zondag 28 september 2014

Pragmatisme is ook politiek

Scherpe observatie van Floor Rusman in NRC van 16 september: “Die  `pragmatische’ aanpak is net zo goed politiek”: premier, ministers en staatssecretarissen verkopen hun beleid als enig mogelijke en bovendien noodzakelijk antwoord op ontwikkelingen in de samenleving in plaats van als ideologische keuze.  

Voorbeelden die Floor geeft: "Zo sprak Mark Rutte in zijn H.J. Schoo-lezing van vorig jaar over `problemen oplossen' alsof maatschappelijke problemen puzzels zijn met maar één oplossing, waarover links en rechts het eens zijn." Edith Schippers zei in een interview in de Volkskrant over zorg: "Je kunt alles vanuit de ideologie aanvliegen. Maar dat lost voor de mensen zo weinig op. Ik wil problemen oplossen, anders vind ik er niets meer aan." Terwijl Jeanine Hennis vorig jaar in een interview in NRC zei: "Dan krijg je de neiging om luchtkastelen te bouwen. (...) ik toon graag enige realiteitszin."  (Samengevat uit het opiniestuk van Floor Rusman).

Waarom doen ze dat? Floor vermoedt dat ze dit doen doordat dit kabinet geen gedeelde visie heeft, maar dat lijkt niet logisch: ze volgen immers wel dezelfde verkoopargumentatie en zijn daar zelfs opvallend eendrachtig in. 

Twee alternatieve verklaringen lijken me waarschijnlijk. De eerste is dat het benoemen van je ideologie in deze postmoderne tijd taboe is: waarheid is immers betrekkelijk, iedereen heeft recht op zijn of haar eigen waarheid. Zonder ideologie ben je dan wel zo veilig, het scheelt een hoop zinloze –want er is geen waarheid- discussies. Het scheelt ook het verwijt van "linkse hobby", variërend van maakbaarheidsgeloof tot communistische heilstaat (in alle varianten regelmatig op twitter en andere fora te beluisteren, de verwijzing naar Noord Korea komt ook altijd wel eens langs).

Maar die ideologie is er wel degelijk en -dat is de tweede verklaring- zit verpakt in alle ontwijkende argumenten van politici: het neoliberale marktideaal. Marktwerking (gedragen door zelfstandige en bewust kiezende consumenten) is volgens dit geloof inherent goed en de eisen van de markt zijn daarmee de eisen van de politiek. Ieder protest is een teken van het falende – verkeerd kiezende- individu, want aan de markt kan het immers niet liggen. 

Steeds duidelijker wordt dat de politiek er niet langer voor de burgers is, maar alleen nog voor de markt. De gedachte dat de markt goed zou zijn voor burgers is allang ondergraven, de winst van dit systeem gaat immers naar een kleine bevoorrechte groep terwijl de kosten (milieu, gezondheid en werkzekerheid) worden afgewenteld op het gewone volk. Maar ja, tot welke kaste behoren politici? I rest my case.

zondag 17 augustus 2014

Alles over Pesten

Lieve allemaal

Er is de afgelopen maanden veel gebeurd. Afgelopen mei verscheen mijn boek “Alles over pesten”. In dit blog wil ik een overzicht geven en een antwoord op de volgende vragen:
1)      Waarom schreef ik dit boek, wat zijn de achtergronden ervan?
2)     Hoe verliep de boekpresentatie?
3)     hoe werd het boek ontvangen?
4)     en hoe zou ik willen dat het verder ging?

1.Dit boek heeft zijn wortels in mijn eigen pestverleden. Ik ben gepest vanaf de kleuterschool tot en met 5vwo. Natuurlijk niet de hele tijd, en uiteraard heb ik niet alleen máár pestherinneringen. Maar wel veel en het heeft me in belangrijke mate gevormd.
Pesten slaat diepe wonden en laat pijnlijke littekens achter, zéker als het langdurig en structureel pesten is (geweest). Op zich vond ik dat ik er ook goede dingen aan over heb gehouden. Ik ben (en was misschien altijd al) een onafhankelijk denker. Juist omdat ik niet zoveel te verliezen had – wat ik ook deed, ik hoorde er toch niet bij- kon ik doen wat ik zelf belangrijk vond. Vooraan zitten bij colleges en vragen stellen, bijvoorbeeld. Het heeft me veel gebracht: professoren die me zagen staan, ontmoetingen met interessante kopstukken. Het heeft me ook veel gekost, waar ik ook hulp voor gezocht heb bij pestexpert Theo Klungers. Die gesprekken hebben me enorm geholpen, en later bleek dat ik vanuit mijn sociologische en pedagogische achtergrond ook veel aan zijn werk kon bijdragen.

Als moeder werd ik opnieuw geconfronteerd met pesten, nu bij mijn dochter. Ik merkte hoe weinig er veranderd was in al die jaren, terwijl er inmiddels toch wel minstens twintig jaar kennis uit onderzoek en publicaties moest zijn. Deze kennis viel in de praktijk dus bar tegen, maar ook in boeken over pesten miste ik ook de realiteit: waar je als gepeste of als ouder tegenaan loopt: ontkenning, beschuldiging, scholen die niet thuis geven, leerkrachten die vinden dat je kind niet weerbaar genoeg is, andere ouders die vinden dat pesten nu eenmaal bij de jeugd hoort want “kinderen zijn nu eenmaal wreed.”

Toen de staatssecretaris van onderwijs, Sander Dekker, en kinderombudsman Marc Dullaert hun plannen voor een anti-pestbeleid voorbereidden, heb ik daarom samen met Theo Klungers een document opgesteld, waarin wij een overzicht gaven van elementen die in het beleid niet mochten ontbreken. De rol van de leerkracht en de school bijvoorbeeld. Vervolgens sprak ik op een conferentie over mijn eigen pestverleden en na afloop kwam een dame van de uitgeverij naar me toe. Ze vertelde dat ze een boek wilden gaan uitgeven over pesten, en dat ze graag wilden dat ik dat zou schrijven. Dat kwam goed uit, omdat ik dat eigenlijk toch al van plan was.

In dit boek ben ik gaan graven naar de wortels van pesten: waar komt het vandaan, welke verklaringen zijn er. Zowel op individueel niveau (welke kinderen worden eerder gepest en waarom, welke kinderen pesten en waarom), als op groepsniveau, schoolniveau en in de samenleving zocht ik naar verklaringen én oplossingen voor pesten. Ervaringen in de praktijk, van mezelf en vele andere bijdragen, worden in verband gebracht met theorieën uit de psychologie, sociologie en biologie. Voor iedereen die met kinderen te maken heeft, voor ouders van gepeste kinderen, voor omstanders, voor mensen die zelf gepest worden of werden, voor schoolleiders en leidinggevenden in bedrijven en instellingen, voor beleidsmakers. Kortom, een boek voor iedereen. Want pesten is geen op zichzelf staand verschijnsel, maar houdt verband met processen van samenleven, van in- en uitsluiting op kleine en grote schaal.

Wat ik met dit boek wil is zoveel mogelijk mensen bereiken. Enerzijds de gepesten en hun ouders een hart onder de riem steken: je bent niet de enige en de schuld van pesten ligt voor het belangrijkste deel niet bij het slachtoffer (maar ook niet per sé bij de dader en diens ouders, trouwens). Maar anderzijds ook aandacht vragen voor het onderwerp pesten bij iedereen die met groepen mensen (al dan niet kinderen) te maken heeft. We leven in een ingewikkelde wereld en samenleven is soms lastig. Daarbij maken sommige contexten extra voor pesten en dan is het belangrijk dat betrokkenen zoals leraren in het onderwijs, mensen die in instellingen werken of leidinggevenden op de werkvloer, kennis hebben van groepsprocessen en pesten. Nogmaals niet om hen de schuld in de schoenen te schuiven (hoewel ik het wel belangrijk vind dat dit aspect besproken wordt), maar om meer kennis en vooral handvatten te geven. 

Met dit boek wil ik ook misstanden en misverstanden over pesten aanpakken. De belangrijkste zijn dat pesten ligt aan het gedrag van het slachtoffer en dat pesten nu eenmaal bij kinderen hoort of noodzakelijk is voor het opgroeien. Dat klopt niet: pesten is een uiting van spanning en onzekerheid in groepen, ligt dus niet aan het slachtoffer maar aan de groep. Veel gedrag van het slachtoffer is juist het gevolg van pesten (en ja, dan lokt het verder pesten uit). Pesten is een uiting van een verziekte sfeer en niemand wordt er beter van: niet het slachtoffer, niet de daders en ook niet de meelopers.
Vaak wordt gezegd: `pesten is een menselijke behoefte' of 'het is een dierlijke behoefte, dieren stellen immers ook de pikorde in de groep vast'. Daarbij wordt vergeten dat dieren ook grenzen stellen aan pesten, en dat extreem pesten ook bij dieren wijst op extreme spanningen in de groep (bijvoorbeeld in een dierentuin, bepaald geen natuurlijke setting). Groepen kunnen onder druk grijpen naar het middel pesten, maar dat wil niet zeggen dat pesten ook noodzakelijk is. Uiteindelijk heeft iedereen in de groep er last van en vaart de groep wel bij positief leiderschap. Dit is overigens ook een gevaarlijke misvatting: leerkrachten die denken dat pesten natuurlijk is, grijpen minder snel in. En het wordt door anderen ook gebruikt als rechtvaardiging voor het pesten: zo is de natuur, zo is het leven nou eenmaal. 

Een misstand is dat er ook (wel eens) door scholen en/of leerkrachten gepest wordt: een kind is altijd het pispaaltje, of het krijgt overal de schuld van. Of scholen vinden dat ze al genoeg aandacht aan pesten besteden, en zeggen dat ze niets kunnen doen. Vaak wordt het gepeste kind (of de ouders) verweten dat het niet weerbaar genoeg is. Ook tussen collega’s kan gepest worden en natuurlijk kan een klas ook een leerkracht wegpesten. Dit soort gebeurtenissen komen in de praktijk veel voor, maar krijgen nauwelijks aandacht in theorie of beleid rond pesten. Veel boeken zijn erg beperkt in hun focus of definitie van pesten, of ze gaan uit van een bepaald anti-pestprogramma. Met mijn boek probeer ik zo breed mogelijk te kijken naar het verschijnsel pesten, om daarna pas oplossingen te geven.

2. Op 21 mei 2014 nam  Kinderombudsman Marc Dullaert het eerste exemplaar van mijn boek in ontvangst, bij Uitgeverij Boom aan de Prinsengracht in Amsterdam. 

De toespraak die ik hield is hier te lezen. Achteraf hoorde ik dat er in de zaal menig traantje werd weggepinkt.
Het tweede exemplaar was trouwens voor mijn ouders (en dat was het moment dat bij mij de emoties overliepen). 

Er is maar weinig wat echt beschermt tegen pesten. Er is wel iets wat beschermt tegen de pijn van pesten, en dat is verbondenheid met je familie. Overigens was het voor mij een dubbel feestelijke gebeurtenis, want het was ook nog eens mijn verjaardag J.

3. In de J/M voor Ouders van Mei 2014 stond al een prachtig interview. En op de dag van de presentatie verscheen een recensie op Sociale Vraagstukken (Hanneke Felten). Met socioloog Henk de Vos had ik leuke discussie naar aanleiding van zijn blog over mijn boek.
En al heel snel stond er een heel mooie review op bol.com met 5 sterren!!!  

De nieuwsbrief van Buro Bloei kwam met een mooi verslag: 


en op Pestweb  verscheen een heel positieve bespreking 


Kees van Overveld plaatste een fijne recensie op Twitter: 

In Trouw van 9 augustus 2014 verscheen een interview: 


en in Psychologie Magazine (september 2014)een superfijne recensie:



Kortom, mijn boek wordt gelukkig goed ontvangen. Op maandag 18 augustus ben ik te gast in het lunchprogramma van RTV-NH (radio). Eerder was ik te horen in het nachtprogramma van Alfred Blokhuizen op RTV Rijnmond 


4. Hoe het verder gaat? Ik hoop natuurlijk dat zoveel mogelijk mensen dit boek gaan kopen en lezen. Verder hoop ik dat het gebruikt gaat worden in opleidingen en op pabo’s. En zelf ga ik nadenken over mijn volgende boek(en) en blijf ik schrijven over allerlei onderwerpen op het gebied van opvoeding, onderwijs en (andere) maatschappelijke ontwikkelingen. Vrijwel elke maand verschijnt er een column van me op Sociale Vraagstukken en er zijn vergevorderde plannen voor een radiocolumn op RTV Rijnmond, in het nachtprogramma van Alfred Blokhuizen. Kortom, jullie horen van me. 


Mieke van Stigt: Alles over Pesten. Uitgeverij Boom Amsterdam, 2014. Bij de boekhandel of via internet 24,95 euro. ISBN 978 90 8953 251 0

vrijdag 15 augustus 2014

Van alle tijden

Eric van Eerdenburg, directeur van het grote popfestival Lowlands, verbaast zich er op de site van De Volkskrant (15 augustus -1) over hoe weinig woede er is onder de jeugd. Niemand die stoeptegels uit de straat rukt om te protesteren, zoals in de jaren tachtig van de vorige eeuw (Eric’s jeugd!). Maar ja, de huidige jongeren hebben het zo goed. In zíjn jeugd had je geen huis, geen baan en ook geen zicht daarop. Deze jongeren zijn niet recalcitrant, maar zouden zich volgens hem ook nu enorm boos  kunnen maken over politiek of milieu…

De huidige jeugd lijkt meer op de jongeren van de jaren tachtig dan Van Eerdenburg denkt. Ook voor hen zijn huizen en banen helemaal niet vanzelfsprekend meer. En het milieuvraagstuk is urgenter dan ooit. Waarom zijn ze dan niet recalcitrant? Omdat de tijdgeest veranderd is. In de huidige ideologie is er sprake van kansen voor iedereen, en zelfs een plicht om die in elke situatie ook te zien. Een burn-out? Zie het als kans. Werkloos? Zie het als kans. Succes is een keuze! Als je maar genoeg in jezelf gelooft! (2) Een ieder heeft de individuele plicht om het beste van zijn of haar leven te maken, met als gemeen addertje onder het gras dat, wanneer dit niet lukt, dat dan wel aan jezelf ligt. Dan ben je niet pro-actief, positief of ondernemend genoeg. 
Hoe kun je dan nog protesteren? Dat zou toch immers een teken van onmacht zijn, dan heb je zelf blijkbaar niet de juiste keuzes gemaakt; je verantwoordelijkheid niet genomen. Ja, van mij mogen jongeren ook in opstand komen, maar dan tegen dit overheersende marktdenken en het individualisme. Maar hoe (en tegen wie?) in vredesnaam moeten jongeren zich organiseren, als dat marktdenken en individualisme ook in henzelf zit of als elk teken van twijfel wordt gezien als zwakte en falen? Als elk protest wordt gepareerd met het verwijt dat je teveel in de slachtofferrol kruipt? Niet voor niets heeft een op de vijf jongeren psychische problemen. (3)

Naar verluidt was Socrates de eerste die mopperde over de 'jeugd van tegenwoordig'(4) Die valt blijkbaar altijd tegen. Zijn ze eindelijk braaf en gehoorzaam, dan zijn ze ineens niet meer recalcitrant genoeg. Daarmee wordt wel duidelijk wat écht van alle tijden is, namelijk knorrige oude heren die mopperen over de nieuwe generatie en deze niet meer begrijpen. Dat zelfs de directeur van Lowlands nu die leeftijdfase ingaat, is wel een teken aan de wand - gelukkig bemoeit hij zich naar eigen zeggen niet met de programmering. Maar volgens mij wordt het wel tijd voor een bankje in het park.




Dit stuk heb ik ook naar De Volkskrant gestuurd, als ingezonden brief. Ik verwacht er niet veel van, er zit daar ook een mopperige oude heer op het secretariaat. Maar goed, je weet maar nooit   ;-)

Noten: 
(2)  vanmorgen gehoord en gelezen binnen een kwartier tijd: "succes is een keuze"(in een column van Aleid Truijens, VK 16/8) en "als je maar genoeg in jezelf gelooft"(succesvolle atlete tijdens sportuitzending op Nederland 1.)
(3) Bron: Nationaal Kompas. http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/functioneren-en-kwaliteit-van-leven/psychisch-functioneren/psychisch-functioneren-jeugd/hoe-vaak-komen-psychische-problemen-bij-jeugd-voor/ 
(3) Er circuleren diverse versies van het citaat, toegeschreven aan Socrates. Deze lijkt me redelijk betrouwbaar, want uit een oratie aan de Universiteit van Leiden: "Onze jeugd heeft tegenwoordig een sterke hang naar luxe, heeft slechte manieren, minachting voor het gezag en geen eerbied voor ouderen. Ze geven de voorkeur aan kletspraatjes in plaats van training (...) Jonge mensen staan niet meer op als een oudere de kamer binnenkomt. Ze spreken hun ouders tegen, houden niet hun mond in gezelschap (...) en tiranniseren hun leraren." http://media.leidenuniv.nl/legacy/Bouwkamp%20SOFA.pdf








woensdag 4 juni 2014

Hakken in het zand tegen een verplicht anti-pestprogramma

Een jaar geleden kondigden Staatssecretaris Dekker en Kinderombudsman Dullaert hun plan van aanpak tegen pesten op scholen aan. Scholen worden in de toekomst verplicht om een goedgekeurde anti-pestmethode te gebruiken en de veiligheid en het welzijn van hun leerlingen te monitoren. Afgelopen week werden de eerste resultaten bekend. Hoewel nog geen enkel programma helemaal bewezen effectief is, zijn 9 programma’s voorlopig goedgekeurd op basis van theoretische onderbouwing en empirische bevindingen, en 4 programma’s vooralsnog afgewezen. De overige  bijna 50 programma’s zijn afgewezen.

Nu de verplichte anti-pestmethode zo dichtbij komt, groeit de verontwaardiging en het protest. Uit wetenschappelijke hoek klinkt het verwijt dat nog geen enkele methode bewezen is, en dat bovendien de betrokken onderzoekers zelf banden hebben met een bepaald anti-pestprogramma (Bram Orobio de Castro in Trouw van 16 april 2014 en Bob van der Meer in Nieuwsuur van 26 mei 2014). Uit onderwijskundige hoek klinkt het dat protocollen een bedreiging zijn voor de eigen verantwoordelijkheid van de leerkracht en  “algemene protocollen zullen nooit voor alle gevallen een specifieke oplossing kunnen bedenken.” (Hartger Wassink in de NRC van 30 mei 2014). En laatst hoorde ik een afdelingsleider vwo zuchten dat ze van Den Haag nou eenmaal aandacht moesten besteden aan het onderwerp pesten.

Wim Ludeke van de PO-raad betoogt in Nieuwsuur (26 mei 2014) dat scholen prima in staat zijn om zelf te bepalen wat zij nodig hebben om pesten aan te pakken. Een keuze  uit 13 programma’s is volgens hem geen keuze, om dat ze niet noodzakelijk aansluiten bij de school, de omgeving en het schoolveiligheidsbeleid. Hij pleit ervoor het onderwerp pesten een integraal onderdeel te laten zijn van het schoolveiligheidsbeleid, waarbij gericht gekeken worden naar “zwakke scholen” (wat betreft de veiligheid dit keer). “Besturen en scholen zijn heel wel in staat om naar hun eigen situatie te kijken en daar een passend aanbod in te vinden” en “de politiek komt met die actie na twee vreselijke incidenten, en we hebben in Nederland altijd de neiging om daarin een tikkeltje door te slaan.” Hij pleit voor beter overleg met het veld, om te zien of die methodes ook in de praktijk aansluiten.

Tijd om eens even wat misverstanden op te helderen.

Ja, de anti-pestwet is opgekomen naar aanleiding van twee zelfmoorden door pesten, die in de media veel verontwaardiging en zorg losmaakten. Maar vooral werd daardoor duidelijk welke omvang pesten op scholen heeft (en dan heb ik het nog niet over pesten op het werk of pesten in tehuizen en instellingen). Omdat definities van pesten in onderzoeken verschillen, en omdat zelfrapportage niet altijd betrouwbaar is, variëren de cijfers rond pesten, maar aangenomen kan worden dat in het primair onderwijs 10 procent van de kinderen regelmatig gepest wordt en in het voortgezet onderwijs 6 procent, en dit zijn voorzichtige cijfers, want vooral oudere kinderen geven vaak niet toe gepest te worden (bron: NJI). Als deze cijfers kloppen, dan worden ruim 200.000 kinderen regelmatig gepest. Nou zal het aantal gepeste kinderen per school kunnen verschillen, maar het is niet waarschijnlijk dat er veel scholen zullen zijn waar helemaal nooit wordt gepest, daarover straks meer.

Pesten kan, vooral wanneer het langer aanhoudt, leiden tot ernstige psychische klachten bij het slachtoffer en zelfs lichamelijke gevolgen hebben, die soms tot veertig jaar na dato nog meetbaar zijn. Enkele duizenden kinderen worden zo ernstig gepest dat ze helemaal niet meer naar school gaan. Hoe ingrijpend pesten is, konden we zien in het programma Project P, van RTL. Daarnaast is pesten schadelijk voor de dader (die heeft een grotere kans op crimineel gedrag in de toekomst), voor de meelopers (die vaak meepesten om niet zelf het volgende slachtoffer te zijn), voor de sfeer en veiligheid van de school en zelfs, in ernstige gevallen, voor de schoolprestaties van de hele groep.

Wat ook duidelijk werd bij Project P, is hoe structuréél pesten kan zijn. Het lijken kleine of grotere incidenten: een duw, een keer een bijnaam, een kapotte tas, een trap tegen je rug, een keertje pootje haken, kinderen die weglopen als je naast ze gaat zitten. Maar al deze incidenten bij elkaar vinden dus gedurende de hele dag plaats, verzieken elke schooldag, en maken het slachtoffer tot een emotioneel wrak, nooit wetend wie de volgende aanvaller zal zijn, of wat hij moet doen om het te voorkomen. Vergeet daarbij niet dat je elke keer weer naar school moét. Toch beschouwen veel scholen en leerkrachten pesten als een incident, waardoor de oorzaak makkelijker bij het slachtoffer gezocht wordt: die vertoont ook wel raar gedrag of zoekt de problemen op. Of hij is niet weerbaar genoeg, wat wil je met ouders die bij elk wissewasje op school komen klagen. Tragisch genoeg zijn veel van deze gedragingen juist een gevolg van pesten, en in ieder geval geen excuus ervoor.

De praktijk is anders

Hoezo kunnen scholen dit best zelf beoordelen en oplossen? Als er iéts duidelijk is geworden van de discussies in het afgelopen jaar, is dat zij dit juist niét kunnen en niét doen. Kinderen melden pesten vaak niet, omdat ze geen vertrouwen hebben in een goede en stevige aanpak, en vrezen dat het optreden van de leerkracht (“jongens, niet zo flauw, niet meer doen hoor!”) alleen maar averechts zal werken. Waar ze overigens helemaal gelijk in hebben. Wanneer het pesten zulke vormen heeft aangenomen dat kinderen en hun ouders er niet meer omheen kunnen, lopen deze laatsten lopen soms maandenlang de schooldeur plat, zonder dat het pesten opgelost wordt. Of zoeken in arren moede een andere school, die helemaal niet staat te springen om hun kind warm te ontvangen ‘als ze op die school gepest is, zal dat op onze school zéker gebeuren.’ (geparafraseerd citaat uit Alles over pesten, p. 199)
En dit zijn géén incidenten. De meest gangbare reacties wanneer het over pesten gaat, zijn ontkenning (dit is geen pesten, het is een geintje) en beschuldiging van het slachtoffer (die doet ook raar, is niet weerbaar genoeg, zoekt de problemen steeds op). En scholen zien vaak niet hoe structureel het pesten is, maar hanteren een incidentenpolitiek: brandjes blussen, zuchtend dat ze nou wéér moeten optreden, of “dat dit de vervelendste klas in jaren is”.

Incidentenpolitiek is geen antwoord op een structureel probleem

Laten we wel zijn: een school is zowel in sociaal als in fysiek opzicht een ingewikkelde constructie, en een onnatuurlijke situatie. We zetten kinderen op grond van hun leeftijd in een grote groep (en met vele groepen in een groot gebouw), fysiek verwijderd van ouderlijk toezicht, met daarbij één (vaak nog wisselend ook, in ieder geval elk jaar een andere) volwassene, die niét is opgeleid in het hanteren van groepen. Omgaan met pesten is op de pabo een keuzevak. Ongelooflijk. Terwijl een goede sfeer in de groep bepalend is voor het welzijn van alle leerlingen (niet alleen het slachtoffer) en voor het succes van al het leren. Niet alleen nemen mensen niet snel iets aan van iemand zonder status (dus ook niet van een leraar zonder gezag); een onveilige sfeer zorgt voor slechtere schoolprestaties. Dat kan iedere leerkracht bevestigen die een klas overneemt waarin het vorige jaar veel gepest is.

Pesten is niet het zoveelste maatschappelijke probleem dat van bovenaf de school in wordt gegooid; pesten is het probleem van de school, van het onderwijs zelf, of ze nou willen of niet. En de praktijk is dat veel leerkrachten en schoolleiders niet zien wat er voor hun neus gebeurt, of denken dat dergelijk gedrag nou eenmaal bij kinderen/pubers hoort, of zuchtend zeggen: “jongens, stoppen nou”. Juist omdat pesten een structureel probleem is, en juist omdat scholen in de praktijk vaak tekortschieten, is een structureel anti-pestbeleid noodzakelijk. Dus géén protocol dat pas bij escalatie van de plank wordt gehaald.

Scholen en bestuurders hebben een ingewikkelde en ook zware taak, zeker gezien het feit dat zij overdag verantwoordelijk zijn voor het welzijn van kinderen, die verplicht onder hun hoede worden gegeven. Maar dat zij nu zo verontwaardigd zijn betreft niét de zorg over het welzijn van die leerlingen, maar de aantasting van hun eigen status en autonomie. De anti-pestwet is motie van wantrouwen en ze zijn dan ook op hun tenen getrapt. In plaats van blij te zijn dat zij in hun zware taak worden ondersteund met onderzoek naar geschikte programma’s in plaats van de zoveelste beunhaas, mopperen ze dat ze gedwongen worden te kiezen. In plaats van zich zorgen te maken over de vele, vele slachtoffers, maken zij zich zorgen over hun imago.

Helpt een verplicht anti-pestprogramma?

Dat is nog maar helemaal de vraag. Een effectief programma is nog geen effectieve aanpak, dat hangt namelijk helemaal af van de manier waarop de school er in de praktijk mee omgaat. Tegen hakken in het zand zijn zelfs de beste anti-pestprogramma’s niet of nauwelijks bestand. De kwaliteit van een team, zowel in samenwerking als in de sociale slagkracht, bepaalt in hoeverre er op een school gepest wordt. Gezien de complexe sociale structuur van een school is het onvermijdelijk dat er wel eens wat gebeurt. Noem mij één school waar helemaal niet, nooit, gepest wordt en ik ga er wonen. 
Voor een echt veilige sfeer zal de school zich moeten ontwikkelen tot een lerende organisatie, waarin docenten zich gezamenlijk inzetten voor een goede sfeer en daarbij feedback, hulp en ondersteuning van elkaar accepteren. Maar ook is het nodig dat ze ondersteuning accepteren van de overheid, in de vorm van kennis over pesten en keuring van anti-pestprogramma’s. Of beter nog: aanvullende opleidingen en trainingen, en een verplicht vak groepsvorming op de pabo’s en lerarenopleidingen.

Wat echt nodig is, is inzicht in de problematiek van pesten, zowel voor het slachtoffer als voor de school als geheel. Pesten duidt op een structureel probleem in de groep, en uiteindelijk op een gebrek aan sturing en leiderschap. Scholen hebben daarmee een zware maatschappelijke taak en een enorme verantwoordelijkheid, en kunnen daarbij alle hulp gebruiken die ze krijgen kunnen, ook van de overheid. Maar de eerste stap moet toch echt zijn dat ze die verantwoordelijkheid erkennen, en niet bij de media (tikkeltje overdreven ophef), bij het slachtoffer (niet weerbaar genoeg), bij de dader (kinderen zijn nu eenmaal wreed) of bij de ouders (lastig, klaagcultuur) neerleggen. Uiteindelijk zal een stellingname tegen pesten, vóór een veilige school, niet alleen de slachtoffers, maar iedereen, tot en met het team en de schoolresultaten, ten goede komen. En welke school wil dat nou niet?

zaterdag 24 mei 2014

Opvoeders en huttenbouwers - boektijdschriftrecensie

Toen ik in 1976 een meisje van bijna tien jaar oud was, kreeg mijn oudste zus een tweeling. Twee meisjes. Extra handen waren natuurlijk welkom, en wat is er voor een meisje van 10 nou mooier dan twee échte baby’s. Een soort poppen 2.0. Ik genoot ervan om ze de fles te geven, te verschonen, in bad te doen, luiers te vouwen, met ze rond te lopen, te spelen en later, ze te helpen zindelijk te worden. Ik heb nog meer zussen, dus eigenlijk kwam er elke drie, vier jaar wel een kleintje bij, zodat ik opgroeide met kleine kinderen en zag hoe zij weer opgroeiden.

Toen ik vele jaren later zelf een baby kreeg, greep ik dan ook als vanzelf naar de omslaghemdjes en de katoenen luiers, ik wist nog hoe ik ze moest vouwen (maar leerde van een vriend een andere manier, met een dubbele landingsstrook). En uiteraard hoefde ik niet alles nieuw te hebben, maar kreeg ik van alle kanten tassen vol met babykleertjes, die ik na gebruik weer vrolijk doorschoof. Maar ik merkte dat jonge ouders in mijn omgeving helemaal niet zo vanzelfsprekend ervaring hebben met kleintjes in hun omgeving. Zij hadden maar één zus of broer (die meestal nog kinderloos was) en geen nichtjes en neefjes in hun omgeving.

Opvoeden is dan ook niet meer zo vanzelfsprekend en makkelijk als het geweest is. Eerdere generaties “kregen” gewoon kinderen, en hun grootste zorg was om ze gevoed en gewassen te krijgen. De kinderen groeiden vooral met elkaar op, en werden haast vanzelf groot. Maar de tijden zijn veranderd. Huidige ouders hebben niet meer de vanzelfsprekende ervaring met kleine kinderen, en ook het teruggrijpen op de opvoeding die ze zelf kregen, werkt niet altijd. De eisen zijn veranderd en vooral enorm opgeschroefd. Zo stond in mijn eigen jeugd de huiskamer blauw van de rook, tijdens verjaardagen en feestjes. De sigaretten en sigaren stonden klaar op tafel, voor de visite. Tegenwoordig is roken in huis en de auto is tegenwoordig vrijwel overal taboe, al helemaal met een kindje in de buurt. De kennis vanuit het verleden ouders biedt daarom – en om heel veel andere redenen- vaak weinig houvast, maar ook komen ouders daartegen in opstand, ze vinden de tradities (laten huilen, slapen in het eigen bedje, voeden op vaste tijden, enzovoorts) veel te streng. Het vóelt gewoon niet goed. Maar ook in het woud van de nieuwe pedagogische stromingen is het soms flink zoeken, en bij je buurvrouw hoef je ook niet altijd aan te kloppen, zij denkt er vaak weer anders over dan jij. Veel ouders keren zich af van zowel traditie als de hoofdstromen in de pedagogiek: zij zoeken naar het optimale contact met hun kindje, maar ook naar de diepere waarden van het leven: genieten van de natuur, zelf ontdekken, en tégen het consumentisme in dat je vertelt dat je een goede ouder bent als je maar product X koopt. Dat ook nog eens enorm vervuilend is.


Voor deze (maar eigenlijk voor alle) ouders is er een nieuw boektijdschrift: Opvoeders en huttenbouwers. Het is de eerste papieren uitgave van het online magazine voor ouders “Kiind”, waarin hun beste artikelen verzameld zijn, als gids voor een bewust leven en opvoeden, en voor puur genieten met je kinderen, en – ook dat zie je nog niet zo veel- net zo goed geschreven voor vaders als voor moeders. Een echte aanrader, vooral omdat de verschillende artikelen zo ongeveer alle aspecten van het ouderschap omvatten, van een ontspannen geboorte tot het bouwen van een hut. Daarbij worden de goede elementen uit de traditie (het zelf maken van brood en toetjes of het –mogen- kiezen voor thuismoederschap) en met een stevige theoretische onderbouwing en verwijzing naar verdere literatuur. En ook nog eens ontzettend leuk om te lezen, je krijgt meteen zelf zin om een hut te bouwen of een vuurtje te stoken. Eens vragen of mijn dochter van 16 daar zin in heeft… 

Opvoeders en huttenbouwers, van de makers van Kiind. Uitgeverij Noest, 15 euro. Elke euro dubbel en dwars waard, een aanrader! 

woensdag 21 mei 2014

Toespraak bij de presentatie van mijn boek Alles over Pesten.

Eigenlijk wilde ik dit boek helemaal niet schrijven. Niet alleen omdat ik hartgrondig had gewild dat ik nooit gepest werd en dat het mijn leven niet zo fundamenteel bepaald zou hebben. Al op de kleuterschool moet ik gepest zijn, zodanig in ieder geval dat mijn ouders op zoek waren naar een andere school. En ik herinner me dat ik in de derde klas zat en de meester vroeg: wie wil er een boodschap doen. Alle vingers gingen omhoog, maar hij koos mij. Ik mocht samen met een vriendinnetje naar de supermarkt, voor koffiemelk, ik was zo trots. Een paar weken later vond ik achter in de klas, in een kast, een hele stapel met briefjes. Daarop stonden dingen als: Ik vind Mieke gewoon stom. Mieke is een trut. Of: ik vind haar wel aardig maar ze wil alleen met E. spelen. Het bleek dat de meester in mijn supermarktafwezigheid aan iedereen had gevraagd wat ze van mij vonden, om erachter te komen waarom ik zo gepest werd. Dat vond ik achteraf nog niet eens het ergste. Het ergste vond ik dat ik die briefjes vond, dat het blijkbaar niet erg was dat ik ze kon lezen. En dat ik niet uitverkoren was om de boodschap te doen, maar dat de meester mij gewoon even weg had willen hebben.
Ik wilde dit boek ook niet schrijven omdat ik hoopte, wenste, dat ik het onderwerp pesten voorgoed achter me had gelaten. Dat ik dingen bereikt heb, net als “gewone” mensen. Dat ik juist niet geassocieerd zou worden met het besmette onderwerp pesten, want pestslachtoffers zijn “besmet”. Het zijn de zwarte schapen, en als je met ze omgaat word je zelf ook besmet. Of het zijn de losers die te lang blijven hangen in een slachtofferrol. Kom op zeg, get over it and get a life.

Maar eigenlijk wilde ik dit boek juist ontzettend graag schrijven. Niet alleen om antwoorden te vinden op de vele, vele vragen die ik had over pesten. Over de oorzaken, of mijn eigen schuld, over de rare reacties van leerkrachten, over de vraag hoe het kan dat een vriendin met wie je thuis zo leuk speelt, je op school als een baksteen laat vallen. Over boeken over pesten en anti-pestprogramma’s die de rol van school en leerkracht gewoon over het hoofd zien, over de vraag hoe het kan dat er na 30 jaar kennis over pesten, er nog zo weinig veranderd is.  Maar ook om met mijn antwoorden iets bij te dragen. Met name in de praktijk, bij leerkrachten en ouders, ontbreekt in hoge mate kennis en inzicht over pesten. Het wordt ontkend, gebagatelliseerd of bij het slachtoffer gelegd, of men staat machteloos.
Een van de grootste misverstanden rondom pesten is, dat het een probleem van kinderen is (met als nog groter misverstand dat het nu eenmaal bij opgroeien hoort). In dit boek laat ik zien dat pesten een probleem van groepen is, en dat juist de manier waarop het onderwijs ingericht is, bijdraagt aan problemen in de groep en dus bijdraagt aan pesten. De leerkrachten zijn daarbij lang niet altijd een machteloos toekijkende partij, maar dragen soms actief bij aan het pesten. Dit is een enorm taboe, maar welke gepeste persoon ik ook spreek, ik krijg een hand op mijn arm, een indringende blik en een hartgrondig: ja.
Het werd me ook duidelijk dat juist ik dit boek moest schrijven. Ik kon de kennis van binnenuit combineren met theoretische inzichten en laten zien waar de tekorten en de gaten zitten. Waar lopen mensen tegenaan die gepest worden of gepest zijn? Waar krijgen ouders mee te maken? Wat is pesten nou echt en welke misverstanden moeten nu eindelijk, eindelijk eens de wereld uit geholpen worden?

Het schrijven van dit boek was dan ook een hele toer. In emotioneel opzicht: het risico was groot dat het een larmoyant klaagboek zou worden, en dat wilde ik per sé niet. Juist om serieus genomen te worden, moeten feiten en emoties in balans zijn, en moeten de verhalen leiden tot meer inzicht in zowel de problematiek van pesten, als in de oplossingen en aanpak. Mijn leermeester de socioloog Norbert Elias schreef een boek met de naam: Problemen van betrokkenheid en distantie. Betrokkenheid is noodzakelijk vanwege de kennis en ervaring van binnenuit, met de gedrevenheid er iets aan te willen doen, en distantie is noodzakelijk vanwege objectiviteit en toetsing aan de theorie. De valkuil van betrokkenheid is een emotionele  blindheid, waardoor je bepaalde evidenties niet meer wil zien en waardoor je, juist omdat je zo diep in de materie zit, bepaalde samenhangen niet meer ziet. De valkuil van distantie is dat je die samenhangen wel ziet, maar dat, juist door je onthechtheid, de diepere betekenis ervan je ontgaat. Beide zijn – zo schreef Elias- geen absolute posities, het gaat veel meer om een bewegen tussen twee uiteinden van een continuüm. Onnodig te zeggen dat werken aan dit boek een vorm van evenwichtskunst is geweest.

Een ander inzicht van Elias hielp ook, uit zijn boek De gevestigden en de buitenstaanders, over de machtsbalans in en tussen groepen. Deze theorie heeft wat betreft mijn boek, in belangrijke mate bijgedragen aan inzicht in pesten als een maatschappelijk proces, als een proces in en tussen groepen, waarbij de kenmerken van die groepen veel belangrijker zijn dan de eventuele persoonskenmerken. Voor hetzelfde geld zou iemand in de andere wijk geboren zijn en dan bij de pestkoppen hebben gehoord en niet bij de slachtoffers. Of zou de andere wijk veel langer hebben bestaan, dan waren zij de gevestigden  geweest en de andere wijk de nieuwkomers.

Pesten richt enorme schade aan, aan je zelfbeeld en aan je anderbeeld: aan je zelfvertrouwen, en aan het vertrouwen in anderen. Pesten gaat verder dan een persoonlijk drama, al was het maar omdat er zovéél pestslachtoffers zijn. Het zorgt voor economische schade. Tienduizenden kinderen worden dagelijks of wekelijks gepest. Dat is niet alleen schadelijk voor henzelf en hun gezondheid, die veertig jaar na dato nog de gevolgen draagt. Dat is ook schadelijk voor alle betrokkenen. Voor de pester, die een grotere kans loopt om in de criminaliteit te belanden, voor de omstanders die zelf opgroeien in angst en niet leren hoe je met elkaar een positief groepsproces opbouwt. Voor alle kinderen die helemaal niet meer naar school gaan en thuiszitten. Voor alle mensen die op hun werk gepest worden, en de enorme economische schade daarvan. Voor het leed van bewoners van instellingen en verzorgingshuizen. Pesten is een persoonlijk, maar vooral ook een maatschappelijk drama. Pesten is een groot probleem in onze samenleving en heeft niets - ik herhaal niets - te maken met wreedheid van kinderen. Wel met wreedheid van mensen en vooral met wreedheid van groepen. Pesten is niet het gebrek aan empathie, maar juist het actief losmaken van empathie, van het slachtoffer. Die wordt ge-ont-empatiseerd, waarna hij de behandeling die hij krijgt ook echt verdient. Dat is één van de redenen waarom pesten vaak niet herkend wordt: de rechtvaardigingstheorieën maken dat het geen pesten is, maar een natuurlijke, noodzakelijke of rechtvaardige gang van zaken. En ik hoef maar naar de behandeling van joden in de jaren dertig en vroege jaren veertig te verwijzen, om duidelijk te maken dat pesten in het groot en pesten in het klein met elkaar verbonden zijn.

Ik ben bij het schrijven van dit boek enorm geholpen door vele anderen, die mij hun verhaal vertelden. Over het pesten, maar vooral over de gevolgen, die soms na decennia nog voelbaar zijn. Mensen die nog steeds worstelen met de gevolgen van pesten, die zich nog steeds niet thuis voelen in een groep, in een gezelschap. Die nog steeds twijfelen aan zichzelf. Dat vond ik overigens nog best heftig, die verhalen. De pijn van mezelf, daar was ik wel aan gewend.
Maar de pijn van anderen, die door mij- ik vroeg er immers naar- weer naar boven kwam. Dat vond ik moeilijk, confronterend. Maar ze zeiden allemaal: als  mijn verhaal er toe bij kan dragen dat iemand zich begrepen voelt, dat er meer kennis komt over pesten, dat mensen zich herkennen, dat pesten wordt aangepakt, dan is het niet voor niets, dan heb ik het er graag voor over. Ik ben al deze mensen enorm dankbaar, hun vertrouwen in mij maakte me nederig, en ik hoop alleen maar dat mijn boek enigszins tegemoet komt aan hun verwachtingen. Hun bijdrage heeft ervoor gezorgd dat dit boek veel rijker is dan wanneer ik alleen mijn eigen verhaal zou vertellen. Het gaf me ook houvast: ik was en ben niet de enige.

Dit boek zou er nooit zijn geweest zonder Theo Klungers, pestdeskundige en therapeut (1). Jaren geleden vertelde hij op een ouderavond, op de school van mijn dochter, over pesten en de gevolgen. Hij zei: als pesten langer duurt dan drie, vier maanden, dan spreken we van structureel pesten en dat richt blijvende schade aan. Ik dacht bij mezelf: vier máánden? Ik ben (even tellen) minstens 8 jaar gepest. Eigenlijk van de kleuterschool tot in 5vwo (en dat is dus 13 jaar). En op zich kon ik daar nog wel mee omgaan, en was ik best trots op wat ik allemaal gedaan en bereikt had, ook juist dank zij het pesten, omdat ik me op een kwaad moment (ik zag pas veel later, dank zij Theo, dat dit een goed moment was) had bevrijd van de mening van anderen, en daardoor juist meer durfde te zeggen en wel durfde op te vallen. Maar figuurlijk gesproken was de fundering onder mijn huis totaal verrot. Er hoefde maar iets te gebeuren of het zaakje stortte in. En vooral met betrekking tot onze dochter, die in alles zo op ons lijkt, was ik bang dat mijn instortende huis háár schade zou berokkenen. Ik ben bij Theo in therapie gegaan, en heb daar vele, vele gesprekken gevoerd, die uiteindelijk uitgroeiden tot gelijkwaardige samenwerking, en een gezamenlijk document aan de staatssecretaris en de kinderombudsman. En vervolgens tot dit boek.

Dankbaar ben ik ook voor mijn ouders, die mij door mijn jeugd heen geholpen en gesteund hebben met hun grenzeloze liefde, geduld en vertrouwen in mij. Dat geldt ook voor mijn gewaardeerde wederhelft Ronald, die de rots is waarop jarenlang mijn zelfvertrouwen kon groeien.  En natuurlijk onze dochter Elise, die ook het nodige met mij te stellen heeft gehad. Het valt niet mee als je moeder een boek schrijft over een zo pijnlijk onderwerp.
Ik wil de mensen van de uitgeverij en vooral Suzanne Batelaan enorm bedanken voor de prettige manier van samenwerken en vooral hun enorme vertrouwen in mij, toen ze mij vroegen dit boek te schrijven.
Dank ook aan Arjan Post, mijn redacteur en vriend, die als mede-socioloog begreep welk boek ik voor ogen had. Dank aan alle mensen die mij op deze weg gesteund hebben, in levenden lijve en via de sociale media, die –ondanks de slechte naam- vooral ook sociale media zijn.

Tot slot ben ik heel dankbaar dat de Kinderombudsman, samen met de Staatssecretaris, het onderwerp pesten op de maatschappelijke agenda heeft gezet. Pesten is geen individueel, maar een maatschappelijk probleem. Het richt, naast enorm persoonlijk leed, economische schade aan door ziekteverzuim, ziektekosten, verminderde productie en lagere schoolprestaties. Van de overheid moeten kinderen verplicht naar school, maar gepeste kinderen komen daar dagelijks in een hel terecht. Dat is op korte en lange termijn ziekmakend, alweer een individueel én maatschappelijk drama. De leerplicht maakt de overheid ook verantwoordelijk voor het geestelijk welzijn van kinderen en jongeren. Dat is geen eenvoudige taak, juist omdat pesten mede voortvloeit uit de manier waarop onze samenleving, en ook ons onderwijssysteem, is ingericht. Toch vernam ik, dat pesten op de pabo geen verplicht vak is, maar onderdeel van een keuzevak. Onbegrijpelijk. Een gezonde sfeer in de klas is de basis voor elk ander schoolsucces, van alle betrokken kinderen. Ik hoop dan ook (Mijnheer Dullaert, nu ik u toch spreek) dat de kinderombudsman zich niet alleen inzet voor verantwoorde anti-pestprogramma’s, maar ook voor fundamentele ondersteuning van scholen en leerkrachten op dit gebied, en dat het onderwerp op pabo’s verplichte kost wordt (het liefst natuurlijk met gebruik van mijn boek).  

Er moet in ieder geval meer  duidelijkheid komen over verantwoordelijkheid, in scholen, bedrijven en instellingen, maar ook in buurten en in de samenleving als geheel. Met mijn boek hoop ik een bijdrage te leveren aan het debat over pesten, aan de kennis erover en van de voorwaarden voor een aanpak ervan. Daarnaast is het bedoeld als hart onder de riem, als troost voor alle mensen die gepest zijn of dat nog worden, en voor alle ouders die `s avonds aan het bed van een verdrietig kind zitten. Een boek, kortom, voor buitenbeentjes en kuddedieren, dus voor ons allemaal. Het is daarom een grote eer dat dhr. Dullaert dit boek in ontvangst wil nemen. Mijnheer Dullaert, alstublieft.  






Het boek Alles over Pesten is vanaf 21 mei 2014 verkrijgbaar (of te bestellen) via de plaatselijke boekhandel of via de grootgrutters op internet. €24,95

noot (1): Theo Klungers, bureau Posicom. www.posicom.nl 

donderdag 15 mei 2014

Wat we kunnen leren van Project P

Al vóór het televisieprogramma “Project P, stop het pesten”  werd uitgezonden, ontstond er een fikse discussie, met name over de vraag of een slachtoffer van pesten de dagelijkse mishandelingen mag filmen met een verborgen camera, en of een televisiezender daarvan een programma mag maken en uitzenden. Aanleiding voor deze felle discussie was, dat de schoolleiding van één van de afleveringen, een kort geding tegen RTL aanspande om uitzending van het tv-programma te voorkomen.

Inmiddels heb ik drie afleveringen bekeken (1), waarin het pesten met succes bleek te zijn aangepakt, ook als de presentator enige weken later het slachtoffer opnieuw opzoekt. Hoewel ik aanvankelijk grote bezwaren had tegen het programma – het risico voor het slachtoffer leek me té groot – moet ik zeggen dat ik de afleveringen behoorlijk zorgvuldig gemaakt vond. En ja, het pesten was blijkbaar opgehouden. Het intrigeerde me wel: wat precies had ervoor gezorgd dat het pesten stopte, en waarom?

Maar aan de andere kanten zijn er de berichten uit de bovengenoemde rechtszaak. Met die jongen gaat het – zoals ik voorspelde (2)- niét goed. De sfeer op school werd alleen maar onveiliger, en hoewel de school het ontkent, voelt hij zich daar niet langer welkom. Wat ging er precies mis, en waarom?

Met andere woorden: wat kunnen we leren van Project P?

Hoe zit het tv-programma in elkaar? Eigenlijk zien we niet zo heel veel van het pesten zelf. Wat we zien is vooral de pijn van het slachtoffer. Het verdriet en de voortdurende stress. De beelden zelf zijn schokkend, maar zodanig geblurred en vervormd, dat ze eigenlijk ook niet zoveel zeggen. Je hoort een paar scheldwoorden, je ziet een of twee trappen. Erg genoeg, maar het is niet zo heel veel. Negentig procent van de uitzending gaat naar het verhaal eromheen. Waarschijnlijk krijgen de ouders en de klas- of teamgenoten veel meer, en onvervormde beelden te zien, want vooral aan hun geschoktheid kan de tv-kijker zien hoe erg het pesten is.

En dat is ook meteen de grootste verdienste van Project P: dat duidelijk wordt hoe ingrijpend pesten is. Het gaat niet om één keer uitgescholden te worden, of een keer met een bijnaam aangesproken te worden. Het gaat niet om één fysieke aanvaring. Pesten is de constante dreiging van verbale en fysieke mishandeling. Dagelijks, door verschillende personen, elke dag weer. Niet weten wat je kunt of moet doen om het te voorkomen, maar daar toch de hele tijd mee bezig zijn: als ik deze kleren aantrek, gaat het dan goed? Als ik een andere tas heb, kan dat wel? Als ik straks de gang door moet, of het lokaal in. Of naar huis fietsen. De continue angst en onzekerheid breken het slachtoffer af, zowel geestelijk als fysiek. Slachtoffers van pesten leven in een voortdurende hel.

Het vreemde is dat vrijwel niemand het ziet. De ouders zien een verdrietig, angstig kind, maar weten ook niet precies hoe het is. De leerkrachten weten soms wel dat een kind aangeeft gepest te worden, maar krijgen vrij weinig mee van de gebeurtenissen. Of ze zien één incident, waarvan ze dan wel of niet iets zeggen, maar hebben geen idee van het geheel. Zelfs de daders zeggen – na confrontatie met de beelden - nauwelijks door te hebben gehad hoe erg het pesten was, omdat ze alleen van hun eigen acties weet hadden. Maar niemand wist hoe het was om in de schoenen van het slachtoffer te staan. Tot Project P.

Wat doet Project P eigenlijk om het pesten te stoppen? Wat is het, dat werkt?

Om te beginnen krijgt het slachtoffer een "advocaat" in de vorm van een populaire televisieheld. Iemand die hem of haar helemaal steunt, die geen frasen gebruikt als: “ja, maar vraag je er niet een beetje om”, of “je zoekt het ook wel altijd op”, maar die zich inleeft en vooral: die steunt en vooral zegt dat het slachtoffer juist een sterke, leuke persoon is. Die vraagt of hij het aandurft om met een camera naar school of training te gaan, wetende dat er ellende komt, maar met de troost dat er dan eindelijk bewijs op tafel komt. En dat er echt iets aan gedaan gaat worden.

De beelden spreken vervolgens voor zich. Ouders zijn geschokt, leerkrachten (trainers) en klasgenoten zijn geschokt. Wisten de pestkoppen dan niet wat ze deden? Ja, zeker wel. Maar ook zij hadden het overzicht niet en vooral: ze waren opgehouden zich voor te stellen wat de impact op het slachtoffer was. Pesten is het actief uitschakelen van identificatie, van empathie voor het slachtoffer. Het is ook een –vaak stilzwijgende- afspraak in de groep: we sluiten hem sámen uit. Pesten geeft op die manier een vorm van saamhorigheid; dat het ten koste gaat van een mens, wordt verdrongen. De confrontatie met de beelden maakt aan die verdringing een einde. Vooral ook omdat die confrontatie geleid wordt door een sterke, populaire figuur als Johnny de Mol (tjee, daar is Johnny de Mol, in ónze klas!) en voor het voetbalteam hadden ze er zelfs een mastodont als John de Wolf bij. Daar kun je echt niet omheen. Benadrukt wordt dat het filmen met een verborgen camera enorme lef vereist. Daarmee wordt de voormalige definitie “x is een loser” omgezet in “x heeft lef”.

De pestkoppen schrikken enorm. Niet alleen van hetgeen ze het slachtoffer hebben aangedaan, maar ook van het feit dat ze dat blijkbaar niet ongezien hebben gedaan – wat ze tot dusver dachten. En vervolgens dat ze afgaan. De samenzwering (wij mogen hem pesten, met elkaar) is doorbroken. Toch worden ze niet al te zeer aan de schandpaal genageld. Niet het verleden is belangrijk, maar de afspraak dat het vanaf nu anders wordt. Daar doen de programmamakers heel verstandig aan. Het risico van teveel nadruk op beschuldigen is, dat de (voormalige) pestkoppen dat niet pikken, waarna het pesten alleen maar toeneemt.
Het is niet alleen het slachtoffer die een nieuwe kans krijgt, dit geldt ook voor de pestkoppen. Ook al werken ze mee aan de samenzwering, dat wil nog niet zeggen dat ze dat ook fijn vinden. Van pesten gaat immers de dreiging uit dat jij de volgende zult zijn, als je niet meedoet. Wat je ziet is dat de hele groep blijer is als het pesten is opgelost, zelfs hun cijfers gaan omhoog. Of zoals de klasgenoten van Xandra zeiden: wij zijn niet langer die rotklas.

Toch gaat het niet altijd goed. Rondom de jongen op het Einsteinlyceum, waar dit verhaal mee begon, is nog altijd veel onzekerheid. Met een slag om de arm – welke versie moet ik geloven- kunnen we toch wel vaststellen dat het pesten daar niet is opgehouden. De jongen mocht niet meer in zijn eigen klas komen, en pas na de pauze van zijn klasgenoten naar school komen. Zijn schoolwerk maakte hij in de directiekamer, zo vertelde zijn moeder in NRC Handelsblad (3). En ondanks dat de rector van de school op Twitter liet weten dat de jongen nog gewoon welkom is, hebben hij en zijn ouders duidelijk niet die indruk.

We kunnen alleen maar gissen wat er precies is misgegaan. Maar zelfs als de school goede bedoelingen had met de rechtszaak, namelijk het beschermen van de privacy van slachtoffer én daders, pakt dit in dit geval duidelijk niet goed uit. De boodschap naar de pesters en hun ouders is wel degelijk dat deze jongen – met de programmamakers, mét zijn ouders- over de schreef is gegaan, dat die jóngen het probleem is en niet de pesters. Dat krijgt de jongen nu op zijn brood, en de pesters voelen zich gesterkt in hun samenzwering, de empathie blijft uitgeschakeld.
Dat is een belangrijk verschil met de andere afleveringen, waar de school (of de voetbalclub) wél overging tot samenwerking met het programma. De groepsnorm werd omgebogen en die ontwikkeling werd vervolgens door de school of de club vastgehouden.

Project P zet de scholen dan ook enorm voor het blok (en in hun hemd). Niemand wil graag horen dat hij tekort schiet, en waar de scholen al maanden of jaren aan het sleutelen waren, lossen zij het probleem in een handomdraai op. Toch doen alle scholen er verstandig aan, te leren van Project P: wat pesten is, hoe structureel het pesten is en hoezeer het verweven is met de groepsnorm. Dat los je niet op met incidentenpolitiek (alleen ingrijpen als je een overtreding ziet) of met een pestprotocol op de plank. Je zult veel meer moeten sturen op een positief groepsproces, waarbij je alle kinderen betrekt en de pestkoppen de kans geeft om te veranderen.
Een dergelijke benadering werkt het beste vanuit een positief geleid schoolklimaat, waarin leerkrachten en schoolleiding zich gezamenlijk inzetten voor veiligheid en respect. Communicatie met ouders is essentieel, maar met tegelijk ook de morele boodschap: pesten op school is schadelijk voor iedereen, dus ook voor uw kind.

Betekent dit, dat ik alleen maar sta te juichen bij Project P? Nou, toch niet helemaal. Er zitten fundamentele bezwaren aan het filmen met een verborgen camera, zoals de rol van het filmende kind dat als enige weet dát er gefilmd wordt. Hij is niet langer alleen subject (zo hij dat ooit was): mogelijk zoekt hij specifieke daders en omstandigheden op. Daarbij is elk televisieprogramma een gemonteerde en dus geselecteerde versie van de werkelijkheid. Er zijn veel achtergronden, die wij niet te zien krijgen, óók bij de pesters. Nu worden deze gelukkig door het programma niet heel negatief in beeld gebracht, maar toch. Ik begrijp de weerstand van het Einsteinlyceum ook wel. Privacy is inderdaad een issue als je een veilige omgeving wilt bieden (maar dat wil niet zeggen dat die omgeving ook inderdaad veilig is, en daar heeft Project P weer een punt). En daarbij gaat het om jonge kinderen, die in een complexe sociale situatie, met een klasgenoot met specifieke problemen, met elkaar moeten (leren) omgaan.

Maar dat ze daarbij een strak moreel kader, onder sterke begeleiding, en confrontatie met hun daden nodig hebben, wordt ook duidelijk. Daar is niet per sé een verborgen camera voor nodig, maar wel volwassenen die hun ogen en oren openhouden en vooral ook wéten wat ze horen: structureel pesten bestaat - naast de fysieke bedreigingen en af en toe een schop- vooral uit tientallen speldenprikken en kleine duwtjes in de rug. Het is te hopen dat de goede elementen van Project P door scholen en sportclubs worden meegenomen. Want we kunnen niet alle tienduizenden kinderen en jongeren die gepest worden, uitrusten met een verborgen camera, inclusief Johnny de Mol en RTL. Wel kunnen we kijken, leren en met elkaar werken aan een veilige school en club voor álle kinderen.


(1)    Je kunt de afleveringen van Project P hier terugkijken: http://www.rtlxl.nl/#!/gemist/project-p-stop-het-pesten-304895
(2) Bij Studio Max Live, donderdag 10 april 2014: http://www.studiomaxlive.nl/uitzending/studio-max-live-donderdag-10-april-2014/
(3)    In NRC-Handelsblad van 14 mei 2014: “`Ze scholden, gingen op zijn rug staan’.”