf. Maar een paar jaar geleden kwam één van de kinderen die destijds zelf uitgezonden was, op het idee om verhalen te verzamelen van de (destijds) kinderen zelf, die inmiddels ruim 70 jaar oud waren. Mijn moeder heeft destijds met haar verhaal gereageerd op een oproep in het blad van de Katholieke Ouderenbond. Met haar reageerden zo’n 200 anderen. Uit die verhalen en de nodige research is een boek samengesteld: Fans Nieuwenhuis: Naar de boeren! Kinderuitzendingen in de Hongerwinter. 
En nu is er een tentoonstelling over dit onderwerp in het Verzetsmuseum in Amsterdam, nog te zien tot 12 april 2015. Het thema wordt verteld aan de hand van de verhalen van zeven mensen die destijds als kind werden uitgezonden. Mijn tip: lees eerst het boek van Nieuwenhuis, die zelf ook één van de verhalenvertellers van de tentoonstelling is. Het boek zelf is al enorm aangrijpend in de nuchtere weergave van feiten. De verhalen, ervaringen van de kinderen zelf, komen vooral in de tentoonstelling tot leven.

Het boek

Allereerst de omvang van het drama. De honger in de steden. Een man in de rij voor de gaarkeuken die neervalt op straat. Dood. Het kind dat het ziet gebeuren. Het overzichtje van de hoeveelheid calorieën die nog beschikbaar waren via de voedseldistributie: April 1941: 1800. November 1944: 650. Januari 1945: 550. (Normaal aanbevolen voor volwassenen: vrouwen 2100, mannen 2500 Kcal bij gemiddelde activiteit).
“De doktoren en verpleegsters in het Zuiderziekenhuis in Rotterdam – ze werkten dag en nacht- kregen midden februari als ontbijt één sneetje droog brood met een kopje surrogaat thee, om twaalf uur twee aardappelen, één eetlepel groente en waterige saus, en `s avonds één of twee sneetjes droog brood met een bord ‘soep’, meestal gemaakt van suikerbietenaftreksel afkomstig uit de gaarkeuken.” (FN p. 27)
De “selectie” van kinderen, die medisch gekeurd werden en in klassen werden ingedeeld: klasse I ‘dringend noodzakelijk’ omvatte 22 procent van de kinderen. Dat hield in dat deze kinderen ernstig ondervoed waren en het anders niet meer zouden redden. Een kind van 6 jaar oud dat slechts 15 kilo woog, werd onderweg opgevangen, verder transport was niet verantwoord.

De kerken speelden een belangrijke rol bij de kindertransporten, en het was een operatie van enorme omvang. Terwijl er amper communicatie mogelijk was (er was vrijwel geen telefoonverkeer meer mogelijk, evenmin als post) evenals transport (geen benzine of diesel meer, nauwelijks vrachtwagens. Vervoer was gevaarlijk vanwege gevaar van beschietingen, vond meestal `s nachts plaats. Mijn moeder ging destijds met een vrachtwagen naar Zurich, voorbij de Afsluitdijk. Meteen na het transport werd de Afsluitdijk voor alle verkeer gesloten). Toch slaagde men erin deze omvangrijke operatie te organiseren. Nieuwenhuis stelt heel terecht de vraag hoe zoiets in deze tijd tot stand zou komen en vooral door wie.

Aangrijpend (zacht uitgedrukt) was het verhaal over een schip met baby’s, dat in het donker op weg was naar Stavoren en uit de vaargeul raakte. De honderd baby’s waren zodanig verzwakt dat ze 10 dagen of minder te leven hadden, een kaartje met hun naam erop om de dunne nekjes. De eerste nacht waren 20 van de 100 baby’s al overleden… Uiteindelijk bereikte men Enkhuizen, waar de stadsomroeper de straten rondging om hulp te vragen. Uit de huizen kwamen mensen met kinderwagens en de baby’s werden opgevangen, tussen warme kruiken gelegd en er werd verdunde melk door de lipjes gedruppeld. Toen het transport verder wilde was géén van de opvangende moeders nog bereid om de baby af te staan, ze bleven in Enkhuizen. Na de oorlog gingen de kindjes terug naar hun ouders, maar één meisje, destijds 6 maanden oud en 4 pond, bleef in Enkhuizen bij haar nieuwe ouders, waar ze opgroeide en later ook trouwde. De organisatrice van het babytransport, mevrouw Wijsmuller*, sprak bij haar huwelijk.

De tentoonstelling

De tentoonstelling is opgezet rond de zeven mensen met hun persoonlijke verhalen en omvat verschillende thema’s: de hongerwinter, het transport zelf (met kinderen die te verzwakt waren om nog `lastig’  te kunnen zijn, die ziek werden van de pap omdat hun lichaam niet meer in staat was voeding op te nemen), het gastgezin waar de kinderen op verhaal werden gebracht (“De eerste dagen dat ik er was kwamen alle buren kijken hoe mager ik was. Ik moet er wel heel erg uitgezien hebben”) het contact met thuis: heel soms kwam er een brief door, vaak was er maandenlang geen contact of gingen ouders lopend op zoek naar hun kind… Juist door de persoonlijke verhalen komen die thema’s enorm binnen. Zoals het verhaal van de vrouw die vertelde hoe ze als meisje van 11, 12 jaar een baby in handen gedrukt kreeg, van een onderduikende moeder. De baby maakte teveel geluid… Onderweg hield ze het kindje maar zo goed mogelijk warm, en was ze bang dat de Duitsers het zouden ontdekken. En bij aankomst werd de baby haar ook weer afgenomen, ze heeft nooit geweten hoe dat meisje heette.
Of het transport per vrachtwagen, waarin achterin ook nog drie onderduikers zaten. De lichten van de Duitsers schenen over de kindergezichtjes, de onderduikers werden niet gevonden.
Of het verhaal van Paul van Vliet, die door zijn eigen ervaringen als oorlogsvluchteling (onderweg werd het schip beschoten, iedereen moest aan de wal, achter de dijk schuilen) zo gegrepen was, dat hij zich nadien inzette voor Unicef.

Mijn ouders 

Ook de verhalen van mijn eigen ouders, die we later bij een kop koffie in het café naast het Verzetsmuseum nog eens ophaalden. Hoe mijn moeder door vermoedelijk de pastoor tussen een kindertransport van de BPM (de Bataafse Petroleum Maatschappij, het latere Shell) werd geschoven en in Friesland terecht kwam. Bij het eerste gezin was ze eigenlijk niet welkom, ze was er zo ongelukkig. De bovenmeester regelde een ander adres voor haar. Ze moest er alleen naartoe en durfde eigenlijk niet aan te bellen. Ze deed het toch en werd zó warm ontvangen, zo gekoesterd dat ze tot op de dag van vandaag contacten onderhoudt met haar “familie uit Friesland”.  Of het verhaal van mijn vader, die niet bij een kindertransport hoorde, maar op eigen houtje, via contacten vanuit de parochie, van Amsterdam-Zuid met zijn broertje naar De Rijp (Noord-Holland) liep. Het was winter, mijn vader en zijn broer waren ondervoed, de koude handen in de zakken van de veel te dunne jassen gestoken. Ze vielen, mijn vader kwam recht op zijn gezicht terecht en het gastgezin haalde er meteen de dokter bij. Die zei: “vooral niet teveel eten geven, anders gaat hij dood.”

Ze hebben het gered, allebei en ik heb in Amsterdam met mijn beide ouders nog kunnen kijken en napraten. En bij thuiskomst brandde de kachel, kwam er warm water uit de kraan en kon ik een lekkere maaltijd maken voor man en dochter. En pas nu bedenk ik dat, als die uitzendingen er niet geweest waren, ikzelf er waarschijnlijk ook niet zou zijn.


Frans Nieuwenhuis: Naar de boeren! Kinderuitzendingen in de Hongerwinter. Rotterdam: Ad. Donker 2010.
Verzetsmuseum Amsterdam: Naar de boeren! Expositie t/m 12 april 2015. http://www.verzetsmuseum.org/museum/nl/exposities/naar-de-boeren

*Mevrouw Wijsmuller-Meyer heeft vele, vele kinderlevens gered: http://nl.wikipedia.org/wiki/Truus_Wijsmuller-Meijer

vrijdag 24 oktober 2014

Bij de presentatie van de nieuwe editie Consuminderen met Kinderen

(tekst, uitgesproken bij de boekpresentatie van de nieuwe editie van Consuminderen met Kinderen, van Marieke Henselmans. 24 oktober 2014 bij Broese, Utrecht)

Geachte aanwezigen, lieve Marieke

Toen ik zestien jaar geleden mijn dochter kreeg… nee, ik moet langer terug in de tijd. Toen ik negen jaar, was, bijna tien, kreeg mijn oudste zus een tweeling. Twee dochtertjes. Voor mij als kersverse tante was dat natuurlijk het paradijs, daar kan geen babyborn tegenop (maar die bestond nog niet). Extra handen waren natuurlijk altijd welkom, en in die tijd waren er nog gewoon katoenen luiers. Ik hielp met badderen, flesjes geven en luiers vouwen. En omdat ik drie oudere zussen heb, was er in de jaren daarna elke paar jaar wel een nieuwe baby om vast te houden en te zien opgroeien.

Toen ik mijn dochter kreeg verheugde ik me dus al op de katoenen luiers, waarvan ik grote stapels op koninginnedag had gekocht. Plastic strikslips bleken nog steeds te koop. En natuurlijk kreeg ik ook de lijst onder ogen van wat je allemaal moet aanschaffen als je een kind krijgt. Maar ons budget was zeer beperkt. Gelukkig vonden we tweedehands een mooie grote wieg, die mijn man netjes overschilderde. Samen met mijn moeder maakte ik de bekleding en het matrasje. Vanuit alle windstreken bereikten mij zakken vol met babykleertjes, zodat ik het – gezeten op de grond, samen met mijn schoonmoeder- voor het uitzoeken had. Mijn vader timmerde naar mijn ontwerp de commode, het geboortekaartje tekende ik zelf en zo waren we er helemaal klaar voor. Ik heb die katoenen luiers nog best een tijdje volgehouden: de kraamzuster kwam met de geweldige tip dat schilderstape makkelijker en veiliger waren dan dat geprik met spelden en een goede vriend (ook huisvader) leerde mij een nieuwe vouwtechniek met dubbele plasgoot. Toen mijn baby groter werd stapte ik over op wegwerpluiers maar Pampers heb ik nooit gekocht.

Van huis uit heb ik, behalve veel liefde en familie, ook een bepaalde zuinigheid meegekregen. Of zo je zeggen wil, relatief weinig materialisme. Dure etentjes waren er wel (vanwege mijn vader’s bedrijf) maar met de hele familie pannekoeken eten, of picknicken in het Amsterdamse Bos, was véél gezelliger. Je begrijpt dat het boek Consuminderen met kinderen, dat verscheen toen mijn dochter een jaar was, bij mij helemaal in goede aarde viel. De vindingrijke tips om het met weinig geld goed te hebben, kwamen me zeer goed van pas. Daarnaast was de schrijfster op een heel prettige manier een ervaren grote zus, met talloze tips over voeden en opvoeden.

En daarmee vond ik het meteen ook een heel bijzonder en belangrijk boek, in al zijn bescheidenheid. Want anders dan ik, hebben veel van mijn leeftijdgenoten en al helemaal de jongere generaties, vrij weinig ervaring met baby’s en kinderen. Als je zelf maar één broer hebt, en nauwelijks neven of nichten, is het waarschijnlijk dat de eerste baby die je in handen krijgt, die van jezelf is. Informatie komt dan al gauw vanuit de commercie: alle reclames en glossy’s met de mooiste, duurste spullen. Het boekje Consuminderen is een goede tegenhanger, die alle koopdrift heerlijk relativeert vanuit de vraag: wat heb je echt nodig, en wat is onzin die je aangepraat wordt? Nou, ontzettend veel in de supermarkt en andere winkels blijkt onzin die je aangepraat wordt. Het bleek ook voor mij niet eenvoudig om tegen de stroom in te zwemmen, zeker niet toen mijn dochter wat ouder werd en de Ligakoeken (2 in een pakje!), Sultana’s (drie!)  en pakjes drinken op school de regel bleken te zijn en mijn dochter met haar mandarijntje de uitzondering (waarbij commentaar van de andere kinderen natuurlijk niet uitbleef). Mijn voorstel om alle kinderen fruit, of thee met desnoods één biscuitje te laten eten, werd weggewuifd als betuttelend. En ondertussen deed de marketing via de leeftijdgenootjes haar werk.

Ouders van nu hebben meer dan ooit te maken met druk vanuit marketing. Niet alleen op hun eigen leven: je moet de juiste koffiemachine hebben, sushi, speltbrood of juist cupcakes eten maar ook naar de sportschool, je hebt natuurlijk een perfect leven en een perfect huis en een perfect lichaam, maar ook je kinderen zijn helemaal perfect en gezond, met blije gezichten en kleertjes van het juiste merk. Dat de meeste ouders zich helemaal suf rennen en werken om dit allemaal voor elkaar te krijgen en daarin in de verste verte niet slagen, daarover kan Brigitte Kaandorp veel leuker vertellen dan ik. Maar dat ouders zich helemaal suf rennen, dat is zeker. Opmerkelijk is dat in de algemene opinie alleen de ouders verantwoordelijk gehouden worden voor het nee zeggen tegen alle verleidingen; over de voortdurende terreur van kindermarketing in de supermarkt, in de reclamefolders, in alle televisiezenders en spelletjes op internet, en niet in de laatste plaats via leeftijdgenootjes, daar hoor je niemand over. Voor deze ouders, voor álle ouders, is het boekje Consuminderen een enorme steun in de rug, juist vanwege de praktische inslag. Ik ken geen ander boek dat zo nuchter weerwerk biedt tegen de reclameterreur die juist ouders zo onzeker maakt: je wilt toch immers het beste voor je kind? Consuminderen laat zien dat dat vanzelf spreekt, maar dat dat alleen niet het duurste hoeft te zijn. Besparen is op alle fronten mogelijk en – dat is nu zo fijn- je mag helemaal zélf kiezen: wat vind jij belangrijk? De een wil graag minder werken, de ander wil langer op vakantie of domweg gewoon kunnen rondkomen. Marieke laat zien dat je hierin zelf het stuur kunt overnemen.

Maar er was nog iets anders wat me trof in het boek Consuminderen, dat ik op die manier nog in geen enkel ander boek tegen was gekomen: en ik citeer:

“dit is waar de ouders van een eerste kind zo van schrikken. Mensen bereiden zich voor op de komst van een baby door een vermogen uit te geven aan de babykamer. Dat is lief en goed bedoeld. Alleen, wat blijkt: de baby wil die schattige muziekdoos niet, hij huilt als je hem die poppige kleertjes aandoet en in de prachtige wieg wil hij helemaal niet liggen. Hij wil jou. Hij wil meer geduld dan je ooit vermoedde in huis te hebben.”

Dit trof me zó diep, was zó herkenbaar. Het was niet alleen een enorme troost vanwege het diepe inzicht dat ouderschap betekent dat je méér liefde, geduld en aandacht zal moeten (en willen!) geven dan je ooit voor mogelijk had gehouden in je te hebben, dat dit ook een angstig en beklemmend gevoel kan geven. Maar ook een eye-opener: alle spullen in de wereld kunnen mij niet vervangen. Dit is in alle beknoptheid de kern van ouderschap, ja van het leven zou ik zeggen. Dat alle spullen in de wereld niet opwegen tegen aandacht en liefde, of zoals Marieke schrijft: “the real thing”.


Daarom ben ik zo blij dat er nu een nieuwe, geheel herziene editie is, klaar om een nieuwe generatie jonge ouders te ondersteunen in hun moeilijke taak kinderen groot te brengen in een veeleisende samenleving waarin het gezond verstand soms lijkt te ontbreken. Het helpt je “nee” te leren zeggen in een wereld waarin je overal “ja” op lijkt te moeten zeggen, maar niet vanuit een opgeheven vingertje, maar vanuit de vraag: welke keuzes zijn echt die van jezelf en welke worden je aangepraat? Wat is voor jou belangrijk? Aangevuld met ervaring van gezinnen en terugblikjes van Marieke zelf en haar zonen, die met heel concrete voorvallen laten zien wat er achteraf echt toe heeft gedaan en wat niet. Een praktische, maar ook morele gids in deze woelige tijden.  Ik hoop dat zeer veel ouders hier net zo veel steun en plezier aan gaan hebben als ik destijds heb gehad. Marieke, van harte gefeliciteerd!


Marieke Henselmans: Consuminderen met kinderen. Wat geef je ze mee? Feestelijke, herziene editie. Forte Uitgeverij, 2014. €18,95

zondag 28 september 2014

Pragmatisme is ook politiek

Scherpe observatie van Floor Rusman in NRC van 16 september: “Die  `pragmatische’ aanpak is net zo goed politiek”: premier, ministers en staatssecretarissen verkopen hun beleid als enig mogelijke en bovendien noodzakelijk antwoord op ontwikkelingen in de samenleving in plaats van als ideologische keuze.  

Voorbeelden die Floor geeft: "Zo sprak Mark Rutte in zijn H.J. Schoo-lezing van vorig jaar over `problemen oplossen' alsof maatschappelijke problemen puzzels zijn met maar één oplossing, waarover links en rechts het eens zijn." Edith Schippers zei in een interview in de Volkskrant over zorg: "Je kunt alles vanuit de ideologie aanvliegen. Maar dat lost voor de mensen zo weinig op. Ik wil problemen oplossen, anders vind ik er niets meer aan." Terwijl Jeanine Hennis vorig jaar in een interview in NRC zei: "Dan krijg je de neiging om luchtkastelen te bouwen. (...) ik toon graag enige realiteitszin."  (Samengevat uit het opiniestuk van Floor Rusman).

Waarom doen ze dat? Floor vermoedt dat ze dit doen doordat dit kabinet geen gedeelde visie heeft, maar dat lijkt niet logisch: ze volgen immers wel dezelfde verkoopargumentatie en zijn daar zelfs opvallend eendrachtig in. 

Twee alternatieve verklaringen lijken me waarschijnlijk. De eerste is dat het benoemen van je ideologie in deze postmoderne tijd taboe is: waarheid is immers betrekkelijk, iedereen heeft recht op zijn of haar eigen waarheid. Zonder ideologie ben je dan wel zo veilig, het scheelt een hoop zinloze –want er is geen waarheid- discussies. Het scheelt ook het verwijt van "linkse hobby", variërend van maakbaarheidsgeloof tot communistische heilstaat (in alle varianten regelmatig op twitter en andere fora te beluisteren, de verwijzing naar Noord Korea komt ook altijd wel eens langs).

Maar die ideologie is er wel degelijk en -dat is de tweede verklaring- zit verpakt in alle ontwijkende argumenten van politici: het neoliberale marktideaal. Marktwerking (gedragen door zelfstandige en bewust kiezende consumenten) is volgens dit geloof inherent goed en de eisen van de markt zijn daarmee de eisen van de politiek. Ieder protest is een teken van het falende – verkeerd kiezende- individu, want aan de markt kan het immers niet liggen. 

Steeds duidelijker wordt dat de politiek er niet langer voor de burgers is, maar alleen nog voor de markt. De gedachte dat de markt goed zou zijn voor burgers is allang ondergraven, de winst van dit systeem gaat immers naar een kleine bevoorrechte groep terwijl de kosten (milieu, gezondheid en werkzekerheid) worden afgewenteld op het gewone volk. Maar ja, tot welke kaste behoren politici? I rest my case.