vrijdag 21 augustus 2015

Alleen maar zinnige adviezen. Boekrecensie het Antidieetboek van Eetschrijver Gerrit Jan Groothedde

Tijdens mijn vakantie las ik met ontzettend veel plezier Het Antidieetboek van “Eetschrijver” Gerrit Jan Groothedde.

Om te beginnen moet iedereen dit boek lezen. Of je nu op dieet wil, of juist niet. Of je jezelf nu te zwaar vindt of niet. Dit boek staat boordevol kennis over ons voedingspatroon en vooral: over de markt en de kwaliteit van ons voedsel.

De grootste veroorzaker van de toename van obesitas en onze problemen met onze gezondheid is – en dat laat Groothedde op vele manieren zien-  ons eetpatroon en met name de manier waarop deze door de supermarkten en  de voedings- en frisdrankindustrie wordt vormgegeven. Deze industrie is er namelijk vooral op gericht ons zoveel mogelijk te laten consumeren, gemaksvoedsel is niet alleen gemakkelijk, maar ook maximaal verslavend: we eten er teveel van, en willen steeds meer. Daarbij worden we aan alle kanten misleid, bijvoorbeeld omdat eindeloze marketing ons heeft laten geloven dat tussendoortjes normaal zijn, en je hooguit kunt kiezen voor een ‘gezond tussendoortje’, bijvoorbeeld een stuk ontbijtkoek dat voor bijna de helft uit suiker bestaat. Bovendien eten we vooral heel veel van hetzelfde, met name waar het brood betreft. Ons voedingspatroon is op die manier losgezongen van wat ons lichaam nodig heeft.


Groothedde heeft een nieuwe manier gevonden om terug te keren naar een gezond-verstand eetpatroon op basis van contact met je lichaam en bewuste keuzes voor gevarieerd eten. – en viel daar zelf 35 kilo mee af (waarbij hij nadrukkelijk zegt dat dit gebaseerd is op ervaringen van één persoon). Deze manier is géén dieet, maar een leefpatroon en de Eetschrijver presenteert zich nadrukkelijk niet als een goeroe, maar reikt hooguit kennis en inzicht aan, de rest moet je zelf doen.

Dat laatste lijkt me op basis van dit boek nog niet helemaal makkelijk, niet alleen ontbreken concrete menu’s of lijstjes (logisch, omdat je het zelf moet doen, maar dat maakt de drempel wat hoger), ook sluit de nieuwe leefwijze niet echt aan bij de inrichting van de samenleving, de sociale omgeving, de werkplek. Voor mij blijft het allemaal nog wat abstract, zeker gezien het feit dat ik bij het koken ook rekening te houden heb met een hardwerkende (en zeer kieskeurige) man en een schoolgaande puber (idem). Maar ik denk dat iedereen die dit boek leest zich in ieder geval eens achter de oren gaat krabben bij de inzichten uit dit heerlijk leesbare boek. En wat je er vervolgens mee doet, is aan jou.

Okee, één tipje van de sluier dan (want dat boek moet je echt lezen): neem je calorieën niet tot je in vloeibare vorm. “Smoothies doen niets voor je wat de ingrediënten in ongepureerde vorm niet veel beter doen. Je lijf snapt echt totaal NIETS van smoothies.”


Veel leesplezier!

Gerrit Jan Groothedde: het Antidieetboek. Afvallen zonder kuren of andere fratsen volgens Eetschrijver. Uitgeverij Spectrum 2015.

maandag 25 mei 2015

Het geweten van de sjoemelaar. Voedselveiligheid in historisch perspectief

Wat drijft de overtreder van de regels gericht op voedselveiligheid? Een historisch perspectief op menselijke motieven in dierlijke voedselschandalen.
(Dit artikel verscheen eerder in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken, nummer 3, 2014)

Met regels staan we op gespannen voet. We ervaren ze als nodig, en tegelijkertijd zien we ze maar al te vaak als hinderlijk en beperkend. Iedereen gaat op zijn eigen manier met regels om, dus is de vraag niet óf we regels overtreden maar eerder wélke regels we overtreden en hoeveel of hoe vaak. Een glijdende schaal dus.
Maar wat als de regels er zijn om de veiligheid van anderen te garanderen? Meer specifiek: Wat gaat er om in het hoofd van bijvoorbeeld degene die met voedselveiligheid sjoemelt? Die, zoals begin dit jaar in het nieuws was, onduidelijk paardenvlees verkoopt als rundvlees? Ontkenning? Bagatellisering? Winstbejag of angst? Zijn de motieven om te sjoemelen persoonlijk van aard, of zijn er perverse prikkels vanuit de markt? Waar ligt de grens en wat is de rol van de overheid?

Voedselveiligheid door de tijd
Het knoeien met voedsel is beslist niet voorbehouden aan onze tijd. De sociologe Anneke van Otterloo schreef het prachtige boek Eten en eetlust in Nederland 1840-1990. (1) Met de verstedelijking en industrialisatie in de negentiende eeuw, werd er steeds meer voedsel verder van huis geproduceerd (en kwam er ook steeds meer voedsel beschikbaar). Dat gaf uiteraard problemen van productie op grotere schaal, van transport en houdbaarheid, maar er werd ook al veel geknoeid. Over de periode rond 1840 schrijft ze: ‘Van melk werden in de grote steden geen grote hoeveelheden gebruikt, omdat zij duur was en zelden onvervalst te krijgen viel. Er werd praktisch altijd water uit de pomp, sloot of gracht aan toegevoegd en om het mengsel natuurlijker te doen lijken, maakten melkslijters gebruik van meelsoorten, lijnolie of fijngewreven schapenhersenen. Het toevoegen van water waardoor de prijs tot bijna de helft kon zakken, was zo gebruikelijk dat het niet als een vervalsing werd opgevat. Wel werden later eisen gesteld aan de waterkwaliteit.’(2) Een bepaling uit 1858 stelde voor verdunning een maximum van twaalf kannen water op dertig kannen melk. De chiquere ‘melkinrichtingen’ (een soort cafetaria waar melk gedronken kon worden) controleerden de verdunning met een ‘lactodensimeter’. (3)   

In de hele negentiende eeuw waren bederf − er werd volop geëxperimenteerd met methoden om de houdbaarheid en bijbehorende smaak van voedingsmiddelen te verbeteren − en vooral ook vervalsing veelvoorkomende problemen die een serieuze bedreiging voor de volksgezondheid vormden. Vervalsing, zo schrijft Van Otterloo, ‘was weliswaar niet nieuw, maar de omvang ervan nam in de loop van de negentiende eeuw zeer toe door de wijdverbreide armoede en de snelle groei van het aantal stedelingen. Vandaar dat de kwaliteit van het in de steden verkrijgbare voedsel, althans voor de onderste lagen van de bevolking, zeer slecht was en dat ook nog lang bleef.’ (4) Goede controle ontbrak, zodat vooral stedelingen sterk afhankelijk waren van het geweten en de zorgvuldigheid van handelaren, bakkers en winkeliers. Van Otterloo: ‘De machtsbalans tussen enerzijds producenten en anderzijds consumenten was in deze situatie zodanig ongelijk, dat de verleiding voor de eersten om het eigen voordeel te maximaliseren groot was. Producenten en vooral tussenhandelaren maakten zich dan ook veelvuldig schuldig aan opzettelijke knoeierijen.’ (5) Deze knoeierijen bestonden onder meer uit het toevoegen van zand, gips, bonenmeel of andere dubieuze stoffen aan meel en brood, het manipuleren van het gewicht van brood met water, hetgeen weer gecamoufleerd werd met het toevoegen van kopersulfaat; het vervalsen van zout met krijt, het vervalsen van azijn met zwavelzuur en het bewerken van kaas met arseenzuur tegen mijt. Goede boter werd vermengd met boter van mindere kwaliteit en/of andere soorten vet, aardappelmeel en kleurstoffen. Niet alleen moesten de kopers enorm letten op de kwaliteit van de koopwaar; de knoeierijen brachten zelfs de export van boter in gevaar omdat de kwaliteit ervan zo slecht bekendstond. 
Het is dus bepaald niet voor het eerst dat er gesjoemeld wordt met de kwaliteit en veiligheid van ons voedsel, maar wat leert de geschiedenis over de huidige voedselschandalen ons? Wat zou er omgegaan zijn in de hoofden van degenen die frauderen met de kwaliteit en de hygiëne van vlees?

Voedselaffaires − twee voorbeelden

In het afgelopen jaar zijn er meerdere gevallen van geknoei met vlees aan het licht gekomen. Toezichthouder NVWA (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, voorheen de Keuringsdienst van Waren) bekritiseerde producenten van ‘separatorvlees’: vleesresten die op mechanische wijze van botten en karkassen worden gescheiden en in gemaksvoedsel als frikadellen of kipnuggets worden verwerkt. In bijna 70% van de genomen proefmonsters werden bacteriën aangetroffen. Daarnaast klopten bij 80% van de bedrijven de etiketten niet en bij 40% van de bedrijven was de kwaliteit ondermaats. Bij 30% van debedrijven was er kritiek op de hygiëne.
Zorgelijke bevindingen en maar goed dat er gecontroleerd wordt, denk je dan als consument. En vooral: Wat heb ik gegeten en wat zat erin? Kan ik er ziek van worden? In dit eerste geval lijkt de schade mee te vallen zolang het eindproduct goed wordt verhit zodat eventueel aanwezige bacteriën niet overleven. Maar dat geldt niet voor gevallen waarin (het goedkopere) paardenvlees door rundvlees wordt gemengd en als zodanig − rundvlees − wordt verkocht. Nog los van het ethische aspect − de consument heeft er recht op te weten of hij of zij paard eet − is er een groot risico. Paarden kunnen tijdens hun leven medicijnen hebben gekregen die verboden zijn voor voedselproducerende dieren, zoals de ontstekingsremmer phenylbutazone. De herkomst van slachtpaarden en hun medische geschiedenis moet daarom gedocumenteerd en veilig bevonden zijn.
Dr. Joanna Swabe, EU Director Humane SocietyInternational: ‘De hele affaire met paardenvlees is eigenlijk per toeval aan het licht gekomen toen er in januari 2013 in Ierland, om geheel andere redenen, in een fabriek een DNA-controle gehouden werd. Daar werd toen DNA van paardenvlees gevonden, terwijl in de fabriek alleen rund- en varkensvlees verwerkt werd. Van een verontreiniging via eerder gebruikte machines kon dus geen sprake zijn, het moest echt om opzet, om fraude gaan. Vanaf toen werden DNA-controles ingevoerd, vóór die tijd werd er niet standaard gecontroleerd. Het is eigenlijk vrij eenvoudig: wat je niet controleert, dat vind je niet.’

Een recent schandaal vond plaats in Dodewaard, waar een grote slachterij haar erkenning kwijtraakte: ze mag geen dieren meer slachten en geen vlees meer in de handel brengen omdat de herkomst van het vlees (langdurig) onvoldoende gedocumenteerd was. De NVWA vermoedt dat paardenvlees in partijen rundvleessnippers terecht is gekomen. De kritische consumentenorganisatie Foodwatch kwam overigens in opstand en spande een kort geding aan tegen de NVWA. Weliswaar werden partijen onzuiver rundvlees uit de handel gehaald; onbekend bleef echter waar de andere al verkochte partijen zijn gebleven. Consumenten bleven in het ongewisse in welke producten het eerder verkochte vlees was verwerkt. Foodwatch eiste openheid van zaken.
  
Wat gaat er om in de hoofden van de slachters of de eigenaren van deze slachterijen? Naast persoonlijk gewin (sjoemelen levert op korte termijn meer geld op) kunnen diverse factoren een rol spelen. Het gevoel dat je ongezien je gang kunt gaan, verlaagt de drempel voor grensoverschrijdend gedrag. (6) Rommelen met de boekhouding is aantrekkelijk: je vergroot je winst, maar dat niet alleen. Het geeft ook een gevoel dat je boven de wet staat. Een gevoel van macht. Het gaat er bij het sjoemelen dan ook niet zozeer om of mensen er ziek van kunnen worden, maar of de fraude ontdekt wordt en herleid kan worden tot de dader. Eventuele schuldgevoelens zijn te reduceren met rechtvaardigende gedachten als: het valt allemaal wel mee; het kan geen kwaad; die mensen wéten toch dat ze rommel kopen als dat gehakt zo goedkoop is? En de abstractie van grote getallen: bij hoeveelheden als 690 ton vlees lijkt de connectie met het biefstukje op je bord wel heel ver weg. 
Dat laatste blijkt een belangrijke factor. Frauderen met voedsel is vooral een systeemprobleem. In de huidige wereld betekent dit: als jij als enige eerlijk blijft, leg je het af tegen de concurrentie die iets soepeler met de wet omgaat. Bedrijven moeten concurreren en zoeken daarom per definitie de grens op van het toelaatbare én het traceerbare. Dat is niet alleen het geval tussen bedrijven, maar ook binnen bedrijven: niet voor niets hebben klokkenluiders een zwaar bestaan. De druk van het systeem is blijkbaar groter dan de druk van het geweten.

Wat leert de geschiedenis?

Het knoeien met eten was (werd) volgens Van Otterloo vooral een aspect van het leven in steden. Niet dat op het platteland helemaal niet vervalst werd, maar mensen waren daar minder afhankelijk, ze produceerden veel van hun voedsel zelf. Ook waren de gemeenschappen kleiner − men kende elkaar − en niet alleen de sociale controle was groot, maar ook het gevoel van persoonlijke relatie werkte op het geweten van de producent. Dat was in de steden een groter probleem en dat werd toen ook al ingezien. Van Otterloo citeert een beschrijving uit het begin van de negentiende eeuw: ‘In een stad gelijk deze waar de drukke koophandel de mensen zeer licht tot een ongeoorloofde winzucht kan vervoeren [zijn vervalsingen mogelijk en] helaas waarschijnlijk.’(7) 
In eerdere eeuwen oefenden de gilden controle uit op de productie van voedsel. Dit systeem was aan het eind van de achttiende eeuw geheel verdwenen, wat leidde tot een liberalisering van de markt. Eisen en bepalingen aan vakmanschap verdwenen en iedereen kon een winkel of ambacht uitoefenen. Regels waren afwezig of onduidelijk, zodat voedselveiligheid een groot probleem kon worden. Pas veel later in de negentiende eeuw kwamen steeds meer chemische technieken ter beschikking van de consumenten om zelf de kwaliteit van de koopwaar te testen. Het duurde nog langer voordat de overheid met wetgeving en toezicht een bepalende rol ging spelen in de controle op voedselkwaliteit: rond 1900 werden er gemeentelijke keuringsdiensten opgericht en pas na de Eerste Wereldoorlog (in 1919), toen problemen met vervalsingen opnieuw urgent werden, werd in de Tweede Kamer een wet aangenomen waarmee de centrale overheid eisen kon gaan stellen aan gemeenten. Van Otterloo: ‘Een algemene wettelijke bescherming van arme en onwetende consumenten tegen voedselbederf en knoeierij door producenten en handelaren was daarmee een feit.’ (8) Arm en onwetend − de maatregelen beschermden juist de meest kwetsbaren: het gewone volk.

Leren wij van de geschiedenis?

De NVWA is dus ontstaan als reactie op de processen van mechanisering, conservering en schaalvergroting van de productie van voedsel. Juist de grotere afstand tussen mensen en de productie van hun voedsel maakte hen kwetsbaar voor fraude en vervalsing. Die vormen niet alleen een individueel, maar ook een maatschappelijk risico, vanwege de gevolgen voor zowel volksgezondheid als economie.
De afgelopen decennia is er een ontwikkeling gaande die vergelijkbaar is met het verdwijnen van de gilden aan het eind van de achttiende eeuw, namelijk een nieuwe liberalisering van de markt, waarbij de overheid terugtreedt en toezicht commercieel wordt. Dat heeft onmiddellijk gevolgen. Zo lezen we dat commerciële laboratoria de aanwezigheid van paardenvlees vaak over het hoofd zien, zélfs als er uitdrukkelijk opdracht is gegeven daarop te testen. De NVWA is door jarenlange bezuinigingen uitgehold en wordt inmiddels gezien als een ‘tandeloze tijger’. En de Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) ligt onder vuur omdat ze voortaan de inspecties tevoren wil aankondigen. In de Volkskrant: ‘De nieuwe lijn van de inspectie is die van vertrouwen’, en ‘Volgens de dienst past dit bij de moderne tijd waarin ondernemingen en overheid niet tegenover elkaar staan, maar naast elkaar.’


In de huidige markteconomie is zelfregulering het nieuwe credo, met de consument als schuldige en als bewaker. Schuldig omdat deze immers zo goedkoop mogelijke waren aanschaft, zodat de producent wel móét sjoemelen om aan de vraag te kunnen beantwoorden; bewaker omdat de consument zelf ‘bewust moet worden’ en moet kiezen voor kwaliteit. Dat zijn twee heel gevaarlijke aannames. De consumenten die zo goedkoop mogelijk winkelen zijn de consumenten met lage inkomens. Die bleken ook in de vorige eeuwen het meest kwetsbaar voor fraude met voedsel. De consument die bewust voor kwaliteit kiest is een illusie, omdat deze consument daar helemaal geen zicht op heeft – juist door de lange of verre productieketens. Uiteraard ontstaan er steeds meer winkels of merken die kiezen voor verantwoorde productie, bijvoorbeeld biologische producten. Maar de ervaring leert ook dat deze, juist omdat ze duurder zijn en naarmate ze massaler geproduceerd worden, kwetsbaarder zijn voor fraude − er valt immers door de hogere prijzen met gesjoemel meer aan te verdienen. Als we leren van de geschiedenis, weten we dat vertrouwen alleen kan bestaan in een zeer lokale economie en op kleine schaal. Op nationaal en Europees niveau kan alleen de overheid professioneel en onafhankelijk toezicht garanderen. In de woorden van Jean de la Fontaine, Frans schrijver (1621-1695): ‘Het wantrouwen is de moeder der veiligheid.’

Noten: 
(1) Anneke van Otterloo, Eten en eetlust in Nederland 1840-1990. Een historisch-sociologische studie. Bert Bakker, 1990 (alleen nog tweedehands verkrijgbaar, aanrader!!).
(2) Van Otterloo 1990, p. 68.
(3) Van Otterloo 1990, p. 71. Een lactodensimeter is een instrument dat de dichtheid van lactose meet, dus de mate van verdunning van de melk.
(4) Van Otterloo 1990, p. 93. 

(5) Van Otterloo 1990, p. 96. 
(6) Dit is een algemeen bekend verschijnsel, het sterkst terug te vinden in het werk van Zimbardo: http://psycnet.apa.org/psycinfo/1971-08069-001
(7) Van Otterloo 1990, p. 97, citeert (en vult aan) C.J. Nieuwenhuis (1816-1820): Proeve eener geneeskundige plaatsbeschrijving (topographie) der stad Amsterdam.
(8) Van Otterloo 1990, p. 105.  





donderdag 14 mei 2015

Een tsunami van onbetaalde zorg. Hoe de transities in de zorg vooral vrouwen treffen

Met de verschuiving van taken de verzorgingsstaat naar de gemeenten dreigt er een verborgen vorm van ongelijkheid. Op wier schouders komt de tsunami van zorg immers terecht?

Dit artikel verscheen eerder in Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken (nr.4, 2014)

Op Twitter las ik twee berichten van een vriendin. In het eerste vertelde ze dat ze haar 6o+-moeder hielp met het schrijven van sollicitatiebrieven, aangezien zij na 25 jaar werken in de zorg boventallig was verklaard. In het tweede meldde ze dat de manager van de betreffende instelling het lef had gehad te vragen of ze als vrijwilliger wilde terugkeren ‘in het belang van de bewoners’.   
Drie drama’s in een notendop: de gevolgen van de transitie in de zorg voor vrouwen als mantelzorgers; de gevolgen van de transitie voor de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt; de transitie zelf, waarbij méér geld gaat naar managers (was het echt toevallig dat de betreffende manager een man is?) en minder naar de uitvoerders van de zorg. Het lijkt erop dat de transitie en de bezuinigingen vooral vrouwen zullen treffen, wat betreft zowel de ontslagen werknemers als de mensen op wier schouders de ‘tsunami’ van onbetaalde zorg vervolgens zal neerkomen.

Gevoelens van falen
Waarom zorgen mensen? Volgens het Expertisecentrum Mantelzorg is de reden dat ze daar gelukkiger van worden, vooral als de mantelzorg gecombineerd wordt met betaald werk en vrijwilligerswerk. Persoonlijke motieven zijn liefde, plichtsgevoel (vooral in de richting van zorgbehoevende ouders; zorg voor buren en vrienden wordt veel meer als een vrije keuze gezien) en een gevoel van vanzelfsprekendheid. Daarnaast wordt het belangrijk gevonden dat een patiënt zo lang mogelijk thuis kan blijven.
Onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek laat zien dat een op de tien mensen in Nederland tussen de 25 en 65 jaar mantelzorg verleent aan een ziek kind of familielid. Ongeveer 70 procent van alle mantelzorgers combineert deze zorg met betaald werk. Werkende mantelzorgers leveren vooral veel vrije tijd in. Overbelasting ligt echter op de loer. Volgens het Expertisecentrum Mantelzorg ervaart slechts 52 procent van de mantelzorgers een goede balans tussen zorg en werk. In 2007 zijn 50.000 tot 100.000 mantelzorgers tijdelijk gestopt met werken of minder gaan werken vanwege het verlenen van mantelzorg en in 2001 waren er 300.000 zwaar- of overbelaste mantelzorgers in Nederland.

De gevolgen van overbelasting zijn niet gering: gevoelens van falen en een negatief effect op de gezondheid. Mantelzorgers van chronisch zieke kinderen die langdurig ernstige stress ervaren, lopen zelfs een grotere kans voortijdig te overlijden. Overbelasting kan ook leiden tot verwaarlozing, verkeerde behandeling of zelfs mishandeling van de zorgbehoevende.
Vrouwen en ouderen zijn vaker mantelzorger dan jongeren en mannen, en vrouwen zorgen het vaakst voor hun ouders. Vrouwen nemen ook méér taken op zich dan mannen. Onderzoeker Niels Schenk, die op dit onderwerp promoveerde aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, constateert dat vrouwen extra zorgtaken op zich nemen als hun man hun hulp nodig heeft en men geen beroep kan doen op de overheid. Andersom doen mannen dat niet of nauwelijks: ‘Ten dele zijn mannen echt minder in staat om voor hun partner te zorgen: vrouwen zijn op latere leeftijd gezonder dan mannen, ze leven ook langer. Maar dat kan niet verklaren waarom mannen helemaal geen hulp bieden en vrouwen wel. Daar geeft mijn onderzoek ook geen antwoord op. Op basis van eerder onderzoek is duidelijk dat vrouwen vaker zorg- en huishoudelijke taken op zich nemen. Vrouwen zijn meer uren gaan werken, maar ze doen nog steeds veruit het meeste van het huishoudelijke werk, zelfs als ze meer verdienen dan hun man’, aldus Schenk. Hij vermoedt dat de extra belasting wordt goedgemaakt door positieve gevoelens doordat zij hun partner zorg kunnen bieden, zodat er per saldo geen extra effecten zichtbaar zijn.

De opofferende vrouw
De vrouw als iemand die zich vrijwillig opoffert dus, die zelf kiest voor de zware mantelzorgtaken omdat ze daaraan zo veel plezier beleeft? Dat veronderstelt dat de omgevingsdruk op mannen en vrouwen gelijk is. Dat is niet het geval, volgens Anna Fels. In haar baanbrekende boek Vrouwen en ambitie laat zij zien hoezeer de keuzes van vrouwen verweven zijn met maatschappelijke definities van vrouwelijkheid. Waar mannelijkheid wordt gedefinieerd in termen als autonoom, krachtig, actief en resultaatgericht, wordt vrouwelijkheid steevast aangeduid met relationele termen: liefdevol, zorgzaam, attent, empathisch. Een vrouw gééft iets aan degene met wie zij een relatie heeft − of dat nu de partner, een kind, een hulpbehoevende ouder of een werkgever is. Fels: ‘Voor blanke vrouwen uit de middenklasse kan vrouwelijkheid dus niet bestaan zonder “relevante anderen”.’ (1)
Zij laat ook zien dat er fel gereageerd wordt op vrouwen die hun ambities waarmaken, zónder eerst aan de voorwaarden voor vrouwelijkheid te hebben voldaan. ‘Vrouwen hebben tegenwoordig meer ruimte om hun eigen doelen vast te stellen en na te streven, maar dat wordt maatschappelijk alleen geaccepteerd als ze eerst tegemoet zijn gekomen aan de behoeften van hun directe omgeving – echtgenoot, kinderen, hulpbehoevende ouders. Als ze niet aan die voorwaarde voldoen, worden hun ambities en hun vrouwelijkheid in twijfel getrokken.’ (2) Een klassiek verwijt aan vrouwen – nooit aan mannen − is dat hun zelfontplooiing ten koste gaat van anderen die hun zorg nodig hebben.(3) Dat vrouwen er eerder voor kiezen om te zorgen, berust dus in ieder geval deels op sociale druk en maatschappelijke verwachtingen − en sancties als ze daaraan niet voldoen.
Ook als het gaat om het ontvangen van zorg signaleert Fels een opmerkelijk verschil: vaak wordt gesteld dat sociale ondersteuning goed is voor de gezondheid en kans op ziekten als hartkwalen en kanker verkleint. Recente onderzoeken brachten aan het licht dat mannen die na een hartaanval konden terugvallen op sociale ondersteuning inderdaad significant beter herstelden dan alleenstaande mannen. Voor vrouwen gold echter het omgekeerde: vrouwelijke hartpatiënten met veel sociale relaties hadden juist een slechtere prognose. Men vermoedt dat de sociale omgeving nadien juist méér van deze vrouwen terugverwacht, zodat ze zwaarder worden belast.(4)

Hoewel vrouwen flink onder druk staan om te zorgen, is de huidige opvatting dat vrouwen allemaal hun eigen vrije keuze maken. In haar proefschrift over de arbeidsmarktkeuzes van jonge moeders laat Justine Ruitenberg (5) zien dat een gelijke taakverdeling tussen partners vooral mogelijk is wanneer vrouwen zich gesteund voelen door ouders, leraren, partners en bazen. Slechts een minderheid van 42 procent ervaart zulke steun. Deeltijdwerk is voor vrouwen de norm: zowel fulltime werkende moeders als thuisblijfmoeders kunnen rekenen op onbegrip en weerstand vanuit hun omgeving. Thuisblijfmoeders die door Ruitenberg werden geïnterviewd, gaven vaak aan liever te werken maar thuis zijn komen te zitten vanwege negatieve ervaringen op de arbeidsmarkt of een partner die geen concessies wilde doen. Dit zien zij echter niet als een maatschappelijke onrechtvaardigheid, maar als een privékwestie of het gevolg van de ‘natuurlijke verschillen’ tussen mannen en vrouwen. 

Dat is een valkuil voor vrouwen, op wie door de transitie de druk om te zorgen zal toenemen. Tineke Abma, hoogleraar participatie en diversiteit aan de Vrije Universiteit, voorziet dat de roep om informele zorg vooral zal drukken op laagopgeleide vrouwen en vrouwen zonder betaald werk: ‘We zien in ons onderzoek dat vrouwen die voor een zorg- of welzijnsorganisatie hebben gewerkt, via een achterdeur worden binnengehaald als buurtvrijwilliger. Vanwege hun ervaring worden ze uit de kaartenbak gevist. Zij hopen door dichter bij het vuur te zitten weer aan betaald werk te komen, maar is dat perspectief er? Ze krijgen niet eens een onkostenvergoeding.’

In de knel
Dit klinkt bekend in de oren, gezien de aangehaalde berichten op Twitter. Volgens een bericht in NRC Handelsblad is de werkloosheid onder jonge vrouwen twee keer zo hoog als het landelijk gemiddelde, juist als gevolg van ontslagen in de zorg. Het afgelopen jaar zijn er in deze sector al veel mensen ontslagen met het oog op de komende transitie. Ook in de kinderopvang verdwenen veel banen. Vrouwen zijn dan ook negatiever en somberder over de economische ontwikkelingen dan mannen: zij werken waar de ontslagen vallen, mannen zijn juist werkzaam binnen sectoren waarin de economie aantrekt, zoals de industrie en de transportsector.

Volgens Fels keren veel vrouwen de arbeidsmarkt de rug toe en kiezen voor vrijwilligerswerk bij maatschappelijke organisaties op het gebied van onderwijs, historie of politiek. Vooral als dit werk zich buiten de familiekring afspeelt, stabiliteit biedt en vakmanschap vereist, kunnen vrouwen hieraan een diepe voldoening ontlenen en kunnen zij een waardevolle bijdrage leveren aan de samenleving. ‘Het nadeel is dat onbezoldigd werk vaak wordt gemarginaliseerd en ondergewaardeerd, en dat je als vrijwilligster geen deel uitmaakt van een organisatie.’ Vrijwilligerswerk is van oudsher voor veel vrouwen een alternatief geweest voor betaald werk, evenwel vaak ten koste van meer uitdaging, waardering en invloed. (6)

Omdat zo veel werkende mensen mantelzorgen − één op de acht werknemers – heeft de Tweede Kamer ingestemd met maatregelen die de combinatie werk en (mantel)zorg moeten verbeteren. Dit is hard nodig, omdat het kabinet wil dat familie en buren gaan bijspringen in de zorg. De verlofregelingen, zoals ouderschapsverlof, worden uitgebreid, en komen ook beschikbaar voor anderen dan alleen familieleden en ten behoeve van chronische aandoeningen in plaats van acute ziekte.
Maar wat nu als de transitie in de zorg juist betekent dat vrouwen hun betaalde werk kwijtraken? Dan is uitbreiding van zorgverlof geen oplossing. Tineke Abma: ‘Het afschaffen en beknibbelen op thuishulp werkt averechts. Vrouwen komen in de knel. Duizenden verliezen hun vaste baan en inkomen. Oudere vrouwen krijgen niet meer de hulp die ze nodig hebben. (Schoon)dochters worden verondersteld bij te springen, maar komen in een spagaat met baan en gezin. En wat zegt het over de waardering van dit werk?’

Nepotisme
Hoogleraar burgerschap Evelien Tonkens wijst er in haar Socrates-lezing op dat de participatiesamenleving wordt gepresenteerd als kracht van burgers vanuit hun eigen behoeften, maar in feite juist laat zien waar de overheid tekortschiet. De bureaucratisering en marktwerking hebben ervoor gezorgd dat mensen een afkeer kregen van de overheidsinstanties: traag werkende molens en graaiers die er met het belastinggeld vandoor gingen. Het terugtrekken van de overheid lijkt dan een antwoord op de vraag van burgers, maar is het tegenovergestelde. Een overheid die geen maatschappijbrede solidariteit voorleeft, kan dat ook niet van haar burgers verwachten. Bij een zich terugtrekkende overheid participeren mensen juist minder, omdat de structuren die participatie mogelijk maakten, zullen verdwijnen. En juist in de informele sfeer krijgen nepotisme, corruptie, ongelijkheid en willekeur alle kansen. Want mensen zullen wellicht in beperkte mate willen zorgen voor hun naasten, maar niet onder dwang van de overheid. En andersom geldt ook dat mensen voor sommige, intieme handelingen liever aangewezen zijn op een professional dan op hun kind of buurman.

Het grootste bezwaar blijft echter dat de toenemende druk op burgers neerkomt op een toenemende druk op vrouwen. Zo schrijft Asha ten Broeke in haar column in de Volkskrant heel terecht: ‘Het vacuüm aan zorg dat ontstaat moet, in het kader van de participatiesamenleving, vooral opgevangen worden door die “eigen kracht” waar politici zo dol op zijn tegenwoordig. En “eigen kracht”, zo weten we van de mantelzorg, komt veelal van vrouwen.’21 Hetzelfde werk waar vrouwen eerst voor betaald werden, moeten zij nu gratis gaan doen. Dat wordt niet gevraagd aan de medisch specialisten (veelal mannen) die een ton aangeboden kregen om hun vrije praktijk op te geven en weer in dienst te treden van de ziekenhuizen – wat ze overigens weigerden. Dat wordt ook niet gevraagd aan de manager die het lef had om te vragen of de genoemde oudere dame haar werk ‘uit betrokkenheid’ gratis wilde gaan verrichten.
Daarbij lijkt het aannemelijk dat een meerderheid van de zorgontvangers vrouw is, immers: vrouwen worden ouder dan mannen én zijn zelf vaker mantelzorger. Op het moment dat zij zelf zorg nodig gaan krijgen, laat de verzorgingsstaat het afweten. Dan moet het eerst in de eigen omgeving opgelost gaan worden. Juist oudere alleenstaande vrouwen hebben vaker een karig pensioen, zij zullen de door hen gewenste zorg niet kunnen inkopen en zijn aangewezen op wat onze samenleving voor hen regelt – of niet.

Tweederangsburgers

Per saldo heeft de transitie in de zorg zeer ongewenste effecten. Méér geld gaat naar bestuurders, mínder geld gaat naar de werkvloer. De (extra!) managers die de transitie in goede banen zullen moeten leiden, de ambtenaren op het ministerie en de gemeentehuizen, de inkopers van zorg − dat zullen vaker mannen zijn (vaker dan de ontslagen uitvoerders van de zorg). Aan hen wordt niet gevraagd of zij hun werk ‘uit betrokkenheid’ gratis willen verrichten. De ontslagen vrouwen mogen hun werk vrijwillig doen, en meer zorgtaken zullen terechtkomen op de toch al overbelaste vrouwelijke mantelzorgers. Deze tweedeling zal gevolgen hebben die de individuele drama’s overstijgen: een samenleving die toestaat dat vrouwen tweederangsburgers zijn, is een samenleving die solidariteit tussen mensen aan de wilgen hangt, een samenleving die de potentie van mensen (m/v) niet benut. Het is de vraag of de prijs daarvan op termijn niet veel hoger zal zijn dan de nu beoogde bezuinigingen.

Noten

1  Anna Fels, Vrouwen en ambitie. Nieuwe keuzes, hardnekkige taboes. Nieuwegein: Uitgeverij Réunion, 2008, p. 67
2 Fels 2008, p. 69
3 Fels 2008, p. 82
4  Fels 2008, p. 246-248
5  Justine Ruitenberg, Socialized choices. Labour market behavior of Dutch mothers, 2014
6  Fels 2008, p. 235-237

donderdag 2 april 2015

Meer over pesten en weerbaarheid (vervolg op mijn vorige blog)

De woorden pesten en weerbaarheid komen maar al te vaak in één redenering voor. Weerbaarheid zou pesten voorkomen, of andersom: een gebrek aan weerbaarheid zou pesten veroorzaken. Deze redenering houdt pesten in stand en veroorzaakt daarom vele slachtoffers.

Wat is weerbaarheid nou eigenlijk?

Want wat is weerbaarheid: in oorlogstijd is dat het afsluiten van je gevoel, om te kunnen overleven. In vredestijd is dat het positief leren omgaan met jezelf en anderen, het leren omgaan met tegenslag.  Het probleem met pesten is dat het geen tegenslag is, maar structurele terreur. Het probleem met ons huidige onderwijs (maar ook sommige, nee veel, werksituaties)  is dat deze kenmerken bevatten van een oorlogssituatie, waarin je je onveilig voelt door gebrek aan zekerheid, respect en positief leiderschap.
Nu kun je dat opvatten als onvermijdelijk, zo is het leven nu eenmaal en “kinderen zijn nu eenmaal wreed”, of, “je moet maar leren omgaan met de vele klootzakken in deze wereld” (zie mijn vorige blog) maar dat heeft wel consequenties. Er zijn er die inderdaad overleven, maar de weerbaarheid in oorlogstijd is die van afsluiten. De prijs die zij betalen is een mens- en zelfbeeld op basis van onveiligheid en het niet kunnen ontplooien van al hun capaciteiten, omdat daar nu eenmaal een veilige omgeving voor nodig is. En de prijs is ook dat er slachtoffers vallen. Deze zijn niét onvermijdelijk, maar het gevolg van de keuzes die gemaakt worden.

De slachtoffers van pesten betalen de prijs. Het gevolg van pesten: niet kunnen omgaan met kleine speldenprikjes, waarop wordt gezegd dat het pesten aan jou ligt, omdat je zo “overgevoelig” reageert en je je alles zo ontzettend aantrekt. Het gevolg van pesten is dus niet dat je weerbaarder wordt, maar juist dat je geen kans krijgt om deze op te bouwen. Want pesten is geen tegenslag (waar je met steun van je vrienden weer bovenop kunt leren komen) maar juist het stelselmatig ondermijnen van al je pogingen tot weerbaarheid, ja zelfs je pogingen om onzichtbaar te worden.
Ingrijpen bij pesten is –anders dan veel volwassenen denken- juist niet het kind de kans ontnemen om weerbaar te worden, maar diepe noodzaak. Omdat pesten niet iets is waar je maar tegen moet kunnen. Bovendien accepteert de pestende groep niet dat een kind (of volwassene) weerbaar wordt, zal er alles aan doen om de situatie weer terug te draaien: het “weerbare” kind is nu “agressief”, geen wonder dat hij geen vriendjes heeft. Er moet dan ook een einde komen aan de reflex om kinderen die gepest worden naar een weerbaarheidstraining te sturen. Dit werkt contraproductief [i] en bevestigt zowel slachtoffer als daders dat er met hem iets mis is.

Eerst vertrouwen, dan weerbaarheid

Het enige wat helpt tegen pesten is het aanpakken van de hele groep, omdat de spanningen in de groep, meestal als gevolg van afwezigheid van positief leiderschap, tot pesten hebben geleid. Voor het slachtoffer is het eerste wat hersteld moet worden na langdurig pesten het vertrouwen, niet de weerbaarheid. Die bouw je langzaam op door de kans te krijgen om succeservaringen op te doen, óók bij het van je afbijten (iets dat door een welwillende, goed geleide groep geaccepteerd wordt als een grens, niet iets wat door de pestende groep genadeloos afgestraft wordt)
Vanuit dit opgebouwde vertrouwen kun je verschil maken tussen een buitenstaander die iets onaangenaams zegt en iemand van je eigen kring die zegt, ach joh, laat ze kletsen, ‘wij vinden je tof! Vrienden dus. Met hun steun, in een veilige omgeving, bouw je die weerbaarheid dan langzaam weer op.

Zijn de kinderen die niet gepest worden, dan wel weerbaar?

Hoe zit het met die andere kinderen, de kinderen (of volwassenen in werksituaties) die niet gepest worden. Zijn die weerbaar? En zo ja, waarom? Sommige kinderen hebben gewoon mazzel, die hebben hun uiterlijk en innerlijk mee, een stabiele thuissituatie en geen grote levensgebeurtenissen zoals verhuizen, echtscheiding, ziekte en/of dood. Ze hebben vanzelfsprekend vriendjes en komen zonder noemenswaardige problemen de schoolperiode door. Andere kinderen hebben minder geluk: ze zijn geboren met een licht afwijkend uiterlijk of een iets zwaardere lichaamsbouw[ii]. Of ze zijn veel gevoeliger en beschouwender van aard: ze voelen andermans pijn, ze ervaren onrecht, ze zien ieders verdriet en geluiden en gebeurtenissen worden al gauw overweldigend. Of ze zijn kwetsbaar door armoede, door levensgebeurtenissen of door een stoornis of beperking.
Dat hoeft allemaal geen probleem te zijn: in een stabiele omgeving bouwen ook zij zelfvertrouwen en dus weerbaarheid op. Maar in een instabiele omgeving zijn zij als eersten de klos. Zoals water altijd naar het laagste punt gaat, komen de spanningen in de groep bij hen terecht. Daar is geen ontkomen aan, maar de oorzaak ligt niet bij hen, maar bij de spanningen in de groep. Alleen hebben betrokkenen (de pesters, de volwassenen) er vaak geen belang bij om dit in te zien.
(Overigens kunnen ook kinderen of volwassenen die aan geen van bovenstaande omschrijvingen voldoen slachtoffer worden van pesten. Gewoon pech. Omdat pesten uiteindelijk nooit te verklaren is vanuit kenmerken van het slachtoffer, maar begrepen moet worden als signaal dat de groep onveilig is).

De pesters en de meelopers, zijn die dan weerbaar? Dat is toch echt een misvatting. In zekere zin gaan ze adequaat om met de situatie: ze worden niet gepest, ze pesten soms vanwege het lekkere gevoel van macht en saamhorigheid, of om hun eigen populariteit in de groep op te krikken. Of juist vanuit onzekerheid dat ze anders zélf gepest zouden worden.
Is weerbaarheid het overleven in ingewikkelde situaties? Ja, dat wel. Maar als dat ten koste gaat van anderen, omdat ze een pestslachtoffer nodig hebben voor hun eigen vertier en populariteit? Of om überhaupt hun schooltijd/werksituatie te overleven?

Bij pesten is iedereen verliezer

De bottomline is dat ook de pesters en meelopers veel verliezen. Bijvoorbeeld de kans om zich te ontplooien en positieve ervaringen op te doen. Of om mee te profiteren van de sterke kanten van de slachtoffers, kanten die niet tot bloei kunnen komen maar die in een veilige omgeving zoveel meerwaarde zouden kunnen geven aan de groep: diversiteit, andere perspectieven, een rijker geestesleven, een gedeeld gevoel van mededogen en echte vriendschap. Het verlies door onveiligheid uit zich niet alleen in gemiste kansen, maar ook in keiharde cijfers van ziekte en psychische problemen, ziekteverzuim, lagere schoolprestaties of lagere productiviteit, en hogere criminaliteit omdat kinderen alleen leren om op een negatieve manier, ten koste van anderen, hun doel te behalen.

Het niet ingrijpen bij pesten is een keuze, die maar al te vaak gerechtvaardigd wordt met verwijzing naar onvermijdelijkheid (alsof een oorlogssituatie in het onderwijs niet strijdig is met alles waar het onderwijs voor staat, alsof een oorlogssituatie op de werkvloer niet bakken vol geld kost aan fouten en ziekteverzuim), of naar de eigenschappen van de slachtoffers die niet weerbaar genoeg zijn. Maar in feite is dit niet-ingrijpen een politieke keuze: wegkijken is makkelijker, je hoeft je verantwoordelijkheid niet te nemen. Misschien kunnen deze wegkijkers nog eens op hun rol gewezen worden met verwijzing naar het enorme verlies dat ook zij lijden. Als mededogen en respect geen argument zijn, laten ze dan eens kijken naar hun portemonnee of hun eigen gemiste kansen. Bij pesten is iedereen verliezer, ook de pesters, ook de meelopers, ook de wegkijkers.













Lees nog meer over pesten in mijn boek Alles over Pesten (2014) Uitgeverij Boom. In iedere boekwinkel, bij de uitgever en bij Bol te bestellen voor 24,95.




[ii] Dat begint al heel jong, bij kinderen die van nature wat groter en zwaarder zijn. Al vroeg willen kinderen niet met ze spelen of lopen ze risico te worden gepest, ook bij sport of buitenspelen. Dit leidt vervolgens tot minder bewegen en meer (troost) eten en dus tot meer overgewicht.

maandag 30 maart 2015

Van wegkijken bij pesten wordt niemand weerbaar

“Kinderen zijn wrede monsters” stond laatst boven de gastcolumn van historicus Geerten Waling  in de Volkskrant (22 februari 2015)[i]. Deze uitspraak vond meteen bijval, in de brievenrubriek (“je moet er gewoon hard op slaan”) en zelfs op de site van J/M voor ouders, waar een jeugdcoach de moeder van een gepeste zoon uitlegt dat deze toch maar moet leren omgaan met `al die gemene klootzakken in de wereld.’ [ii]

Hoe begrijpelijk deze reactie van mensen  die jarenlang gepest zijn of het van dichtbij hebben meegemaakt ook is, toch is het een mythe dat kinderen van nature wreed zouden zijn. Kinderen zijn sociale wezens die alleen overleven via sociaal leren, via empathie dus. De omgeving bepaalt vervolgens in welke mate empathie mogelijk is: in een oorlogssituatie moet je overleven en je gevoelens kunnen afsluiten, in een veilige omgeving kun je al je eigenschappen laten opbloeien. Wreedheid is dan ook geen kenmerk van kinderen, maar –een enkele psychopaat daargelaten- vooral van groepen. Denk hierbij aan pesten op het werk, pesten in het leger, pesten in bejaardentehuizen, Arthur Gotlieb die kapotgemaakt werd bij de Nationale Zorgautoriteit. Het gaat hier niet om wreedheid van kinderen, maar macht en misbruik in groepsverband: problemen van identificatie in en tussen groepen en het ontbreken van positief leiderschap. Denk in dit verband maar Onze Grote Roerganger premier Rutte die onlangs in een interview met Metro zei dat discriminatie “vooral het probleem van Mohammed zelf” is.[iii] Falende leiders hebben er alle belang bij om te zeggen dat pesten en uitsluiting er nu eenmaal bij horen, dat het een probleem van de slachtoffers is. Dat leidt de focus van hen af, naar het slachtoffer. Het is een breed gedeelde opvatting, zowel in de klas als in de samenleving.

Pesten is niet natuurlijk 

Er zijn vele mythes over pesten en deze mythes richten enorme schade aan. Ze zorgen ervoor dat het pesten gelegitimeerd wordt en mensen wegkijken: tja, het hoort er nu eenmaal bij. Pesten zelf richt enorme schade aan waarbij alleen zelfmoordgevallen de krant halen, maar vele anderen levenslang met psychische en fysieke gevolgen leven. Bovendien is pesten niet alleen schadelijk voor de slachtoffers, maar voor alle betrokkenen. Voor de daders, die in hun latere leven een hogere kans op criminaliteit lopen; voor de hele klas door gevoelens van onveiligheid en verminderde schoolprestaties én voor het team van leraren door werkstress en hoger ziekteverzuim. In bedrijven en instellingen leidt pesten tot ziekteverzuim, fouten en verminderde productiviteit. Reden genoeg om wél in te grijpen, zou je zeggen. Maar ingrijpen is lastig en vereist niet alleen inzicht in de situatie, maar ook meesterschap daarover. Iets wat je niét op de pabo leert.

Juist het onderwijs is een uiterst onnatuurlijke sociale situatie: het is relatief nieuw dat wij kinderen in een groep bij elkaar zetten op basis van leeftijd. Je moet je eens indenken dat je dat als volwassene zou gebeuren. De horror. Toch denken veel mensen dat het “natuurlijk” is dat kinderen aan elkaar worden overgelaten, terwijl in verticale groepen pesten minder vaak voorkomt en de ouderen zowel de positieve waarden en kennis van het groepsproces door geven als ingrijpen als het uit de hand loopt. Testen hoort erbij, sociaal leren ook en ingrijpen dus ook.

Discriminatie is het probleem van Mohammed 

Maar ingrijpen vergt verantwoordelijkheidsgevoel, inzicht in de eigen rol, en die ontbreekt maar al te vaak, bij Rutte, in bedrijven en bij de school. Kinderen en hun ouders lopen tegen een muur van weerstand en onbegrip: het kind zal zelf wel niet weerbaar genoeg zijn en moet nodig naar een weerbaarheidstraining. Uit onderzoek is al lang bekend dat dit onzin is, en zelfs contraproductief werkt. Het slachtoffer wordt gesterkt in zijn gevoel dat het aan hém ligt, de klas en de leraren ook. De pestende groep staat vervolgens helemaal niet open voor wat het slachtoffer op die training leert. Pesten komt immers voort uit spanningen in die groep, en die spanningen zoeken een uitweg. Als het slachtoffer in opstand komt zullen die spanningen alleen maar toenemen. En die opstand wordt ook gezien als “bewijs” dat het pesten gerechtvaardigd is. Immers: Mohammed, die zich op aanraden van Rutte aan het invechten is, is altijd zo agressief? Geen wonder dat hij uitgesloten wordt, hij maakt zichzelf onmogelijk. Ouders grijpen niet in, bang als ze zijn dat het pesten anders op hún kind overslaat. Of ze zijn het eens met de gedeelde opvatting dat dit kind hun empathie niet verdient. En dus kan het gebeuren dat een jochie van zes maar één vriendje op zijn partijtje krijgt en de ouders van de andere vijf genodigden niet eens de moeite nemen om af te zeggen.

Als je eigen kind maar weerbaar is

Want wat is weerbaarheid eigenlijk?  In oorlogstijd betekent dit dat je je gevoelens zoveel mogelijk uitschakelt, dat je overleeft. In vredestijd juist dat je vertrouwen hebt in jezelf en de ander en dat dit vertrouwen ook een stootje kan hebben. Deze weerbaarheid doe je op via positieve ervaringen met anderen en via veiligheid in de groep. Maar hoe krijg je vertrouwen in jezelf en de ander, als je juist elke dag gepest wordt? Sociale afwijzing is zeer pijnlijk en leidt tot verminderd zelfvertrouwen, wat ook vervolgens zichtbaar is. Langdurig gepeste kinderen en mensen stralen dat vervolgens ook uit, wat hen kwetsbaar maakt voor nieuwe pesterijen. De nadruk op weerbaarheid zorgt er vervolgens voor dat hen dat wordt verweten: ze zijn niet weerbaar genoeg, geen wonder dat ze worden gepest. Zo wordt het gevolg van pesten verward met de oorzaak ervan: problemen in de groep en gebrek aan positief leiderschap. De klas blijkt niet in vredestijd, maar in oorlogstijd te verkeren. Dat is geen natuurwet, maar het gevolg van wegkijkende volwassenen. De leerkracht uit onmacht of vanuit de gedachte dat het slachtoffer tekort schiet, de andere ouders vanuit angst dat het pesten anders hún kind treft (zodat ze hun kind liever niet met het slachtoffer laten spelen, want pesten is besmettelijk) of vanuit de superieure gedachte dat hún kind tenminste wel weerbaar is.

Mythes over pesten houden pesten in stand, omdat de verantwoordelijke volwassenen niet ingrijpen en zelfs professionals zich zuchtend neerleggen bij de situatie. Fatalistisch denken dat pesten en uitsluiting er nu eenmaal bij horen en dat we daarmee maar moeten leren omgaan dient alleen degenen die niét gepest worden, omdat ze daarmee kunnen blijven geloven in zichzelf als winnaar in die strijd. Ze worden zelf zonder steun immers niet gepest? Dan hebben de slachtoffers het aan zichzelf te danken. Maar je wordt niet weerbaar van pesten, nu niet en straks niet. Wie wegkijkt steunt de pestkoppen.

woensdag 14 januari 2015

Werk in uitvoering

Een nieuw jaar, een nieuw boek? Er is veel gebeurd in 2014. Mijn boek Alles over Pesten verscheen en kreeg veel, zeer veel positieve reacties. Mijn columns op Sociale Vraagstukken werden gelezen en gewaardeerd evenals de artikelen in het gelijknamige tijdschrift, en vanaf september lees ik maandelijks voor “uit eigen werk” in het programma Nachtwerk van RTV Rijnmond.

Voor het komende jaar staan al diverse activiteiten op het programma. In maart verschijnt het F-Boek, over hedendaags feminisme, onder redactie van Anja Meulenbelt en Renée Römkens. Ik werk aan een hoofdstuk voor de FNV, over jongeren en hun toekomst en ook staan er nog wat artikelen en lezingen gepland.  

Daarnaast broed ik nog op twee mogelijke nieuwe boeken. De onderwerpen heb ik al gekozen, nu nog uitwerken en mijn uitgever enthousiast maken. Zodra daar meer duidelijkheid over komt, horen jullie van me!

Dat betekent wel dat ik niet zoveel tijd meer overhoud voor mijn blog. Af en toe verschijnt er een artikel dat ik echt nog ergens wil plaatsen, of een boekbespreking. Maar het wordt eigenlijk tijd voor een eigen website.

Mijn voornemen voor het nieuwe jaar is dan ook dat die website er gaat komen. De domeinnaam is al (jaren!) gereserveerd (uiteraard www.miekevanstigt.nl – doe geen moeite, hij is er nog niet). Nu moet ik gaan denken over vorm en opbouw.

Wie mij tot die tijd graag wil bereiken, benadere mij via Facebookchat of via miekevanstigt@hotmail.com


Tot gauw, allemaal een goed jaar gewenst.

donderdag 13 november 2014

Niet naar school

Via Twitter volgde ik de berichten van Janine Scherpenberg al een tijdje. Over haar dochter Daphne, die thuis kwam te zitten, nadat het op school (en daardoor ook thuis) slechter en slechter met haar ging.
Hoe afspraken niet nagekomen werden. Hoe de mening, kennis en deskundigheid van ouders stelselmatig opzij werden gezet. Hoe Daphne zelf steeds verder in de knel kwam, tot het moment dat ze niet meer wilde leven. Wat dat met een kind doet, wat dat met een moeder doet…

Onlangs verscheen het verhaal van Daphne in boekvorm, geschreven door haar moeder: Janine Scherpenberg: Thuis is Daphne Daphne. Een indringend verhaal, dat je soms bij de strot grijpt. Dit boek zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die in het onderwijs werkt, maar ook voor ouders die zelf een kind hebben dat in de knel zit, is dit herkenbaar en op die manier een hart onder de riem.
Daphne was een vrolijke kleuter, had veel vriendinnen op school, afspraakjes na schooltijd. Het ging prima met haar, totdat ze leerproblemen bleek te hebben en een ontwikkelingsstoornis. De diagnoses volgden elkaar op (ASS, mogelijk ADHD), maar voor Daphne betekende dit dat ze vaak te horen kreeg dat ze “het niet goed deed”. Een appel, door haar zo prachtig rood/geel overlopend ingekleurd, werd door de juf (groep 1!) meteen afgekeurd als “niet goed”. Hij had volgens de opdracht rood moeten zijn…

Thuis is Daphne een creatief kind, dat prachtig kan tekenen en kleuren, dat geïnteresseerd is in muziek, in sterrenkunde, in de wereld. Op school komt zij niet uit de verf. Het lukt haar niet. Daphne kon niet over naar een volgende klas, en raakte zo haar vriendinnetjes én zelfvertrouwen kwijt. Na een traumatische gebeurtenis op de naschoolse opvang gaat het nog slechter, de moeder vermoedt dat Daphne “selectief mutisme” heeft: een sociale angststoornis waarbij zij in situaties niet meer kán praten. De zorghandelingen van school zijn er dan met name op gericht om haar aan het praten te krijgen. Maar echt begrijpen, laat staan zién, doen ze haar niet.

Niet luisteren naar moeder

Opvallend is het gebrek aan afstemming tussen school en moeder. Als moeder heb je zicht op je kind, maar school kijkt het liever zelf aan. Uitslagen van onderzoeken (tot twee keer toe blijkt uit IQ test dat Daphne een normaal IQ heeft, maar met een disharmonisch profiel (tussen begrip en uitvoering zit een kloof). Maar met dit soort uitslagen werd niets gedaan, ze verdwenen in de map. In de verslagen staat vermeld: “volgens moeder”, of: “moeder vermoedt”, maar daar blijft het ook bij. Er wordt niets mee gedaan. En elk schooljaar opnieuw wil de nieuwe meester of juf het eerst zelf eens aanzien. En voor je het weet ben je dan een jaar verder, een jaar waarin eigenlijk niet echt iets gebeurd is voor Daphne op het gebied van leren. Waarin de achterstand verder oploopt, waarin het zelfvertrouwen afneemt.

Schrijnend ook is de beschrijving van haar selectief mutisme: als Daphne zich onveilig voelt, kán ze niet praten. Dat gaat zelfs zover dat ze in de auto alleen kan praten als alle ramen en deuren dicht zijn. Op een dag breekt ze haar pols. Bij de dokter en in het ziekenhuis geeft Daphne geen kik, maar eenmaal in de auto begint ze keihard te huilen.
De verschillende scholen die Daphne bezoekt, blijken vast te zitten in hun eigen stramien. Regels zijn regels, methoden zijn methoden, ook al werken ze niet voor Daphne. Van autisme en selectief mutisme begrijpen ze niet veel, even rustig in de klas mogen blijven als de anderen buiten spelen is er voor Daphne niet bij. Dat blijkt wèl te kunnen als ze een gebroken pols heeft. Zes heerlijke weken voor Daphne, omdat je gips wel kunt zien…

Aanwezigheidsplicht

Steeds duidelijker wordt dat school voor Daphne niet werkt. Dat ze ná school nog sommen moet maken die in de klas, onder veel druk, niet lukken. Dat ze thuis wel kan praten en op school niet. Maar op school kon ze niet vragen wat ze niet begreep. Ze moest alles zelf oplossen. Of kreeg ze te horen dat op haar vingers tellen (automatiseren lukte niet, hoewel ze wel het inzicht in rekenen had) “voor kleuters” was. Dat kan echt niet als je al elf bent. De boodschap voor Daphne was duidelijk: ze was fout en kinderachtig.

“Het stomste wat ik ooit had gedacht is, dat ik er vanuit ging dat leerkrachten inzicht hadden in hoe kinderen leren. De lerarenopleiding bestaat er denk ik vooral uit hoe je kinderen het programma naar binnen drukt. Begrijp je het niet? Hier nog een keer. Nog een keer. Nog een keer. Tot het kind gek wordt. Dat is met Daphne gebeurd. Daphne was een verlegen, pratend meisje met veel vriendinnetjes in het begin op school. Zij is helemaal 'gek' gemaakt. En niemand die daar iets van wil horen.” (p.114)

Oplossingen worden gezocht in behandelcentra, in speciaal onderwijs, waar ze tussen allemaal kleine jongetjes met autisme terecht komt. Terwijl ze thuis Engels leert uit de boeken van haar broer, en alles opzoekt over planeten. Terwijl ze elke keer opnieuw moet uitrekenen dat zeven plus acht vijftien is, maar wel weet dat de afstand tussen de zon en de aarde 150 miljoen kilometer is.

Uiteindelijk is Daphne helemaal overspannen. Het is allang duidelijk dat ze zich thuis veel beter ontwikkelt dan op school, maar daar kan geen sprake van zijn Ze moét naar school, er is immers leerplicht? Dat ze op school niets leert, doet daar niets aan af. Dat ze op school geen raad met Daphne weten, ook niet. Als ouders voorstellen om Daphne een dag in de week thuis te laten werken zodat ze op z'n minst haar taken af kan krijgen is dat nog best lastig. Dit wordt toegestaan als dat een tijdelijke oplossing is. Daphne werkt in een ochtend dan wel het werk van een halve schoolweek weg. Leerplicht blijkt neer te komen op aanwezigheidsplicht, maar in wiens belang? Niet in het belang van Daphne.

School (inmiddels speciaal onderwijs) blijkt steeds onveiliger voor Daphne. Hoewel zij juist geen agressief gedrag vertoont maar bij onveiligheid juist blokkeert, verstijft, wordt er soms door twee volwassenen fysiek ingegrepen. Als de moeder daarover op school komt praten, is men vooral beledigd. Maar de leerplicht blijft. Een verblijf in een kliniek, vijf dagen, eventueel met overnachting, zou volgens de deskundigen een oplossing zijn. Terwijl ze, inmiddels thuiszittend, zo goed ging. Tot rust kwam, piano speelde, filmpjes maakte. Maar daar kon geen sprake van zijn. Ouders zien dat het voor Daphne funest is als zij weer naar school zal moeten en vragen bij deskundigen om haar vrij te stellen van de leerplicht. Het enige alternatief wat geboden wordt, is echter verblijf in een kliniek. Instanties richten zich op projecten om haar alsnog op school te krijgen of bij instellingen voor zwakbegaafde kinderen onder te brengen. Het verzorgen van onderwijs van het kind komt niet eens aan de orde. De school zegt geen geld voor haar te hebben.

De positie van ouders

Als er iéts in dit boek duidelijk wordt, is het wel hoe slecht er naar ouders geluisterd wordt. Hoe oneindig veel machtiger (en lakser) scholen en professionals staan ten opzichte van de ouders. Afspraken worden niet nagekomen, testuitslagen worden niet opgepakt als aanknopingspunt om het kind verder te helpen, maar verdwijnen in het dossier. Leerkrachten proberen allemaal hun eigen kunstjes en trucjes uit, maar leren niet van het kind, niet van de ouders en niet van elkaar. Over de beschikbare financiële middelen wordt gelogen, het geld komt niet terecht waar het voor bestemd is: het kind zelf. En boven alles staat dat Daphne naar school moét: dat is immers goed voor haar sociale ontwikkeling? Terwijl uit alles blijkt dat het niet zo is. Tot het moment dat Daphne helemaal niet meer wil leven.

Dit boek is het verslag van het gevecht van ouders voor hun kind. Een kind dat in de knel komt in het huidige systeem. Dat systeem is er niet voor dit kind, maar dat wil niemand horen.

Daphne zit nu thuis, eindelijk rust. Eindelijk ruimte om zichzelf op haar eigen manier, in haar eigen tempo, te ontwikkelen. Ondanks het schooladvies voor PRO/BBL, volgt ze nu MAVO afstandsonderwijs, praat ze en speelt ze piano. Haar verhaal wordt nu verteld door haar moeder en is helaas herkenbaar, op punten, voor zoveel ouders naar wie niet geluisterd wordt. De overheid en de samenleving staan altijd klaar om ouders te wijzen op hun verantwoordelijkheid in de opvoeding. Maar wanneer een kind in de knel komt te zitten, staan diezelfde ouders tegenóver instanties, in plaats van naast. Dan wordt er niet naar ze geluisterd, maar gedreigd met maatregelen.

En daarom moet iedereen dit boek lezen: ouders, leerkrachten, schoolleiders en beleidsmakers. Omdat je mooie theorieën kunt hebben, maar als je niet kijkt hoe die uitpakken, ben je geen lerende organisatie. Omdat de theorieën voor de kinderen zijn en niet andersom.






Janine Scherpenberg: Thuis is Daphne Daphne. Piramidons 2014. Met een voorwoord door Katinka Slump, onderwijsadvocate die zich onder meer inzet voor thuiszitters.


Lees meer over thuiszitters: