zondag 6 maart 2016

Een kerel in een supermarkt

Mijn onbetaalbare vent heeft gereageerd op de column van Eva Hoeke in het Volkskrant Magazine van deze week. Zij beschreef hoe haar man thuis kwam met allerlei ongevraagde boodschappen, inclusief kattenkorrels, maar niet het enige artikel waarom zij gevraagd had, namelijk mayonaise. Dit leidde tot allerlei bespiegelingen over mannen in de supermarkt, die zich door primaire instincten zouden laten leiden.

"Een kerel in een supermarkt is als een vos in een kippenhok"

aldus Eva. Lees hieronder de reactie die mijn kerel stuurde:

Beste Eva ,

je hebt het wat boodschappen doen niet getroffen met je man.
ik kom zelden bij de AH , en juist dan neem ik wel de bonuskaart mee omdat ik er speciaal naar toe ga.
ik koop alleen wat ik wil , ik eet nooit worst , ribbelchips of frisdrank , en bier drink ik ook niet.
ik laat me absoluut niet leiden door felle kleurtjes of andere reclame of andere volgens jou primaire driften ,
je hebt een bijzonder beeld van de man , waar in mijn geval niets van klopt.
de zware artikelen zet ik altijd het eerst op de band , die belanden dus altijd het eerst in de kartonnen kratjes die ik gebruik.
dus nooit zijn er dan geplette witte bolletjes of tomaten te vinden.
de eventuele demonstratrices in de winkel negeer ik volkomen , geen behoefte aan om 08.00 uur op zaterdag morgen als ik croissanten haal
voor mijn wederhelft en onze dochter.

met vriendelijke groeten , R , woonplaats.


p.s : we hebben geen kat.

donderdag 21 januari 2016

Sociale uitsluiting is niet dierlijk!

In zijn artikel “Het zijn net beesten” geeft Maarten Keulemans in De Volkskrant van 16 januari j.l.  zijn visie op de vraag waarom groepen mensen de neiging hebben om andere groepen mensen af te schilderen als beesten. Hij noemt dat terecht “dehumaniseren”, ontmenselijken. Als voorbeeld noemde hij de broodje-aapverhalen over vluchtelingen die koikarpers uit een vijver zouden hebben gejat, of dat Vietnamese nieuwkomers de honden zouden opeten. De buitenlander die rare, dierlijke dingen doet. Keulemans bevestigt niet alleen dat mensen van nature xenofoob zijn, maar stelt dat het nog erger is: dat ook de neiging om anderen te dehumaniseren, het ontmenselijken van de ander, een “diep menselijke, universele reflex” is. Die ander hoeft niet eens van een ander ras te zijn, zelfs studenten van een andere universiteit worden in een testsituatie al minder snel herkend als menselijk. “Zie daar de aap die alles buiten zijn kringetje veracht.” Waren we daarin maar wat minder dierlijk, verzucht Keulemans.

Uitsluiting is niét dierlijk

Ik heb goed nieuws voor hem: daarin zíjn we ook wat minder dierlijk. Juist het dehumaniseren van de ander, ook al is het een student van een naburige universiteit, is bij uitstek mensengedrag. Of veel liever: menselijk groepsgedrag, sociaal gedrag dus. Want inderdaad hebben we de reflex om anderen snel in te delen in “wij” en “zij”. Alleen: wie die wij en zij zijn, verschilt nogal. We leven allang niet meer in relatief gesloten stamgroepen op de steppe en onze niveaus van identificatie lopen dus enorm uiteen: van ons gezin, onze familie, onze vriendenkring tot de buurt, de school, ons werk, de sportclub, onze stad of ons dorp, mensen van onze huidskleur of ons geloof, mensen die ook in Nederland, Europa, de wereld wonen. Op al deze vlakken vinden processen van identificatie en desidentificatie plaats en géén van die processen verloopt hetzelfde.

Sociale, menselijke processen

Dit zijn bij uitstek sociale processen. De vraag wie bij “ons”  hoort wordt niet op individueel, maar op groepsniveau beantwoord en daar zijn, ook zichtbaar op de sociale media, felle debatten over. Ons vermogen tot empathie voor de ander is inderdaad dierlijk en aangeboren: als er een ernstig ongeluk gebeurt voor onze ogen schrikken we daarvan vóórdat we doorhebben van welke kleur, ras, geloof, godsdienst of voetbalclub het slachtoffer is. Het uitschakelen van deze natuurlijke empathie is bij uitstek een sociaal proces, via definities als hierboven beschreven. Die zie je ook in de klas, waarin een willekeurig kind wordt bestempeld als asociaal, heeft luizen, stinkt, is altijd agressief. Die definities dienen ervoor om het pesten, het buitensluiten, zowel onzichtbaar te maken (want de schuld van het slachtoffer zelf) als te rechtvaardigen. En dat kind is willekeurig gekozen, is niet per sé van een andere kleur, ander geloof, andere voetbalclub enzovoorts. Het is er gewoon één van ons. Onze natuurlijke empathie voor de ander wordt uitgeschakeld in een groepsproces. En neemt iemand het voor het slachtoffer op, dan volgen er sancties. Veel anderen pesten mee, uit angst om anders de volgende te zijn. Dat zie je ook in bedrijven, waarin de nieuwkomer wordt gepest of een werknemer door zijn of haar collega’s  psychisch wordt mishandeld. Je ziet het in tehuizen waarin sommige bewoners niet aan tafel mogen koffie drinken of nooit mogen bepalen wat er op tv is.

Het misverstand biologie

Juist het bestempelen van deze processen van uitsluiting als “natuurlijk” verdoezelt het feit dat het hier gaat om sociale processen die weliswaar een functie hebben (het geleiden van spanningen in en tussen groepen) maar die geenszins onvermijdelijk, natuurlijk of gezond zijn. Nog belangrijker: in deze vorm komt pesten niet in de dierenwereld voor. Natuurlijk testen kleine aapjes het leiderschapsvermogen van de grote apen, maar als ze het te gek maken, wordt er wel degelijk ingegrepen. Als je denkt dat het natuurlijk is, dan hoort pesten nu eenmaal bij kinderen. Dan kijken scholen de andere kant op of verzuchten dat kinderen nu eenmaal wreed zijn. Dan doen werkgevers niets, ook al is de sfeer verziekt en kost het pesten het bedrijfsleven miljarden per jaar. Als je beseft dat pesten een uiting is van sociale spanningen, een symptoom van een verziekt groepsproces, dan weet je dat je aan de bak moet. Dan kun je als leerkracht, schoolleider, bedrijfsleider, burgemeester of als staatshoofd leiderschap laten zien: wat zegt dit gedrag over ons? 

dinsdag 22 september 2015

Drie dingen die je echt moet weten over pesten

Het is de week tegen pesten, en de media staan bol van de aandacht. Nu is het risico groot dat de meesten volgende week opgelucht ademhalen en overgaan tot de orde van de dag. Er is immers al zoveel waar het onderwijs aandacht aan moet besteden, tegenwoordig.

Daarom even heel kort: drie dingen die je echt moet weten over pesten.

1.      Wat is pesten?

Wat is pesten eigenlijk? Vaak wordt verwezen naar de omschrijvingen van pesten, zoals het fysieke mishandelen: schoppen, duwen, knijpen, slaan; het verbale mishandelen: schelden, beledigen, dreigen, belachelijk maken; het materiële beschadigen: spullen kapot-, kwijtmaken of opeisen en het sociaal buitensluiten of negeren.
Dit zijn symptomen van pesten. Zoals je griep kunt beschrijven aan de hand van snot, pijn en koorts, kun je pesten op deze manier beschrijven. Het pesten zelf is net als de griep de overkoepelende verklaring voor de symptomen: pesten is het doelbewuste en structurele proces van sociale buitensluiting en beschadiging door een groep.

2.     Hoe herken je pesten?

Het probleem bij pesten is dat je het als leerkracht, ouder of betrokkene niet altijd ziet. Een belangrijk onderdeel van pesten is namelijk de definitie van het slachtoffer: deze wordt steevast (met verwijzing naar algemeen aanvaarde maatschappelijke normen) negatief gelabeld: iemand is “een na-aper”, hij “stinkt” of is dik, lui, gemeen, agressief of “niet weerbaar”. Hierdoor gaan mensen oprecht geloven dat het pesten aan het slachtoffer te wijten is. Zo lijkt het geen pesten, maar deugt de persoon gewoon niet. Zelfs leerkrachten en scholen kunnen hierin meegaan: door het vervelende gedrag (voortdurend klagen dat hij of zij gepest wordt) hebben zij een probleem.  Maar al te vaak verlaat het slachtoffer de school, in plaats van dat het pesten actief wordt aangepakt. In de pestende groep ontstaat vanzelf een nieuw slachtoffer…
Hoe herken je pesten? Aan de symptomen die onder punt 1. genoemd werden, maar vooral aan het feit dat deze steeds dezelfde persoon treffen en dat er in de groep een zekere consensus is dat het aan het slachtoffer ligt. Het zijn géén incidenten, maar vallen in een patroon. Het gedrag van het slachtoffer (huilen, overgevoelig, onzekere uitstraling) is meestal juist het gevolg van pesten. Een weerbaarheidscursus heeft alleen zin als de pestende groep aangepakt wordt, want in een zieke omgeving zal niemand gezond worden. Elk gedrag dat de gepeste vertoont, wordt immers negatief gelabeld? Dus ook het weerbare gedrag. Je ziet zelfs dat een slachtoffer dat écht voor zichzelf opkomt, meestal met veel geweld door opgebouwde frustratie, van school gestuurd wordt wegens “gedragsproblemen”. Of erger, zie de trieste steekpartij in Voorburg.

3.     Wat helpt nou echt tegen pesten?

Pesten is alleen op te lossen door het te zien als een probleem van de hele groep. Er is in de groep blijkbaar een evenwicht ontstaan ten koste van één of meerdere personen. Er zijn mensen die dit “natuurlijk” noemen, onvermijdelijk, het hoort er nu eenmaal bij, maar die zien over het hoofd dat in een onveilige groep alle betrokkenen onder de sfeer lijden. Je ziet dat kinderen vooral druk zijn met elkaar en met hun positie in de klas. Ze komen amper toe aan leren, aan zichzelf ontwikkelen als stabiel en positief mens, want daarvoor zijn juist rust en veiligheid nodig.
Pesten is dus een probleem van de groep en daarmee een leiderschapsprobleem. Op scholen geldt dat leerlingen gedwongen zijn daar elke dag naartoe te gaan, de kinderen zijn aan elkaar overgeleverd. Dit maakt scholen medeverantwoordelijk. Daarnaast spelen volwassenen niet zelden een legitimerende rol bij het pesten: een kind dat bij de leerkrachten niet geliefd is, is extra kwetsbaar bij pesten. Leraren doen niet altijd mee aan het pesten, maar ondersteunen dit wel door halfbakken op te treden of het slachtoffer openlijk af te wijzen: jij bent een zeurpiet. Of tegen de ouders: uw kind moet maar eens wat weerbaarder worden.

Wat echt helpt tegen pesten is inzicht in pesten als groepsprobleem en een krachtige stellingname en samenwerking van het hele team voor een veilige en gelukkige school. Dat komt de leerprestaties, het werkplezier en het levensgeluk van álle betrokkenen, docenten en leerlingen, ten goede. Wie wil dat nou niet?


Lees echt alles over pesten in mijn boek: Alles over Pesten


https://www.boompsychologie.nl/product/2395/Alles-over-pesten

vrijdag 21 augustus 2015

Alleen maar zinnige adviezen. Boekrecensie het Antidieetboek van Eetschrijver Gerrit Jan Groothedde

Tijdens mijn vakantie las ik met ontzettend veel plezier Het Antidieetboek van “Eetschrijver” Gerrit Jan Groothedde.

Om te beginnen moet iedereen dit boek lezen. Of je nu op dieet wil, of juist niet. Of je jezelf nu te zwaar vindt of niet. Dit boek staat boordevol kennis over ons voedingspatroon en vooral: over de markt en de kwaliteit van ons voedsel.

De grootste veroorzaker van de toename van obesitas en onze problemen met onze gezondheid is – en dat laat Groothedde op vele manieren zien-  ons eetpatroon en met name de manier waarop deze door de supermarkten en  de voedings- en frisdrankindustrie wordt vormgegeven. Deze industrie is er namelijk vooral op gericht ons zoveel mogelijk te laten consumeren, gemaksvoedsel is niet alleen gemakkelijk, maar ook maximaal verslavend: we eten er teveel van, en willen steeds meer. Daarbij worden we aan alle kanten misleid, bijvoorbeeld omdat eindeloze marketing ons heeft laten geloven dat tussendoortjes normaal zijn, en je hooguit kunt kiezen voor een ‘gezond tussendoortje’, bijvoorbeeld een stuk ontbijtkoek dat voor bijna de helft uit suiker bestaat. Bovendien eten we vooral heel veel van hetzelfde, met name waar het brood betreft. Ons voedingspatroon is op die manier losgezongen van wat ons lichaam nodig heeft.


Groothedde heeft een nieuwe manier gevonden om terug te keren naar een gezond-verstand eetpatroon op basis van contact met je lichaam en bewuste keuzes voor gevarieerd eten. – en viel daar zelf 35 kilo mee af (waarbij hij nadrukkelijk zegt dat dit gebaseerd is op ervaringen van één persoon). Deze manier is géén dieet, maar een leefpatroon en de Eetschrijver presenteert zich nadrukkelijk niet als een goeroe, maar reikt hooguit kennis en inzicht aan, de rest moet je zelf doen.

Dat laatste lijkt me op basis van dit boek nog niet helemaal makkelijk, niet alleen ontbreken concrete menu’s of lijstjes (logisch, omdat je het zelf moet doen, maar dat maakt de drempel wat hoger), ook sluit de nieuwe leefwijze niet echt aan bij de inrichting van de samenleving, de sociale omgeving, de werkplek. Voor mij blijft het allemaal nog wat abstract, zeker gezien het feit dat ik bij het koken ook rekening te houden heb met een hardwerkende (en zeer kieskeurige) man en een schoolgaande puber (idem). Maar ik denk dat iedereen die dit boek leest zich in ieder geval eens achter de oren gaat krabben bij de inzichten uit dit heerlijk leesbare boek. En wat je er vervolgens mee doet, is aan jou.

Okee, één tipje van de sluier dan (want dat boek moet je echt lezen): neem je calorieën niet tot je in vloeibare vorm. “Smoothies doen niets voor je wat de ingrediënten in ongepureerde vorm niet veel beter doen. Je lijf snapt echt totaal NIETS van smoothies.”


Veel leesplezier!

Gerrit Jan Groothedde: het Antidieetboek. Afvallen zonder kuren of andere fratsen volgens Eetschrijver. Uitgeverij Spectrum 2015.

maandag 25 mei 2015

Het geweten van de sjoemelaar. Voedselveiligheid in historisch perspectief

Wat drijft de overtreder van de regels gericht op voedselveiligheid? Een historisch perspectief op menselijke motieven in dierlijke voedselschandalen.
(Dit artikel verscheen eerder in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, nummer 3, 2014)

Met regels staan we op gespannen voet. We ervaren ze als nodig, en tegelijkertijd zien we ze maar al te vaak als hinderlijk en beperkend. Iedereen gaat op zijn eigen manier met regels om, dus is de vraag niet óf we regels overtreden maar eerder wélke regels we overtreden en hoeveel of hoe vaak. Een glijdende schaal dus.
Maar wat als de regels er zijn om de veiligheid van anderen te garanderen? Meer specifiek: Wat gaat er om in het hoofd van bijvoorbeeld degene die met voedselveiligheid sjoemelt? Die, zoals begin dit jaar in het nieuws was, onduidelijk paardenvlees verkoopt als rundvlees? Ontkenning? Bagatellisering? Winstbejag of angst? Zijn de motieven om te sjoemelen persoonlijk van aard, of zijn er perverse prikkels vanuit de markt? Waar ligt de grens en wat is de rol van de overheid?

Voedselveiligheid door de tijd
Het knoeien met voedsel is beslist niet voorbehouden aan onze tijd. De sociologe Anneke van Otterloo schreef het prachtige boek Eten en eetlust in Nederland 1840-1990. (1) Met de verstedelijking en industrialisatie in de negentiende eeuw, werd er steeds meer voedsel verder van huis geproduceerd (en kwam er ook steeds meer voedsel beschikbaar). Dat gaf uiteraard problemen van productie op grotere schaal, van transport en houdbaarheid, maar er werd ook al veel geknoeid. Over de periode rond 1840 schrijft ze: ‘Van melk werden in de grote steden geen grote hoeveelheden gebruikt, omdat zij duur was en zelden onvervalst te krijgen viel. Er werd praktisch altijd water uit de pomp, sloot of gracht aan toegevoegd en om het mengsel natuurlijker te doen lijken, maakten melkslijters gebruik van meelsoorten, lijnolie of fijngewreven schapenhersenen. Het toevoegen van water waardoor de prijs tot bijna de helft kon zakken, was zo gebruikelijk dat het niet als een vervalsing werd opgevat. Wel werden later eisen gesteld aan de waterkwaliteit.’(2) Een bepaling uit 1858 stelde voor verdunning een maximum van twaalf kannen water op dertig kannen melk. De chiquere ‘melkinrichtingen’ (een soort cafetaria waar melk gedronken kon worden) controleerden de verdunning met een ‘lactodensimeter’. (3)   

In de hele negentiende eeuw waren bederf − er werd volop geëxperimenteerd met methoden om de houdbaarheid en bijbehorende smaak van voedingsmiddelen te verbeteren − en vooral ook vervalsing veelvoorkomende problemen die een serieuze bedreiging voor de volksgezondheid vormden. Vervalsing, zo schrijft Van Otterloo, ‘was weliswaar niet nieuw, maar de omvang ervan nam in de loop van de negentiende eeuw zeer toe door de wijdverbreide armoede en de snelle groei van het aantal stedelingen. Vandaar dat de kwaliteit van het in de steden verkrijgbare voedsel, althans voor de onderste lagen van de bevolking, zeer slecht was en dat ook nog lang bleef.’ (4) Goede controle ontbrak, zodat vooral stedelingen sterk afhankelijk waren van het geweten en de zorgvuldigheid van handelaren, bakkers en winkeliers. Van Otterloo: ‘De machtsbalans tussen enerzijds producenten en anderzijds consumenten was in deze situatie zodanig ongelijk, dat de verleiding voor de eersten om het eigen voordeel te maximaliseren groot was. Producenten en vooral tussenhandelaren maakten zich dan ook veelvuldig schuldig aan opzettelijke knoeierijen.’ (5) Deze knoeierijen bestonden onder meer uit het toevoegen van zand, gips, bonenmeel of andere dubieuze stoffen aan meel en brood, het manipuleren van het gewicht van brood met water, hetgeen weer gecamoufleerd werd met het toevoegen van kopersulfaat; het vervalsen van zout met krijt, het vervalsen van azijn met zwavelzuur en het bewerken van kaas met arseenzuur tegen mijt. Goede boter werd vermengd met boter van mindere kwaliteit en/of andere soorten vet, aardappelmeel en kleurstoffen. Niet alleen moesten de kopers enorm letten op de kwaliteit van de koopwaar; de knoeierijen brachten zelfs de export van boter in gevaar omdat de kwaliteit ervan zo slecht bekendstond. 
Het is dus bepaald niet voor het eerst dat er gesjoemeld wordt met de kwaliteit en veiligheid van ons voedsel, maar wat leert de geschiedenis  ons over de huidige voedselschandalen? Wat zou er omgegaan zijn in de hoofden van degenen die recent fraudeerden met de kwaliteit en de hygiëne van vlees?

Voedselaffaires − twee voorbeelden

In het afgelopen jaar zijn er meerdere gevallen van geknoei met vlees aan het licht gekomen. Toezichthouder NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, voorheen de Keuringsdienst van Waren) bekritiseerde producenten van ‘separatorvlees’: vleesresten die op mechanische wijze van botten en karkassen worden gescheiden en in gemaksvoedsel als frikadellen of kipnuggets worden verwerkt. In bijna 70% van de genomen proefmonsters werden bacteriën aangetroffen. Daarnaast klopten bij 80% van de bedrijven de etiketten niet en bij 40% van de bedrijven was de kwaliteit ondermaats. Bij 30% van de bedrijven was er kritiek op de hygiëne.
Zorgelijke bevindingen en maar goed dat er gecontroleerd wordt, denk je dan als consument. En vooral: Wat heb ik gegeten en wat zat erin? Kan ik er ziek van worden? In dit eerste geval lijkt de schade mee te vallen, zolang het eindproduct goed wordt verhit zodat eventueel aanwezige bacteriën niet overleven. Maar dat geldt niet voor gevallen waarin (het goedkopere) paardenvlees door rundvlees wordt gemengd en als zodanig − rundvlees − wordt verkocht. Nog los van het ethische aspect − de consument heeft er recht op te weten of hij of zij paard eet − is er een groot risico. Paarden kunnen tijdens hun leven medicijnen hebben gekregen die verboden zijn voor voedselproducerende dieren, zoals de ontstekingsremmer phenylbutazone. De herkomst van slachtpaarden en hun medische geschiedenis moet daarom gedocumenteerd en veilig bevonden zijn.
Dr. Joanna Swabe, EU Director Humane SocietyInternational: ‘De hele affaire met paardenvlees is eigenlijk per toeval aan het licht gekomen toen er in januari 2013 in Ierland, om geheel andere redenen, in een fabriek een DNA-controle gehouden werd. Daar werd toen DNA van paardenvlees gevonden, terwijl in de fabriek alleen rund- en varkensvlees verwerkt werd. Van een verontreiniging via eerder gebruikte machines kon dus geen sprake zijn, het moest echt om opzet, om fraude gaan. Vanaf toen werden DNA-controles ingevoerd, vóór die tijd werd er niet standaard gecontroleerd. Het is eigenlijk vrij eenvoudig: wat je niet controleert, dat vind je niet.’

Een recent schandaal vond plaats in Dodewaard, waar een grote slachterij haar erkenning kwijtraakte: ze mag geen dieren meer slachten en geen vlees meer in de handel brengen omdat de herkomst van het vlees (langdurig) onvoldoende gedocumenteerd was. De NVWA vermoedt dat paardenvlees in partijen rundvleessnippers terecht is gekomen. De kritische consumentenorganisatie Foodwatch kwam overigens in opstand en spande een kort geding aan tegen de NVWA. Weliswaar werden partijen onzuiver rundvlees uit de handel gehaald; onbekend bleef echter waar de andere al verkochte partijen zijn gebleven. Consumenten bleven in het ongewisse in welke producten het eerder verkochte vlees was verwerkt. Foodwatch eiste openheid van zaken.
  
Wat gaat er om in de hoofden van de slachters of de eigenaren van deze slachterijen? Naast persoonlijk gewin (sjoemelen levert op korte termijn meer geld op) kunnen diverse factoren een rol spelen. Het gevoel dat je ongezien je gang kunt gaan, verlaagt de drempel voor grensoverschrijdend gedrag. (6) Rommelen met de boekhouding is aantrekkelijk: je vergroot je winst, maar dat niet alleen. Het geeft ook een gevoel dat je boven de wet staat. Een gevoel van macht. Het gaat er bij het sjoemelen dan ook niet zozeer om of mensen er ziek van kunnen worden, maar of de fraude ontdekt wordt en herleid kan worden tot de dader. Eventuele schuldgevoelens zijn te reduceren met rechtvaardigende gedachten als: het valt allemaal wel mee; het kan geen kwaad; die mensen wéten toch dat ze rommel kopen als dat gehakt zo goedkoop is? En de abstractie van grote getallen: bij hoeveelheden als 690 ton vlees lijkt de connectie met het biefstukje op je bord wel heel ver weg. 
Dat laatste blijkt een belangrijke factor. Frauderen met voedsel is vooral een systeemprobleem. In de huidige wereld betekent dit: als jij als enige eerlijk blijft, leg je het af tegen de concurrentie die iets soepeler met de wet omgaat. Bedrijven moeten concurreren en zoeken daarom per definitie de grens op van het toelaatbare én het traceerbare. Dat is niet alleen het geval tussen bedrijven, maar ook binnen bedrijven: niet voor niets hebben klokkenluiders een zwaar bestaan. De druk van het systeem is blijkbaar groter dan de druk van het geweten.

Wat leert de geschiedenis?

Het knoeien met eten was (werd) volgens Van Otterloo vooral een aspect van het leven in steden. Niet dat op het platteland helemaal niet vervalst werd, maar mensen waren daar minder afhankelijk van de markt, ze produceerden veel van hun voedsel zelf. Ook waren de gemeenschappen kleiner − men kende elkaar − en niet alleen de sociale controle was groot, maar ook het gevoel van persoonlijke relatie werkte op het geweten van de producent. Dat was in de steden een groter probleem en dat werd toen ook al ingezien. Van Otterloo citeert een beschrijving uit het begin van de negentiende eeuw: ‘In een stad gelijk deze waar de drukke koophandel de mensen zeer licht tot een ongeoorloofde winzucht kan vervoeren [zijn vervalsingen mogelijk en] helaas waarschijnlijk.’(7) 
In eerdere eeuwen oefenden de gilden controle uit op de productie van voedsel. Dit systeem was aan het eind van de achttiende eeuw geheel verdwenen, wat leidde tot een liberalisering van de markt. Eisen en bepalingen aan vakmanschap verdwenen en iedereen kon een winkel of ambacht uitoefenen. Regels waren afwezig of onduidelijk, zodat voedselveiligheid een groot probleem kon worden. Pas veel later in de negentiende eeuw kwamen steeds meer chemische technieken ter beschikking van de consumenten om zelf de kwaliteit van de koopwaar te testen. Het duurde nog langer voordat de overheid met wetgeving en toezicht een bepalende rol ging spelen in de controle op voedselkwaliteit: rond 1900 werden er gemeentelijke keuringsdiensten opgericht en pas na de Eerste Wereldoorlog (in 1919), toen problemen met vervalsingen opnieuw urgent werden, werd in de Tweede Kamer een wet aangenomen waarmee de centrale overheid eisen kon gaan stellen aan gemeenten. Van Otterloo: ‘Een algemene wettelijke bescherming van arme en onwetende consumenten tegen voedselbederf en knoeierij door producenten en handelaren was daarmee een feit.’ (8) Arm en onwetend: de maatregelen beschermden juist de meest kwetsbaren: het gewone volk.

Leren wij van de geschiedenis?

De NVWA is dus ontstaan als reactie op de processen van mechanisering, conservering en schaalvergroting van de productie van voedsel. Juist de grotere afstand tussen mensen en de productie van hun voedsel maakte hen kwetsbaar voor fraude en vervalsing. Die vormen niet alleen een individueel, maar ook een maatschappelijk risico, vanwege de gevolgen voor zowel volksgezondheid als economie.
De afgelopen decennia is er een ontwikkeling gaande die vergelijkbaar is met het verdwijnen van de gilden aan het eind van de achttiende eeuw, namelijk een nieuwe liberalisering van de markt, waarbij de overheid terugtreedt en toezicht commercieel wordt. Dat heeft onmiddellijk gevolgen. Zo lezen we dat commerciële laboratoria de aanwezigheid van paardenvlees vaak over het hoofd zien, zélfs als er uitdrukkelijk opdracht is gegeven daarop te testen. De NVWA is door jarenlange bezuinigingen uitgehold en wordt inmiddels gezien als een ‘tandeloze tijger’. En de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) ligt onder vuur omdat ze voortaan de inspecties tevoren wil aankondigen. In de Volkskrant: ‘De nieuwe lijn van de inspectie is die van vertrouwen’, en ‘Volgens de dienst past dit bij de moderne tijd waarin ondernemingen en overheid niet tegenover elkaar staan, maar naast elkaar.’


In de huidige markteconomie is zelfregulering het nieuwe credo, met de consument als schuldige en als bewaker. Schuldig omdat deze immers zo goedkoop mogelijke waren aanschaft, zodat de producent wel móét sjoemelen om aan de vraag te kunnen beantwoorden; bewaker omdat de consument zelf ‘bewust moet worden’ en moet kiezen voor kwaliteit. Dat zijn twee heel gevaarlijke aannames. De consumenten die zo goedkoop mogelijk winkelen zijn de consumenten met lage inkomens. Die bleken ook in de vorige eeuwen het meest kwetsbaar voor fraude met voedsel. De consument die bewust voor kwaliteit kiest is een illusie, omdat deze consument daar helemaal geen zicht op heeft – juist door de lange of verre productieketens. Uiteraard ontstaan er steeds meer winkels of merken die kiezen voor verantwoorde productie, bijvoorbeeld biologische producten. Maar de ervaring leert ook dat deze, juist omdat ze duurder zijn en naarmate ze massaler geproduceerd worden, kwetsbaarder zijn voor fraude − er valt immers door de hogere prijzen met gesjoemel meer aan te verdienen. Als we leren van de geschiedenis, weten we dat vertrouwen alleen kan bestaan in een zeer lokale economie en op kleine schaal. Op nationaal en Europees niveau kan alleen de overheid professioneel en onafhankelijk toezicht garanderen. In de woorden van Jean de la Fontaine, Frans schrijver (1621-1695): ‘Het wantrouwen is de moeder der veiligheid.’

Noten: 
(1) Anneke van Otterloo, Eten en eetlust in Nederland 1840-1990. Een historisch-sociologische studie. Bert Bakker, 1990 (alleen nog tweedehands verkrijgbaar, aanrader!!).
(2) Van Otterloo 1990, p. 68.
(3) Van Otterloo 1990, p. 71. Een lactodensimeter is een instrument dat de dichtheid van lactose meet, dus de mate van verdunning van de melk.
(4) Van Otterloo 1990, p. 93. 

(5) Van Otterloo 1990, p. 96. 
(6) Dit is een algemeen bekend verschijnsel, het sterkst terug te vinden in het werk van Zimbardo: http://psycnet.apa.org/psycinfo/1971-08069-001
(7) Van Otterloo 1990, p. 97, citeert (en vult aan) C.J. Nieuwenhuis (1816-1820): Proeve eener geneeskundige plaatsbeschrijving (topographie) der stad Amsterdam.
(8) Van Otterloo 1990, p. 105.  






donderdag 14 mei 2015

Een tsunami van onbetaalde zorg. Hoe de transities in de zorg vooral vrouwen treffen

Met de verschuiving van taken de verzorgingsstaat naar de gemeenten dreigt er een verborgen vorm van ongelijkheid. Op wier schouders komt de tsunami van zorg immers terecht?

Dit artikel verscheen eerder in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken (nr.4, 2014)

Op Twitter las ik twee berichten van een vriendin. In het eerste vertelde ze dat ze haar 6o+-moeder hielp met het schrijven van sollicitatiebrieven, aangezien zij na 25 jaar werken in de zorg boventallig was verklaard. In het tweede meldde ze dat de manager van de betreffende instelling het lef had gehad te vragen of ze als vrijwilliger wilde terugkeren ‘in het belang van de bewoners’.   

Drie drama’s in een notendop: de gevolgen van de transitie in de zorg voor vrouwen als mantelzorgers; de gevolgen van de transitie voor de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt; de transitie zelf, waarbij méér geld gaat naar managers (was het echt toevallig dat de betreffende manager een man is?) en minder naar de uitvoerders van de zorg. Het lijkt erop dat de transitie en de bezuinigingen vooral vrouwen zullen treffen, wat betreft zowel de ontslagen werknemers als de mensen op wier schouders de ‘tsunami’ van onbetaalde zorg vervolgens zal neerkomen.

Gevoelens van falen

Waarom zorgen mensen? Volgens het Expertisecentrum Mantelzorg is de reden dat ze daar gelukkiger van worden, vooral als de mantelzorg gecombineerd wordt met betaald werk en vrijwilligerswerk. Persoonlijke motieven zijn liefde, plichtsgevoel (vooral in de richting van zorgbehoevende ouders; zorg voor buren en vrienden wordt veel meer als een vrije keuze gezien) en een gevoel van vanzelfsprekendheid. Daarnaast wordt het belangrijk gevonden dat een patiënt zo lang mogelijk thuis kan blijven

Onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek laat zien dat een op de tien mensen in Nederland tussen de 25 en 65 jaar mantelzorg verleent aan een ziek kind of familielid. Ongeveer 70 procent van alle mantelzorgers combineert deze zorg met betaald werk. Werkende mantelzorgers leveren vooral veel vrije tijd in. Overbelasting ligt echter op de loer. Volgens het Expertisecentrum Mantelzorg ervaart slechts 52 procent van de mantelzorgers een goede balans tussen zorg en werk. In 2007 zijn 50.000 tot 100.000 mantelzorgers tijdelijk gestopt met werken of minder gaan werken vanwege het verlenen van mantelzorg en in 2001 waren er 300.000 zwaar- of overbelaste mantelzorgers in Nederland.

De gevolgen van overbelasting zijn niet gering: gevoelens van falen en een negatief effect op de gezondheid. Mantelzorgers van chronisch zieke kinderen die langdurig ernstige stress ervaren, lopen zelfs een grotere kans voortijdig te overlijden. Overbelasting kan ook leiden tot verwaarlozing, verkeerde behandeling of zelfs mishandeling van de zorgbehoevende.
Vrouwen en ouderen zijn vaker mantelzorger dan jongeren en mannen, en vrouwen zorgen het vaakst voor hun ouders. Vrouwen nemen ook méér taken op zich dan mannen. Onderzoeker Niels Schenk, die op dit onderwerp promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, constateert dat vrouwen extra zorgtaken op zich nemen als hun man hun hulp nodig heeft en men geen beroep kan doen op de overheid. Andersom doen mannen dat niet of nauwelijks: ‘Ten dele zijn mannen echt minder in staat om voor hun partner te zorgen: vrouwen zijn op latere leeftijd gezonder dan mannen, ze leven ook langer. Maar dat kan niet verklaren waarom mannen helemaal geen hulp bieden en vrouwen wel. Daar geeft mijn onderzoek ook geen antwoord op. Op basis van eerder onderzoek is duidelijk dat vrouwen vaker zorg- en huishoudelijke taken op zich nemen. Vrouwen zijn meer uren gaan werken, maar ze doen nog steeds veruit het meeste van het huishoudelijke werk, zelfs als ze meer verdienen dan hun man’, aldus Schenk. Hij vermoedt dat de extra belasting wordt goedgemaakt door positieve gevoelens doordat zij hun partner zorg kunnen bieden, zodat er per saldo geen extra effecten zichtbaar zijn.

De opofferende vrouw

De vrouw als iemand die zich vrijwillig opoffert dus, die zelf kiest voor de zware mantelzorgtaken omdat ze daaraan zo veel plezier beleeft? Dat veronderstelt dat de omgevingsdruk op mannen en vrouwen gelijk is. Dat is niet het geval, volgens Anna Fels. In haar baanbrekende boek Vrouwen en ambitie laat zij zien hoezeer de keuzes van vrouwen verweven zijn met maatschappelijke definities van vrouwelijkheid. Waar mannelijkheid wordt gedefinieerd in termen als autonoom, krachtig, actief en resultaatgericht, wordt vrouwelijkheid steevast aangeduid met relationele termen: liefdevol, zorgzaam, attent, empathisch. Een vrouw gééft iets aan degene met wie zij een relatie heeft − of dat nu de partner, een kind, een hulpbehoevende ouder of een werkgever is. Fels: ‘Voor blanke vrouwen uit de middenklasse kan vrouwelijkheid dus niet bestaan zonder “relevante anderen”.’ (1)

Zij laat ook zien dat er fel gereageerd wordt op vrouwen die hun ambities waarmaken, zónder eerst aan de voorwaarden voor vrouwelijkheid te hebben voldaan. ‘Vrouwen hebben tegenwoordig meer ruimte om hun eigen doelen vast te stellen en na te streven, maar dat wordt maatschappelijk alleen geaccepteerd als ze eerst tegemoet zijn gekomen aan de behoeften van hun directe omgeving – echtgenoot, kinderen, hulpbehoevende ouders. Als ze niet aan die voorwaarde voldoen, worden hun ambities en hun vrouwelijkheid in twijfel getrokken.’ (2) Een klassiek verwijt aan vrouwen – nooit aan mannen − is dat hun zelfontplooiing ten koste gaat van anderen die hun zorg nodig hebben.(3) Dat vrouwen er eerder voor kiezen om te zorgen, berust dus in ieder geval deels op sociale druk en maatschappelijke verwachtingen − en sancties als ze daaraan niet voldoen.

Ook als het gaat om het ontvangen van zorg signaleert Fels een opmerkelijk verschil: vaak wordt gesteld dat sociale ondersteuning goed is voor de gezondheid en kans op ziekten als hartkwalen en kanker verkleint. Recente onderzoeken brachten aan het licht dat mannen die na een hartaanval konden terugvallen op sociale ondersteuning inderdaad significant beter herstelden dan alleenstaande mannen. Voor vrouwen gold echter het omgekeerde: vrouwelijke hartpatiënten met veel sociale relaties hadden juist een slechtere prognose. Men vermoedt dat de sociale omgeving nadien juist méér van deze vrouwen terugverwacht, zodat ze zwaarder worden belast.(4)

Hoewel vrouwen flink onder druk staan om te zorgen, is de huidige opvatting dat vrouwen allemaal hun eigen vrije keuze maken. In haar proefschrift over de arbeidsmarktkeuzes van jonge moeders laat Justine Ruitenberg (5) zien dat een gelijke taakverdeling tussen partners vooral mogelijk is wanneer vrouwen zich gesteund voelen door ouders, leraren, partners en bazen. Slechts een minderheid van 42 procent ervaart zulke steun. Deeltijdwerk is voor vrouwen de norm: zowel fulltime werkende moeders als thuisblijfmoeders kunnen rekenen op onbegrip en weerstand vanuit hun omgeving. Thuisblijfmoeders die door Ruitenberg werden geïnterviewd, gaven vaak aan liever te werken maar thuis zijn komen te zitten vanwege negatieve ervaringen op de arbeidsmarkt of een partner die geen concessies wilde doen. Dit zien zij echter niet als een maatschappelijke onrechtvaardigheid, maar als een privékwestie of het gevolg van de ‘natuurlijke verschillen’ tussen mannen en vrouwen. 

Dat is een valkuil voor vrouwen, op wie door de transitie de druk om te zorgen zal toenemen. Tineke Abma, hoogleraar participatie en diversiteit aan de Vrije Universiteit, voorziet dat de roep om informele zorg vooral zal drukken op laagopgeleide vrouwen en vrouwen zonder betaald werk: ‘We zien in ons onderzoek dat vrouwen die voor een zorg- of welzijnsorganisatie hebben gewerkt, via een achterdeur worden binnengehaald als buurtvrijwilliger. Vanwege hun ervaring worden ze uit de kaartenbak gevist. Zij hopen door dichter bij het vuur te zitten weer aan betaald werk te komen, maar is dat perspectief er? Ze krijgen niet eens een onkostenvergoeding.’

In de knel

Dit klinkt bekend in de oren, gezien de aangehaalde berichten op Twitter. Volgens een bericht in NRC Handelsblad is de werkloosheid onder jonge vrouwen twee keer zo hoog als het landelijk gemiddelde, juist als gevolg van ontslagen in de zorg. Het afgelopen jaar zijn er in deze sector al veel mensen ontslagen met het oog op de komende transitie. Ook in de kinderopvang verdwenen veel banen. Vrouwen zijn dan ook negatiever en somberder over de economische ontwikkelingen dan mannen: zij werken waar de ontslagen vallen, mannen zijn juist werkzaam binnen sectoren waarin de economie aantrekt, zoals de industrie en de transportsector.

Volgens Fels keren veel vrouwen de arbeidsmarkt de rug toe en kiezen voor vrijwilligerswerk bij maatschappelijke organisaties op het gebied van onderwijs, historie of politiek. Vooral als dit werk zich buiten de familiekring afspeelt, stabiliteit biedt en vakmanschap vereist, kunnen vrouwen hieraan een diepe voldoening ontlenen en kunnen zij een waardevolle bijdrage leveren aan de samenleving. ‘Het nadeel is dat onbezoldigd werk vaak wordt gemarginaliseerd en ondergewaardeerd, en dat je als vrijwilligster geen deel uitmaakt van een organisatie.’ Vrijwilligerswerk is van oudsher voor veel vrouwen een alternatief geweest voor betaald werk, evenwel vaak ten koste van meer uitdaging, waardering en invloed. (6)

Omdat zo veel werkende mensen mantelzorgen − één op de acht werknemers – heeft de Tweede Kamer ingestemd met maatregelen die de combinatie werk en (mantel)zorg moeten verbeteren. Dit is hard nodig, omdat het kabinet wil dat familie en buren gaan bijspringen in de zorg. De verlofregelingen, zoals ouderschapsverlof, worden uitgebreid, en komen ook beschikbaar voor anderen dan alleen familieleden en ten behoeve van chronische aandoeningen in plaats van acute ziekte.
Maar wat nu als de transitie in de zorg juist betekent dat vrouwen hun betaalde werk kwijtraken? Dan is uitbreiding van zorgverlof geen oplossing. Tineke Abma: ‘Het afschaffen en beknibbelen op thuishulp werkt averechts. Vrouwen komen in de knel. Duizenden verliezen hun vaste baan en inkomen. Oudere vrouwen krijgen niet meer de hulp die ze nodig hebben. (Schoon)dochters worden verondersteld bij te springen, maar komen in een spagaat met baan en gezin. En wat zegt het over de waardering van dit werk?’

Nepotisme

Hoogleraar burgerschap Evelien Tonkens wijst er in haar Socrates-lezing op dat de participatiesamenleving wordt gepresenteerd als kracht van burgers vanuit hun eigen behoeften, maar in feite juist laat zien waar de overheid tekortschiet. De bureaucratisering en marktwerking hebben ervoor gezorgd dat mensen een afkeer kregen van de overheidsinstanties: traag werkende molens en graaiers die er met het belastinggeld vandoor gingen. Het terugtrekken van de overheid lijkt dan een antwoord op de vraag van burgers, maar is het tegenovergestelde. Een overheid die geen maatschappijbrede solidariteit voorleeft, kan dat ook niet van haar burgers verwachten. Bij een zich terugtrekkende overheid participeren mensen juist minder, omdat de structuren die participatie mogelijk maakten, zullen verdwijnen. En juist in de informele sfeer krijgen nepotisme, corruptie, ongelijkheid en willekeur alle kansen. Want mensen zullen wellicht in beperkte mate willen zorgen voor hun naasten, maar niet onder dwang van de overheid. En andersom geldt ook dat mensen voor sommige, intieme handelingen liever aangewezen zijn op een professional dan op hun kind of buurman.

Het grootste bezwaar blijft echter dat de toenemende druk op burgers neerkomt op een toenemende druk op vrouwen. Zo schrijft Asha ten Broeke in haar column in de Volkskrant heel terecht: ‘Het vacuüm aan zorg dat ontstaat moet, in het kader van de participatiesamenleving, vooral opgevangen worden door die “eigen kracht” waar politici zo dol op zijn tegenwoordig. En “eigen kracht”, zo weten we van de mantelzorg, komt veelal van vrouwen.’21 Hetzelfde werk waar vrouwen eerst voor betaald werden, moeten zij nu gratis gaan doen. Dat wordt niet gevraagd aan de medisch specialisten (veelal mannen) die een ton aangeboden kregen om hun vrije praktijk op te geven en weer in dienst te treden van de ziekenhuizen – wat ze overigens weigerden. Dat wordt ook niet gevraagd aan de manager die het lef had om te vragen of de genoemde oudere dame haar werk ‘uit betrokkenheid’ gratis wilde gaan verrichten.

Daarbij lijkt het aannemelijk dat een meerderheid van de zorgontvangers vrouw is, immers: vrouwen worden ouder dan mannen én zijn zelf vaker mantelzorger. Op het moment dat zij zelf zorg nodig gaan krijgen, laat de verzorgingsstaat het afweten. Dan moet het eerst in de eigen omgeving opgelost gaan worden. Juist oudere alleenstaande vrouwen hebben vaker een karig pensioen, zij zullen de door hen gewenste zorg niet kunnen inkopen en zijn aangewezen op wat onze samenleving voor hen regelt – of niet.

Tweederangsburgers

Per saldo heeft de transitie in de zorg zeer ongewenste effecten. Méér geld gaat naar bestuurders, mínder geld gaat naar de werkvloer. De (extra!) managers die de transitie in goede banen zullen moeten leiden, de ambtenaren op het ministerie en de gemeentehuizen, de inkopers van zorg − dat zullen vaker mannen zijn (vaker dan de ontslagen uitvoerders van de zorg). Aan hen wordt niet gevraagd of zij hun werk ‘uit betrokkenheid’ gratis willen verrichten. De ontslagen vrouwen mogen hun werk vrijwillig doen, en meer zorgtaken zullen terechtkomen op de toch al overbelaste vrouwelijke mantelzorgers. Deze tweedeling zal gevolgen hebben die de individuele drama’s overstijgen: een samenleving die toestaat dat vrouwen tweederangsburgers zijn, is een samenleving die solidariteit tussen mensen aan de wilgen hangt, een samenleving die de potentie van mensen (m/v) niet benut. Het is de vraag of de prijs daarvan op termijn niet veel hoger zal zijn dan de nu beoogde bezuinigingen.

Noten

1  Anna Fels, Vrouwen en ambitie. Nieuwe keuzes, hardnekkige taboes. Nieuwegein: Uitgeverij Réunion, 2008, p. 67
2 Fels 2008, p. 69
3 Fels 2008, p. 82
4  Fels 2008, p. 246-248
5  Justine Ruitenberg, Socialized choices. Labour market behavior of Dutch mothers, 2014
6  Fels 2008, p. 235-237

donderdag 2 april 2015

Meer over pesten en weerbaarheid (vervolg op mijn vorige blog)

De woorden pesten en weerbaarheid komen maar al te vaak in één redenering voor. Weerbaarheid zou pesten voorkomen, of andersom: een gebrek aan weerbaarheid zou pesten veroorzaken. Deze redenering houdt pesten in stand en veroorzaakt daarom vele slachtoffers.

Wat is weerbaarheid nou eigenlijk?

Want wat is weerbaarheid: in oorlogstijd is dat het afsluiten van je gevoel, om te kunnen overleven. In vredestijd is dat het positief leren omgaan met jezelf en anderen, het leren omgaan met tegenslag.  Het probleem met pesten is dat het geen tegenslag is, maar structurele terreur. Het probleem met ons huidige onderwijs (maar ook sommige, nee veel, werksituaties)  is dat deze kenmerken bevatten van een oorlogssituatie, waarin je je onveilig voelt door gebrek aan zekerheid, respect en positief leiderschap.
Nu kun je dat opvatten als onvermijdelijk, zo is het leven nu eenmaal en “kinderen zijn nu eenmaal wreed”, of, “je moet maar leren omgaan met de vele klootzakken in deze wereld” (zie mijn vorige blog) maar dat heeft wel consequenties. Er zijn er die inderdaad overleven, maar de weerbaarheid in oorlogstijd is die van afsluiten. De prijs die zij betalen is een mens- en zelfbeeld op basis van onveiligheid en het niet kunnen ontplooien van al hun capaciteiten, omdat daar nu eenmaal een veilige omgeving voor nodig is. En de prijs is ook dat er slachtoffers vallen. Deze zijn niét onvermijdelijk, maar het gevolg van de keuzes die gemaakt worden.

De slachtoffers van pesten betalen de prijs. Het gevolg van pesten: niet kunnen omgaan met kleine speldenprikjes, waarop wordt gezegd dat het pesten aan jou ligt, omdat je zo “overgevoelig” reageert en je je alles zo ontzettend aantrekt. Het gevolg van pesten is dus niet dat je weerbaarder wordt, maar juist dat je geen kans krijgt om deze op te bouwen. Want pesten is geen tegenslag (waar je met steun van je vrienden weer bovenop kunt leren komen) maar juist het stelselmatig ondermijnen van al je pogingen tot weerbaarheid, ja zelfs je pogingen om onzichtbaar te worden.
Ingrijpen bij pesten is –anders dan veel volwassenen denken- juist niet het kind de kans ontnemen om weerbaar te worden, maar diepe noodzaak. Omdat pesten niet iets is waar je maar tegen moet kunnen. Bovendien accepteert de pestende groep niet dat een kind (of volwassene) weerbaar wordt, zal er alles aan doen om de situatie weer terug te draaien: het “weerbare” kind is nu “agressief”, geen wonder dat hij geen vriendjes heeft. Er moet dan ook een einde komen aan de reflex om kinderen die gepest worden naar een weerbaarheidstraining te sturen. Dit werkt contraproductief [i] en bevestigt zowel slachtoffer als daders dat er met hem iets mis is.

Eerst vertrouwen, dan weerbaarheid

Het enige wat helpt tegen pesten is het aanpakken van de hele groep, omdat de spanningen in de groep, meestal als gevolg van afwezigheid van positief leiderschap, tot pesten hebben geleid. Voor het slachtoffer is het eerste wat hersteld moet worden na langdurig pesten het vertrouwen, niet de weerbaarheid. Die bouw je langzaam op door de kans te krijgen om succeservaringen op te doen, óók bij het van je afbijten (iets dat door een welwillende, goed geleide groep geaccepteerd wordt als een grens, niet iets wat door de pestende groep genadeloos afgestraft wordt)
Vanuit dit opgebouwde vertrouwen kun je verschil maken tussen een buitenstaander die iets onaangenaams zegt en iemand van je eigen kring die zegt, ach joh, laat ze kletsen, ‘wij vinden je tof! Vrienden dus. Met hun steun, in een veilige omgeving, bouw je die weerbaarheid dan langzaam weer op.

Zijn de kinderen die niet gepest worden, dan wel weerbaar?

Hoe zit het met die andere kinderen, de kinderen (of volwassenen in werksituaties) die niet gepest worden. Zijn die weerbaar? En zo ja, waarom? Sommige kinderen hebben gewoon mazzel, die hebben hun uiterlijk en innerlijk mee, een stabiele thuissituatie en geen grote levensgebeurtenissen zoals verhuizen, echtscheiding, ziekte en/of dood. Ze hebben vanzelfsprekend vriendjes en komen zonder noemenswaardige problemen de schoolperiode door. Andere kinderen hebben minder geluk: ze zijn geboren met een licht afwijkend uiterlijk of een iets zwaardere lichaamsbouw[ii]. Of ze zijn veel gevoeliger en beschouwender van aard: ze voelen andermans pijn, ze ervaren onrecht, ze zien ieders verdriet en geluiden en gebeurtenissen worden al gauw overweldigend. Of ze zijn kwetsbaar door armoede, door levensgebeurtenissen of door een stoornis of beperking.
Dat hoeft allemaal geen probleem te zijn: in een stabiele omgeving bouwen ook zij zelfvertrouwen en dus weerbaarheid op. Maar in een instabiele omgeving zijn zij als eersten de klos. Zoals water altijd naar het laagste punt gaat, komen de spanningen in de groep bij hen terecht. Daar is geen ontkomen aan, maar de oorzaak ligt niet bij hen, maar bij de spanningen in de groep. Alleen hebben betrokkenen (de pesters, de volwassenen) er vaak geen belang bij om dit in te zien.
(Overigens kunnen ook kinderen of volwassenen die aan geen van bovenstaande omschrijvingen voldoen slachtoffer worden van pesten. Gewoon pech. Omdat pesten uiteindelijk nooit te verklaren is vanuit kenmerken van het slachtoffer, maar begrepen moet worden als signaal dat de groep onveilig is).

De pesters en de meelopers, zijn die dan weerbaar? Dat is toch echt een misvatting. In zekere zin gaan ze adequaat om met de situatie: ze worden niet gepest, ze pesten soms vanwege het lekkere gevoel van macht en saamhorigheid, of om hun eigen populariteit in de groep op te krikken. Of juist vanuit onzekerheid dat ze anders zélf gepest zouden worden.
Is weerbaarheid het overleven in ingewikkelde situaties? Ja, dat wel. Maar als dat ten koste gaat van anderen, omdat ze een pestslachtoffer nodig hebben voor hun eigen vertier en populariteit? Of om überhaupt hun schooltijd/werksituatie te overleven?

Bij pesten is iedereen verliezer

De bottomline is dat ook de pesters en meelopers veel verliezen. Bijvoorbeeld de kans om zich te ontplooien en positieve ervaringen op te doen. Of om mee te profiteren van de sterke kanten van de slachtoffers, kanten die niet tot bloei kunnen komen maar die in een veilige omgeving zoveel meerwaarde zouden kunnen geven aan de groep: diversiteit, andere perspectieven, een rijker geestesleven, een gedeeld gevoel van mededogen en echte vriendschap. Het verlies door onveiligheid uit zich niet alleen in gemiste kansen, maar ook in keiharde cijfers van ziekte en psychische problemen, ziekteverzuim, lagere schoolprestaties of lagere productiviteit, en hogere criminaliteit omdat kinderen alleen leren om op een negatieve manier, ten koste van anderen, hun doel te behalen.

Het niet ingrijpen bij pesten is een keuze, die maar al te vaak gerechtvaardigd wordt met verwijzing naar onvermijdelijkheid (alsof een oorlogssituatie in het onderwijs niet strijdig is met alles waar het onderwijs voor staat, alsof een oorlogssituatie op de werkvloer niet bakken vol geld kost aan fouten en ziekteverzuim), of naar de eigenschappen van de slachtoffers die niet weerbaar genoeg zijn. Maar in feite is dit niet-ingrijpen een politieke keuze: wegkijken is makkelijker, je hoeft je verantwoordelijkheid niet te nemen. Misschien kunnen deze wegkijkers nog eens op hun rol gewezen worden met verwijzing naar het enorme verlies dat ook zij lijden. Als mededogen en respect geen argument zijn, laten ze dan eens kijken naar hun portemonnee of hun eigen gemiste kansen. Bij pesten is iedereen verliezer, ook de pesters, ook de meelopers, ook de wegkijkers.













Lees nog meer over pesten in mijn boek Alles over Pesten (2014) Uitgeverij Boom. In iedere boekwinkel, bij de uitgever en bij Bol te bestellen voor 24,95.




[ii] Dat begint al heel jong, bij kinderen die van nature wat groter en zwaarder zijn. Al vroeg willen kinderen niet met ze spelen of lopen ze risico te worden gepest, ook bij sport of buitenspelen. Dit leidt vervolgens tot minder bewegen en meer (troost) eten en dus tot meer overgewicht.