donderdag 13 november 2014

Niet naar school

Via Twitter volgde ik de berichten van Janine Scherpenberg al een tijdje. Over haar dochter Daphne, die thuis kwam te zitten, nadat het op school (en daardoor ook thuis) slechter en slechter met haar ging.
Hoe afspraken niet nagekomen werden. Hoe de mening, kennis en deskundigheid van ouders stelselmatig opzij werden gezet. Hoe Daphne zelf steeds verder in de knel kwam, tot het moment dat ze niet meer wilde leven. Wat dat met een kind doet, wat dat met een moeder doet…

Onlangs verscheen het verhaal van Daphne in boekvorm, geschreven door haar moeder: Janine Scherpenberg: Thuis is Daphne Daphne. Een indringend verhaal, dat je soms bij de strot grijpt. Dit boek zou verplichte kost moeten zijn voor iedereen die in het onderwijs werkt, maar ook voor ouders die zelf een kind hebben dat in de knel zit, is dit herkenbaar en op die manier een hart onder de riem.
Daphne was een vrolijke kleuter, had veel vriendinnen op school, afspraakjes na schooltijd. Het ging prima met haar, totdat ze leerproblemen bleek te hebben en een ontwikkelingsstoornis. De diagnoses volgden elkaar op (ASS, mogelijk ADHD), maar voor Daphne betekende dit dat ze vaak te horen kreeg dat ze “het niet goed deed”. Een appel, door haar zo prachtig rood/geel overlopend ingekleurd, werd door de juf (groep 1!) meteen afgekeurd als “niet goed”. Hij had volgens de opdracht rood moeten zijn…

Thuis is Daphne een creatief kind, dat prachtig kan tekenen en kleuren, dat geïnteresseerd is in muziek, in sterrenkunde, in de wereld. Op school komt zij niet uit de verf. Het lukt haar niet. Daphne kon niet over naar een volgende klas, en raakte zo haar vriendinnetjes én zelfvertrouwen kwijt. Na een traumatische gebeurtenis op de naschoolse opvang gaat het nog slechter, de moeder vermoedt dat Daphne “selectief mutisme” heeft: een sociale angststoornis waarbij zij in situaties niet meer kán praten. De zorghandelingen van school zijn er dan met name op gericht om haar aan het praten te krijgen. Maar echt begrijpen, laat staan zién, doen ze haar niet.

Niet luisteren naar moeder

Opvallend is het gebrek aan afstemming tussen school en moeder. Als moeder heb je zicht op je kind, maar school kijkt het liever zelf aan. Uitslagen van onderzoeken (tot twee keer toe blijkt uit IQ test dat Daphne een normaal IQ heeft, maar met een disharmonisch profiel (tussen begrip en uitvoering zit een kloof). Maar met dit soort uitslagen werd niets gedaan, ze verdwenen in de map. In de verslagen staat vermeld: “volgens moeder”, of: “moeder vermoedt”, maar daar blijft het ook bij. Er wordt niets mee gedaan. En elk schooljaar opnieuw wil de nieuwe meester of juf het eerst zelf eens aanzien. En voor je het weet ben je dan een jaar verder, een jaar waarin eigenlijk niet echt iets gebeurd is voor Daphne op het gebied van leren. Waarin de achterstand verder oploopt, waarin het zelfvertrouwen afneemt.

Schrijnend ook is de beschrijving van haar selectief mutisme: als Daphne zich onveilig voelt, kán ze niet praten. Dat gaat zelfs zover dat ze in de auto alleen kan praten als alle ramen en deuren dicht zijn. Op een dag breekt ze haar pols. Bij de dokter en in het ziekenhuis geeft Daphne geen kik, maar eenmaal in de auto begint ze keihard te huilen.
De verschillende scholen die Daphne bezoekt, blijken vast te zitten in hun eigen stramien. Regels zijn regels, methoden zijn methoden, ook al werken ze niet voor Daphne. Van autisme en selectief mutisme begrijpen ze niet veel, even rustig in de klas mogen blijven als de anderen buiten spelen is er voor Daphne niet bij. Dat blijkt wèl te kunnen als ze een gebroken pols heeft. Zes heerlijke weken voor Daphne, omdat je gips wel kunt zien…

Aanwezigheidsplicht

Steeds duidelijker wordt dat school voor Daphne niet werkt. Dat ze ná school nog sommen moet maken die in de klas, onder veel druk, niet lukken. Dat ze thuis wel kan praten en op school niet. Maar op school kon ze niet vragen wat ze niet begreep. Ze moest alles zelf oplossen. Of kreeg ze te horen dat op haar vingers tellen (automatiseren lukte niet, hoewel ze wel het inzicht in rekenen had) “voor kleuters” was. Dat kan echt niet als je al elf bent. De boodschap voor Daphne was duidelijk: ze was fout en kinderachtig.

“Het stomste wat ik ooit had gedacht is, dat ik er vanuit ging dat leerkrachten inzicht hadden in hoe kinderen leren. De lerarenopleiding bestaat er denk ik vooral uit hoe je kinderen het programma naar binnen drukt. Begrijp je het niet? Hier nog een keer. Nog een keer. Nog een keer. Tot het kind gek wordt. Dat is met Daphne gebeurd. Daphne was een verlegen, pratend meisje met veel vriendinnetjes in het begin op school. Zij is helemaal 'gek' gemaakt. En niemand die daar iets van wil horen.” (p.114)

Oplossingen worden gezocht in behandelcentra, in speciaal onderwijs, waar ze tussen allemaal kleine jongetjes met autisme terecht komt. Terwijl ze thuis Engels leert uit de boeken van haar broer, en alles opzoekt over planeten. Terwijl ze elke keer opnieuw moet uitrekenen dat zeven plus acht vijftien is, maar wel weet dat de afstand tussen de zon en de aarde 150 miljoen kilometer is.

Uiteindelijk is Daphne helemaal overspannen. Het is allang duidelijk dat ze zich thuis veel beter ontwikkelt dan op school, maar daar kan geen sprake van zijn Ze moét naar school, er is immers leerplicht? Dat ze op school niets leert, doet daar niets aan af. Dat ze op school geen raad met Daphne weten, ook niet. Als ouders voorstellen om Daphne een dag in de week thuis te laten werken zodat ze op z'n minst haar taken af kan krijgen is dat nog best lastig. Dit wordt toegestaan als dat een tijdelijke oplossing is. Daphne werkt in een ochtend dan wel het werk van een halve schoolweek weg. Leerplicht blijkt neer te komen op aanwezigheidsplicht, maar in wiens belang? Niet in het belang van Daphne.

School (inmiddels speciaal onderwijs) blijkt steeds onveiliger voor Daphne. Hoewel zij juist geen agressief gedrag vertoont maar bij onveiligheid juist blokkeert, verstijft, wordt er soms door twee volwassenen fysiek ingegrepen. Als de moeder daarover op school komt praten, is men vooral beledigd. Maar de leerplicht blijft. Een verblijf in een kliniek, vijf dagen, eventueel met overnachting, zou volgens de deskundigen een oplossing zijn. Terwijl ze, inmiddels thuiszittend, zo goed ging. Tot rust kwam, piano speelde, filmpjes maakte. Maar daar kon geen sprake van zijn. Ouders zien dat het voor Daphne funest is als zij weer naar school zal moeten en vragen bij deskundigen om haar vrij te stellen van de leerplicht. Het enige alternatief wat geboden wordt, is echter verblijf in een kliniek. Instanties richten zich op projecten om haar alsnog op school te krijgen of bij instellingen voor zwakbegaafde kinderen onder te brengen. Het verzorgen van onderwijs van het kind komt niet eens aan de orde. De school zegt geen geld voor haar te hebben.

De positie van ouders

Als er iéts in dit boek duidelijk wordt, is het wel hoe slecht er naar ouders geluisterd wordt. Hoe oneindig veel machtiger (en lakser) scholen en professionals staan ten opzichte van de ouders. Afspraken worden niet nagekomen, testuitslagen worden niet opgepakt als aanknopingspunt om het kind verder te helpen, maar verdwijnen in het dossier. Leerkrachten proberen allemaal hun eigen kunstjes en trucjes uit, maar leren niet van het kind, niet van de ouders en niet van elkaar. Over de beschikbare financiële middelen wordt gelogen, het geld komt niet terecht waar het voor bestemd is: het kind zelf. En boven alles staat dat Daphne naar school moét: dat is immers goed voor haar sociale ontwikkeling? Terwijl uit alles blijkt dat het niet zo is. Tot het moment dat Daphne helemaal niet meer wil leven.

Dit boek is het verslag van het gevecht van ouders voor hun kind. Een kind dat in de knel komt in het huidige systeem. Dat systeem is er niet voor dit kind, maar dat wil niemand horen.

Daphne zit nu thuis, eindelijk rust. Eindelijk ruimte om zichzelf op haar eigen manier, in haar eigen tempo, te ontwikkelen. Ondanks het schooladvies voor PRO/BBL, volgt ze nu MAVO afstandsonderwijs, praat ze en speelt ze piano. Haar verhaal wordt nu verteld door haar moeder en is helaas herkenbaar, op punten, voor zoveel ouders naar wie niet geluisterd wordt. De overheid en de samenleving staan altijd klaar om ouders te wijzen op hun verantwoordelijkheid in de opvoeding. Maar wanneer een kind in de knel komt te zitten, staan diezelfde ouders tegenóver instanties, in plaats van naast. Dan wordt er niet naar ze geluisterd, maar gedreigd met maatregelen.

En daarom moet iedereen dit boek lezen: ouders, leerkrachten, schoolleiders en beleidsmakers. Omdat je mooie theorieën kunt hebben, maar als je niet kijkt hoe die uitpakken, ben je geen lerende organisatie. Omdat de theorieën voor de kinderen zijn en niet andersom.






Janine Scherpenberg: Thuis is Daphne Daphne. Piramidons 2014. Met een voorwoord door Katinka Slump, onderwijsadvocate die zich onder meer inzet voor thuiszitters.


Lees meer over thuiszitters:


maandag 10 november 2014

Naar de boeren!

Afgelopen dinsdagmorgen ging ik met mijn ouders (85 en 82) naar het Verzetsmuseum in Amsterdam. Er was een tentoonstelling over de kinderuitzendingen in de hongerwinter, een onderwerp waar veel mensen eigenlijk nauwelijks weet van hebben.

Hongerwinter

In de winter van ’44-’45 was er met name in de grote steden nauwelijks meer iets te eten (en daarnaast amper brandstof om eten op te bereiden). Mensen stonden uren in de rij voor een pannetje waterige soep. De situatie was nijpend, met name voor kinderen. Mensen stierven van de honger en duizenden verzwakte kinderen dreigden om te komen. Vanuit vooral de kerken ontstonden initiatieven om kinderen uit de steden bij boeren in de provincies onder te brengen. Op het platteland was vaak nog wel iets te eten. De Duitse bezetters stonden dit oogluikend toe, vooral omdat ze bang waren voor opstand onder de hongerende bevolking.
Met schepen of vrachtwagens werden kinderen (tussen de 5 en 15 jaar oud) naar het platteland: Friesland, Overijssel, Groningen gebracht. Deze transporten duurden lang, vonden vaak `s nachts plaats uit vrees voor beschietingen. Na een lange en afschuwelijke tocht arriveerden kinderen bij hun gastgezinnen. Wildvreemden die ze vaak niet eens konden verstaan. Maar ze kregen te eten en zo overleefden ze de oorlog.

Aanvankelijk was er niet veel bekend over deze kinderuitzendingen, die toch minimaal zo’n 40.000-50.000 kinderen hebben omvat. Er waren wat verslagen van vlak na de oorlog, van de organisatoren zelf. Maar een paar jaar geleden kwam één van de kinderen die destijds zelf uitgezonden was, op het idee om verhalen te verzamelen van de (destijds) kinderen zelf, die inmiddels ruim 70 jaar oud waren. Mijn moeder heeft destijds met haar verhaal gereageerd op een oproep in het blad van de Katholieke Ouderenbond. Met haar reageerden zo’n 200 anderen. Uit die verhalen en de nodige research is een boek samengesteld: Fans Nieuwenhuis: Naar de boeren! Kinderuitzendingen in de Hongerwinter. 
En nu is er een tentoonstelling over dit onderwerp in het Verzetsmuseum in Amsterdam, nog te zien tot 12 april 2015. Het thema wordt verteld aan de hand van de verhalen van zeven mensen die destijds als kind werden uitgezonden. Mijn tip: lees eerst het boek van Nieuwenhuis, die zelf ook één van de verhalenvertellers van de tentoonstelling is. Het boek zelf is al enorm aangrijpend in de nuchtere weergave van feiten. De verhalen, ervaringen van de kinderen zelf, komen vooral in de tentoonstelling tot leven.

Het boek

Allereerst de omvang van het drama. De honger in de steden. Een man in de rij voor de gaarkeuken die neervalt op straat. Dood. Het kind dat het ziet gebeuren. Het overzichtje van de hoeveelheid calorieën die nog beschikbaar waren via de voedseldistributie: April 1941: 1800. November 1944: 650. Januari 1945: 550. (Normaal aanbevolen voor volwassenen: vrouwen 2100, mannen 2500 Kcal bij gemiddelde activiteit).
“De doktoren en verpleegsters in het Zuiderziekenhuis in Rotterdam – ze werkten dag en nacht- kregen midden februari als ontbijt één sneetje droog brood met een kopje surrogaat thee, om twaalf uur twee aardappelen, één eetlepel groente en waterige saus, en `s avonds één of twee sneetjes droog brood met een bord ‘soep’, meestal gemaakt van suikerbietenaftreksel afkomstig uit de gaarkeuken.” (FN p. 27)
De “selectie” van kinderen, die medisch gekeurd werden en in klassen werden ingedeeld: klasse I ‘dringend noodzakelijk’ omvatte 22 procent van de kinderen. Dat hield in dat deze kinderen ernstig ondervoed waren en het anders niet meer zouden redden. Een kind van 6 jaar oud dat slechts 15 kilo woog, werd onderweg opgevangen, verder transport was niet verantwoord.

De kerken speelden een belangrijke rol bij de kindertransporten, en het was een operatie van enorme omvang. Terwijl er amper communicatie mogelijk was (er was vrijwel geen telefoonverkeer meer mogelijk, evenmin als post) evenals transport (geen benzine of diesel meer, nauwelijks vrachtwagens. Vervoer was gevaarlijk vanwege gevaar van beschietingen, vond meestal `s nachts plaats. Mijn moeder ging destijds met een vrachtwagen naar Zurich, voorbij de Afsluitdijk. Meteen na het transport werd de Afsluitdijk voor alle verkeer gesloten). Toch slaagde men erin deze omvangrijke operatie te organiseren. Nieuwenhuis stelt heel terecht de vraag hoe zoiets in deze tijd tot stand zou komen en vooral door wie.

Aangrijpend (zacht uitgedrukt) was het verhaal over een schip met baby’s, dat in het donker op weg was naar Stavoren en uit de vaargeul raakte. De honderd baby’s waren zodanig verzwakt dat ze 10 dagen of minder te leven hadden, een kaartje met hun naam erop om de dunne nekjes. De eerste nacht waren 20 van de 100 baby’s al overleden… Uiteindelijk bereikte men Enkhuizen, waar de stadsomroeper de straten rondging om hulp te vragen. Uit de huizen kwamen mensen met kinderwagens en de baby’s werden opgevangen, tussen warme kruiken gelegd en er werd verdunde melk door de lipjes gedruppeld. Toen het transport verder wilde was géén van de opvangende moeders nog bereid om de baby af te staan, ze bleven in Enkhuizen. Na de oorlog gingen de kindjes terug naar hun ouders, maar één meisje, destijds 6 maanden oud en 4 pond, bleef in Enkhuizen bij haar nieuwe ouders, waar ze opgroeide en later ook trouwde. De organisatrice van het babytransport, mevrouw Wijsmuller*, sprak bij haar huwelijk.

De tentoonstelling

De tentoonstelling is opgezet rond de zeven mensen met hun persoonlijke verhalen en omvat verschillende thema’s: de hongerwinter, het transport zelf (met kinderen die te verzwakt waren om nog `lastig’  te kunnen zijn, die ziek werden van de pap omdat hun lichaam niet meer in staat was voeding op te nemen), het gastgezin waar de kinderen op verhaal werden gebracht (“De eerste dagen dat ik er was kwamen alle buren kijken hoe mager ik was. Ik moet er wel heel erg uitgezien hebben”) het contact met thuis: heel soms kwam er een brief door, vaak was er maandenlang geen contact of gingen ouders lopend op zoek naar hun kind… Juist door de persoonlijke verhalen komen die thema’s enorm binnen. Zoals het verhaal van de vrouw die vertelde hoe ze als meisje van 11, 12 jaar een baby in handen gedrukt kreeg, van een onderduikende moeder. De baby maakte teveel geluid… Onderweg hield ze het kindje maar zo goed mogelijk warm, en was ze bang dat de Duitsers het zouden ontdekken. En bij aankomst werd de baby haar ook weer afgenomen, ze heeft nooit geweten hoe dat meisje heette.
Of het transport per vrachtwagen, waarin achterin ook nog drie onderduikers zaten. De lichten van de Duitsers schenen over de kindergezichtjes, de onderduikers werden niet gevonden.
Of het verhaal van Paul van Vliet, die door zijn eigen ervaringen als oorlogsvluchteling (onderweg werd het schip beschoten, iedereen moest aan de wal, achter de dijk schuilen) zo gegrepen was, dat hij zich nadien inzette voor Unicef.

Mijn ouders 

Ook de verhalen van mijn eigen ouders, die we later bij een kop koffie in het café naast het Verzetsmuseum nog eens ophaalden. Hoe mijn moeder door vermoedelijk de pastoor tussen een kindertransport van de BPM (de Bataafse Petroleum Maatschappij, het latere Shell) werd geschoven en in Friesland terecht kwam. Bij het eerste gezin was ze eigenlijk niet welkom, ze was er zo ongelukkig. De bovenmeester regelde een ander adres voor haar. Ze moest er alleen naartoe en durfde eigenlijk niet aan te bellen. Ze deed het toch en werd zó warm ontvangen, zo gekoesterd dat ze tot op de dag van vandaag contacten onderhoudt met haar “familie uit Friesland”.  Of het verhaal van mijn vader, die niet bij een kindertransport hoorde, maar op eigen houtje, via contacten vanuit de parochie, van Amsterdam-Zuid met zijn broertje naar De Rijp (Noord-Holland) liep. Het was winter, mijn vader en zijn broer waren ondervoed, de koude handen in de zakken van de veel te dunne jassen gestoken. Ze vielen, mijn vader kwam recht op zijn gezicht terecht en het gastgezin haalde er meteen de dokter bij. Die zei: “vooral niet teveel eten geven, anders gaat hij dood.”

Ze hebben het gered, allebei en ik heb in Amsterdam met mijn beide ouders nog kunnen kijken en napraten. En bij thuiskomst brandde de kachel, kwam er warm water uit de kraan en kon ik een lekkere maaltijd maken voor man en dochter. En pas nu bedenk ik dat, als die uitzendingen er niet geweest waren, ikzelf er waarschijnlijk ook niet zou zijn.


Frans Nieuwenhuis: Naar de boeren! Kinderuitzendingen in de Hongerwinter. Rotterdam: Ad. Donker 2010.
Verzetsmuseum Amsterdam: Naar de boeren! Expositie t/m 12 april 2015. http://www.verzetsmuseum.org/museum/nl/exposities/naar-de-boeren

*Mevrouw Wijsmuller-Meyer heeft vele, vele kinderlevens gered: http://nl.wikipedia.org/wiki/Truus_Wijsmuller-Meijer

vrijdag 24 oktober 2014

Bij de presentatie van de nieuwe editie Consuminderen met Kinderen

(tekst, uitgesproken bij de boekpresentatie van de nieuwe editie van Consuminderen met Kinderen, van Marieke Henselmans. 24 oktober 2014 bij Broese, Utrecht)

Geachte aanwezigen, lieve Marieke

Toen ik zestien jaar geleden mijn dochter kreeg… nee, ik moet langer terug in de tijd. Toen ik negen jaar, was, bijna tien, kreeg mijn oudste zus een tweeling. Twee dochtertjes. Voor mij als kersverse tante was dat natuurlijk het paradijs, daar kan geen babyborn tegenop (maar die bestond nog niet). Extra handen waren natuurlijk altijd welkom, en in die tijd waren er nog gewoon katoenen luiers. Ik hielp met badderen, flesjes geven en luiers vouwen. En omdat ik drie oudere zussen heb, was er in de jaren daarna elke paar jaar wel een nieuwe baby om vast te houden en te zien opgroeien.

Toen ik mijn dochter kreeg verheugde ik me dus al op de katoenen luiers, waarvan ik grote stapels op koninginnedag had gekocht. Plastic strikslips bleken nog steeds te koop. En natuurlijk kreeg ik ook de lijst onder ogen van wat je allemaal moet aanschaffen als je een kind krijgt. Maar ons budget was zeer beperkt. Gelukkig vonden we tweedehands een mooie grote wieg, die mijn man netjes overschilderde. Samen met mijn moeder maakte ik de bekleding en het matrasje. Vanuit alle windstreken bereikten mij zakken vol met babykleertjes, zodat ik het – gezeten op de grond, samen met mijn schoonmoeder- voor het uitzoeken had. Mijn vader timmerde naar mijn ontwerp de commode, het geboortekaartje tekende ik zelf en zo waren we er helemaal klaar voor. Ik heb die katoenen luiers nog best een tijdje volgehouden: de kraamzuster kwam met de geweldige tip dat schilderstape makkelijker en veiliger waren dan dat geprik met spelden en een goede vriend (ook huisvader) leerde mij een nieuwe vouwtechniek met dubbele plasgoot. Toen mijn baby groter werd stapte ik over op wegwerpluiers maar Pampers heb ik nooit gekocht.

Van huis uit heb ik, behalve veel liefde en familie, ook een bepaalde zuinigheid meegekregen. Of zo je zeggen wil, relatief weinig materialisme. Dure etentjes waren er wel (vanwege mijn vader’s bedrijf) maar met de hele familie pannekoeken eten, of picknicken in het Amsterdamse Bos, was véél gezelliger. Je begrijpt dat het boek Consuminderen met kinderen, dat verscheen toen mijn dochter een jaar was, bij mij helemaal in goede aarde viel. De vindingrijke tips om het met weinig geld goed te hebben, kwamen me zeer goed van pas. Daarnaast was de schrijfster op een heel prettige manier een ervaren grote zus, met talloze tips over voeden en opvoeden.

En daarmee vond ik het meteen ook een heel bijzonder en belangrijk boek, in al zijn bescheidenheid. Want anders dan ik, hebben veel van mijn leeftijdgenoten en al helemaal de jongere generaties, vrij weinig ervaring met baby’s en kinderen. Als je zelf maar één broer hebt, en nauwelijks neven of nichten, is het waarschijnlijk dat de eerste baby die je in handen krijgt, die van jezelf is. Informatie komt dan al gauw vanuit de commercie: alle reclames en glossy’s met de mooiste, duurste spullen. Het boekje Consuminderen is een goede tegenhanger, die alle koopdrift heerlijk relativeert vanuit de vraag: wat heb je echt nodig, en wat is onzin die je aangepraat wordt? Nou, ontzettend veel in de supermarkt en andere winkels blijkt onzin die je aangepraat wordt. Het bleek ook voor mij niet eenvoudig om tegen de stroom in te zwemmen, zeker niet toen mijn dochter wat ouder werd en de Ligakoeken (2 in een pakje!), Sultana’s (drie!)  en pakjes drinken op school de regel bleken te zijn en mijn dochter met haar mandarijntje de uitzondering (waarbij commentaar van de andere kinderen natuurlijk niet uitbleef). Mijn voorstel om alle kinderen fruit, of thee met desnoods één biscuitje te laten eten, werd weggewuifd als betuttelend. En ondertussen deed de marketing via de leeftijdgenootjes haar werk.

Ouders van nu hebben meer dan ooit te maken met druk vanuit marketing. Niet alleen op hun eigen leven: je moet de juiste koffiemachine hebben, sushi, speltbrood of juist cupcakes eten maar ook naar de sportschool, je hebt natuurlijk een perfect leven en een perfect huis en een perfect lichaam, maar ook je kinderen zijn helemaal perfect en gezond, met blije gezichten en kleertjes van het juiste merk. Dat de meeste ouders zich helemaal suf rennen en werken om dit allemaal voor elkaar te krijgen en daarin in de verste verte niet slagen, daarover kan Brigitte Kaandorp veel leuker vertellen dan ik. Maar dat ouders zich helemaal suf rennen, dat is zeker. Opmerkelijk is dat in de algemene opinie alleen de ouders verantwoordelijk gehouden worden voor het nee zeggen tegen alle verleidingen; over de voortdurende terreur van kindermarketing in de supermarkt, in de reclamefolders, in alle televisiezenders en spelletjes op internet, en niet in de laatste plaats via leeftijdgenootjes, daar hoor je niemand over. Voor deze ouders, voor álle ouders, is het boekje Consuminderen een enorme steun in de rug, juist vanwege de praktische inslag. Ik ken geen ander boek dat zo nuchter weerwerk biedt tegen de reclameterreur die juist ouders zo onzeker maakt: je wilt toch immers het beste voor je kind? Consuminderen laat zien dat dat vanzelf spreekt, maar dat dat alleen niet het duurste hoeft te zijn. Besparen is op alle fronten mogelijk en – dat is nu zo fijn- je mag helemaal zélf kiezen: wat vind jij belangrijk? De een wil graag minder werken, de ander wil langer op vakantie of domweg gewoon kunnen rondkomen. Marieke laat zien dat je hierin zelf het stuur kunt overnemen.

Maar er was nog iets anders wat me trof in het boek Consuminderen, dat ik op die manier nog in geen enkel ander boek tegen was gekomen: en ik citeer:

“dit is waar de ouders van een eerste kind zo van schrikken. Mensen bereiden zich voor op de komst van een baby door een vermogen uit te geven aan de babykamer. Dat is lief en goed bedoeld. Alleen, wat blijkt: de baby wil die schattige muziekdoos niet, hij huilt als je hem die poppige kleertjes aandoet en in de prachtige wieg wil hij helemaal niet liggen. Hij wil jou. Hij wil meer geduld dan je ooit vermoedde in huis te hebben.”

Dit trof me zó diep, was zó herkenbaar. Het was niet alleen een enorme troost vanwege het diepe inzicht dat ouderschap betekent dat je méér liefde, geduld en aandacht zal moeten (en willen!) geven dan je ooit voor mogelijk had gehouden in je te hebben, dat dit ook een angstig en beklemmend gevoel kan geven. Maar ook een eye-opener: alle spullen in de wereld kunnen mij niet vervangen. Dit is in alle beknoptheid de kern van ouderschap, ja van het leven zou ik zeggen. Dat alle spullen in de wereld niet opwegen tegen aandacht en liefde, of zoals Marieke schrijft: “the real thing”.


Daarom ben ik zo blij dat er nu een nieuwe, geheel herziene editie is, klaar om een nieuwe generatie jonge ouders te ondersteunen in hun moeilijke taak kinderen groot te brengen in een veeleisende samenleving waarin het gezond verstand soms lijkt te ontbreken. Het helpt je “nee” te leren zeggen in een wereld waarin je overal “ja” op lijkt te moeten zeggen, maar niet vanuit een opgeheven vingertje, maar vanuit de vraag: welke keuzes zijn echt die van jezelf en welke worden je aangepraat? Wat is voor jou belangrijk? Aangevuld met ervaring van gezinnen en terugblikjes van Marieke zelf en haar zonen, die met heel concrete voorvallen laten zien wat er achteraf echt toe heeft gedaan en wat niet. Een praktische, maar ook morele gids in deze woelige tijden.  Ik hoop dat zeer veel ouders hier net zo veel steun en plezier aan gaan hebben als ik destijds heb gehad. Marieke, van harte gefeliciteerd!


Marieke Henselmans: Consuminderen met kinderen. Wat geef je ze mee? Feestelijke, herziene editie. Forte Uitgeverij, 2014. €18,95

zondag 28 september 2014

Pragmatisme is ook politiek

Scherpe observatie van Floor Rusman in NRC van 16 september: “Die  `pragmatische’ aanpak is net zo goed politiek”: premier, ministers en staatssecretarissen verkopen hun beleid als enig mogelijke en bovendien noodzakelijk antwoord op ontwikkelingen in de samenleving in plaats van als ideologische keuze.  

Voorbeelden die Floor geeft: "Zo sprak Mark Rutte in zijn H.J. Schoo-lezing van vorig jaar over `problemen oplossen' alsof maatschappelijke problemen puzzels zijn met maar één oplossing, waarover links en rechts het eens zijn." Edith Schippers zei in een interview in de Volkskrant over zorg: "Je kunt alles vanuit de ideologie aanvliegen. Maar dat lost voor de mensen zo weinig op. Ik wil problemen oplossen, anders vind ik er niets meer aan." Terwijl Jeanine Hennis vorig jaar in een interview in NRC zei: "Dan krijg je de neiging om luchtkastelen te bouwen. (...) ik toon graag enige realiteitszin."  (Samengevat uit het opiniestuk van Floor Rusman).

Waarom doen ze dat? Floor vermoedt dat ze dit doen doordat dit kabinet geen gedeelde visie heeft, maar dat lijkt niet logisch: ze volgen immers wel dezelfde verkoopargumentatie en zijn daar zelfs opvallend eendrachtig in. 

Twee alternatieve verklaringen lijken me waarschijnlijk. De eerste is dat het benoemen van je ideologie in deze postmoderne tijd taboe is: waarheid is immers betrekkelijk, iedereen heeft recht op zijn of haar eigen waarheid. Zonder ideologie ben je dan wel zo veilig, het scheelt een hoop zinloze –want er is geen waarheid- discussies. Het scheelt ook het verwijt van "linkse hobby", variërend van maakbaarheidsgeloof tot communistische heilstaat (in alle varianten regelmatig op twitter en andere fora te beluisteren, de verwijzing naar Noord Korea komt ook altijd wel eens langs).

Maar die ideologie is er wel degelijk en -dat is de tweede verklaring- zit verpakt in alle ontwijkende argumenten van politici: het neoliberale marktideaal. Marktwerking (gedragen door zelfstandige en bewust kiezende consumenten) is volgens dit geloof inherent goed en de eisen van de markt zijn daarmee de eisen van de politiek. Ieder protest is een teken van het falende – verkeerd kiezende- individu, want aan de markt kan het immers niet liggen. 

Steeds duidelijker wordt dat de politiek er niet langer voor de burgers is, maar alleen nog voor de markt. De gedachte dat de markt goed zou zijn voor burgers is allang ondergraven, de winst van dit systeem gaat immers naar een kleine bevoorrechte groep terwijl de kosten (milieu, gezondheid en werkzekerheid) worden afgewenteld op het gewone volk. Maar ja, tot welke kaste behoren politici? I rest my case.

zondag 17 augustus 2014

Alles over Pesten

Lieve allemaal

Er is de afgelopen maanden veel gebeurd. Afgelopen mei verscheen mijn boek “Alles over pesten”. In dit blog wil ik een overzicht geven en een antwoord op de volgende vragen:
1)      Waarom schreef ik dit boek, wat zijn de achtergronden ervan?
2)     Hoe verliep de boekpresentatie?
3)     hoe werd het boek ontvangen?
4)     en hoe zou ik willen dat het verder ging?

1.Dit boek heeft zijn wortels in mijn eigen pestverleden. Ik ben gepest vanaf de kleuterschool tot en met 5vwo. Natuurlijk niet de hele tijd, en uiteraard heb ik niet alleen máár pestherinneringen. Maar wel veel en het heeft me in belangrijke mate gevormd.
Pesten slaat diepe wonden en laat pijnlijke littekens achter, zéker als het langdurig en structureel pesten is (geweest). Op zich vond ik dat ik er ook goede dingen aan over heb gehouden. Ik ben (en was misschien altijd al) een onafhankelijk denker. Juist omdat ik niet zoveel te verliezen had – wat ik ook deed, ik hoorde er toch niet bij- kon ik doen wat ik zelf belangrijk vond. Vooraan zitten bij colleges en vragen stellen, bijvoorbeeld. Het heeft me veel gebracht: professoren die me zagen staan, ontmoetingen met interessante kopstukken. Het heeft me ook veel gekost, waar ik ook hulp voor gezocht heb bij pestexpert Theo Klungers. Die gesprekken hebben me enorm geholpen, en later bleek dat ik vanuit mijn sociologische en pedagogische achtergrond ook veel aan zijn werk kon bijdragen.

Als moeder werd ik opnieuw geconfronteerd met pesten, nu bij mijn dochter. Ik merkte hoe weinig er veranderd was in al die jaren, terwijl er inmiddels toch wel minstens twintig jaar kennis uit onderzoek en publicaties moest zijn. Deze kennis viel in de praktijk dus bar tegen, maar ook in boeken over pesten miste ik ook de realiteit: waar je als gepeste of als ouder tegenaan loopt: ontkenning, beschuldiging, scholen die niet thuis geven, leerkrachten die vinden dat je kind niet weerbaar genoeg is, andere ouders die vinden dat pesten nu eenmaal bij de jeugd hoort want “kinderen zijn nu eenmaal wreed.”

Toen de staatssecretaris van onderwijs, Sander Dekker, en kinderombudsman Marc Dullaert hun plannen voor een anti-pestbeleid voorbereidden, heb ik daarom samen met Theo Klungers een document opgesteld, waarin wij een overzicht gaven van elementen die in het beleid niet mochten ontbreken. De rol van de leerkracht en de school bijvoorbeeld. Vervolgens sprak ik op een conferentie over mijn eigen pestverleden en na afloop kwam een dame van de uitgeverij naar me toe. Ze vertelde dat ze een boek wilden gaan uitgeven over pesten, en dat ze graag wilden dat ik dat zou schrijven. Dat kwam goed uit, omdat ik dat eigenlijk toch al van plan was.

In dit boek ben ik gaan graven naar de wortels van pesten: waar komt het vandaan, welke verklaringen zijn er. Zowel op individueel niveau (welke kinderen worden eerder gepest en waarom, welke kinderen pesten en waarom), als op groepsniveau, schoolniveau en in de samenleving zocht ik naar verklaringen én oplossingen voor pesten. Ervaringen in de praktijk, van mezelf en vele andere bijdragen, worden in verband gebracht met theorieën uit de psychologie, sociologie en biologie. Voor iedereen die met kinderen te maken heeft, voor ouders van gepeste kinderen, voor omstanders, voor mensen die zelf gepest worden of werden, voor schoolleiders en leidinggevenden in bedrijven en instellingen, voor beleidsmakers. Kortom, een boek voor iedereen. Want pesten is geen op zichzelf staand verschijnsel, maar houdt verband met processen van samenleven, van in- en uitsluiting op kleine en grote schaal.

Wat ik met dit boek wil is zoveel mogelijk mensen bereiken. Enerzijds de gepesten en hun ouders een hart onder de riem steken: je bent niet de enige en de schuld van pesten ligt voor het belangrijkste deel niet bij het slachtoffer (maar ook niet per sé bij de dader en diens ouders, trouwens). Maar anderzijds ook aandacht vragen voor het onderwerp pesten bij iedereen die met groepen mensen (al dan niet kinderen) te maken heeft. We leven in een ingewikkelde wereld en samenleven is soms lastig. Daarbij maken sommige contexten extra voor pesten en dan is het belangrijk dat betrokkenen zoals leraren in het onderwijs, mensen die in instellingen werken of leidinggevenden op de werkvloer, kennis hebben van groepsprocessen en pesten. Nogmaals niet om hen de schuld in de schoenen te schuiven (hoewel ik het wel belangrijk vind dat dit aspect besproken wordt), maar om meer kennis en vooral handvatten te geven. 

Met dit boek wil ik ook misstanden en misverstanden over pesten aanpakken. De belangrijkste zijn dat pesten ligt aan het gedrag van het slachtoffer en dat pesten nu eenmaal bij kinderen hoort of noodzakelijk is voor het opgroeien. Dat klopt niet: pesten is een uiting van spanning en onzekerheid in groepen, ligt dus niet aan het slachtoffer maar aan de groep. Veel gedrag van het slachtoffer is juist het gevolg van pesten (en ja, dan lokt het verder pesten uit). Pesten is een uiting van een verziekte sfeer en niemand wordt er beter van: niet het slachtoffer, niet de daders en ook niet de meelopers.
Vaak wordt gezegd: `pesten is een menselijke behoefte' of 'het is een dierlijke behoefte, dieren stellen immers ook de pikorde in de groep vast'. Daarbij wordt vergeten dat dieren ook grenzen stellen aan pesten, en dat extreem pesten ook bij dieren wijst op extreme spanningen in de groep (bijvoorbeeld in een dierentuin, bepaald geen natuurlijke setting). Groepen kunnen onder druk grijpen naar het middel pesten, maar dat wil niet zeggen dat pesten ook noodzakelijk is. Uiteindelijk heeft iedereen in de groep er last van en vaart de groep wel bij positief leiderschap. Dit is overigens ook een gevaarlijke misvatting: leerkrachten die denken dat pesten natuurlijk is, grijpen minder snel in. En het wordt door anderen ook gebruikt als rechtvaardiging voor het pesten: zo is de natuur, zo is het leven nou eenmaal. 

Een misstand is dat er ook (wel eens) door scholen en/of leerkrachten gepest wordt: een kind is altijd het pispaaltje, of het krijgt overal de schuld van. Of scholen vinden dat ze al genoeg aandacht aan pesten besteden, en zeggen dat ze niets kunnen doen. Vaak wordt het gepeste kind (of de ouders) verweten dat het niet weerbaar genoeg is. Ook tussen collega’s kan gepest worden en natuurlijk kan een klas ook een leerkracht wegpesten. Dit soort gebeurtenissen komen in de praktijk veel voor, maar krijgen nauwelijks aandacht in theorie of beleid rond pesten. Veel boeken zijn erg beperkt in hun focus of definitie van pesten, of ze gaan uit van een bepaald anti-pestprogramma. Met mijn boek probeer ik zo breed mogelijk te kijken naar het verschijnsel pesten, om daarna pas oplossingen te geven.

2. Op 21 mei 2014 nam  Kinderombudsman Marc Dullaert het eerste exemplaar van mijn boek in ontvangst, bij Uitgeverij Boom aan de Prinsengracht in Amsterdam. 

De toespraak die ik hield is hier te lezen. Achteraf hoorde ik dat er in de zaal menig traantje werd weggepinkt.
Het tweede exemplaar was trouwens voor mijn ouders (en dat was het moment dat bij mij de emoties overliepen). 

Er is maar weinig wat echt beschermt tegen pesten. Er is wel iets wat beschermt tegen de pijn van pesten, en dat is verbondenheid met je familie. Overigens was het voor mij een dubbel feestelijke gebeurtenis, want het was ook nog eens mijn verjaardag J.

3. In de J/M voor Ouders van Mei 2014 stond al een prachtig interview. En op de dag van de presentatie verscheen een recensie op Sociale Vraagstukken (Hanneke Felten). Met socioloog Henk de Vos had ik leuke discussie naar aanleiding van zijn blog over mijn boek.
En al heel snel stond er een heel mooie review op bol.com met 5 sterren!!!  

De nieuwsbrief van Buro Bloei kwam met een mooi verslag: 


en op Pestweb  verscheen een heel positieve bespreking 


Kees van Overveld plaatste een fijne recensie op Twitter: 

In Trouw van 9 augustus 2014 verscheen een interview: 


en in Psychologie Magazine (september 2014)een superfijne recensie:



Kortom, mijn boek wordt gelukkig goed ontvangen. Op maandag 18 augustus ben ik te gast in het lunchprogramma van RTV-NH (radio). Eerder was ik te horen in het nachtprogramma van Alfred Blokhuizen op RTV Rijnmond 


4. Hoe het verder gaat? Ik hoop natuurlijk dat zoveel mogelijk mensen dit boek gaan kopen en lezen. Verder hoop ik dat het gebruikt gaat worden in opleidingen en op pabo’s. En zelf ga ik nadenken over mijn volgende boek(en) en blijf ik schrijven over allerlei onderwerpen op het gebied van opvoeding, onderwijs en (andere) maatschappelijke ontwikkelingen. Vrijwel elke maand verschijnt er een column van me op Sociale Vraagstukken en er zijn vergevorderde plannen voor een radiocolumn op RTV Rijnmond, in het nachtprogramma van Alfred Blokhuizen. Kortom, jullie horen van me. 


Mieke van Stigt: Alles over Pesten. Uitgeverij Boom Amsterdam, 2014. Bij de boekhandel of via internet 24,95 euro. ISBN 978 90 8953 251 0

vrijdag 15 augustus 2014

Van alle tijden

Eric van Eerdenburg, directeur van het grote popfestival Lowlands, verbaast zich er op de site van De Volkskrant (15 augustus -1) over hoe weinig woede er is onder de jeugd. Niemand die stoeptegels uit de straat rukt om te protesteren, zoals in de jaren tachtig van de vorige eeuw (Eric’s jeugd!). Maar ja, de huidige jongeren hebben het zo goed. In zíjn jeugd had je geen huis, geen baan en ook geen zicht daarop. Deze jongeren zijn niet recalcitrant, maar zouden zich volgens hem ook nu enorm boos  kunnen maken over politiek of milieu…

De huidige jeugd lijkt meer op de jongeren van de jaren tachtig dan Van Eerdenburg denkt. Ook voor hen zijn huizen en banen helemaal niet vanzelfsprekend meer. En het milieuvraagstuk is urgenter dan ooit. Waarom zijn ze dan niet recalcitrant? Omdat de tijdgeest veranderd is. In de huidige ideologie is er sprake van kansen voor iedereen, en zelfs een plicht om die in elke situatie ook te zien. Een burn-out? Zie het als kans. Werkloos? Zie het als kans. Succes is een keuze! Als je maar genoeg in jezelf gelooft! (2) Een ieder heeft de individuele plicht om het beste van zijn of haar leven te maken, met als gemeen addertje onder het gras dat, wanneer dit niet lukt, dat dan wel aan jezelf ligt. Dan ben je niet pro-actief, positief of ondernemend genoeg. 
Hoe kun je dan nog protesteren? Dat zou toch immers een teken van onmacht zijn, dan heb je zelf blijkbaar niet de juiste keuzes gemaakt; je verantwoordelijkheid niet genomen. Ja, van mij mogen jongeren ook in opstand komen, maar dan tegen dit overheersende marktdenken en het individualisme. Maar hoe (en tegen wie?) in vredesnaam moeten jongeren zich organiseren, als dat marktdenken en individualisme ook in henzelf zit of als elk teken van twijfel wordt gezien als zwakte en falen? Als elk protest wordt gepareerd met het verwijt dat je teveel in de slachtofferrol kruipt? Niet voor niets heeft een op de vijf jongeren psychische problemen. (3)

Naar verluidt was Socrates de eerste die mopperde over de 'jeugd van tegenwoordig'(4) Die valt blijkbaar altijd tegen. Zijn ze eindelijk braaf en gehoorzaam, dan zijn ze ineens niet meer recalcitrant genoeg. Daarmee wordt wel duidelijk wat écht van alle tijden is, namelijk knorrige oude heren die mopperen over de nieuwe generatie en deze niet meer begrijpen. Dat zelfs de directeur van Lowlands nu die leeftijdfase ingaat, is wel een teken aan de wand - gelukkig bemoeit hij zich naar eigen zeggen niet met de programmering. Maar volgens mij wordt het wel tijd voor een bankje in het park.




Dit stuk heb ik ook naar De Volkskrant gestuurd, als ingezonden brief. Ik verwacht er niet veel van, er zit daar ook een mopperige oude heer op het secretariaat. Maar goed, je weet maar nooit   ;-)

Noten: 
(2)  vanmorgen gehoord en gelezen binnen een kwartier tijd: "succes is een keuze"(in een column van Aleid Truijens, VK 16/8) en "als je maar genoeg in jezelf gelooft"(succesvolle atlete tijdens sportuitzending op Nederland 1.)
(3) Bron: Nationaal Kompas. http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/functioneren-en-kwaliteit-van-leven/psychisch-functioneren/psychisch-functioneren-jeugd/hoe-vaak-komen-psychische-problemen-bij-jeugd-voor/ 
(4) Er circuleren diverse versies van het citaat, toegeschreven aan Socrates. Deze lijkt me redelijk betrouwbaar, want uit een oratie aan de Universiteit van Leiden: "Onze jeugd heeft tegenwoordig een sterke hang naar luxe, heeft slechte manieren, minachting voor het gezag en geen eerbied voor ouderen. Ze geven de voorkeur aan kletspraatjes in plaats van training (...) Jonge mensen staan niet meer op als een oudere de kamer binnenkomt. Ze spreken hun ouders tegen, houden niet hun mond in gezelschap (...) en tiranniseren hun leraren." http://media.leidenuniv.nl/legacy/Bouwkamp%20SOFA.pdf








woensdag 4 juni 2014

Hakken in het zand tegen een verplicht anti-pestprogramma

Een jaar geleden kondigden Staatssecretaris Dekker en Kinderombudsman Dullaert hun plan van aanpak tegen pesten op scholen aan. Scholen worden in de toekomst verplicht om een goedgekeurde anti-pestmethode te gebruiken en de veiligheid en het welzijn van hun leerlingen te monitoren. Afgelopen week werden de eerste resultaten bekend. Hoewel nog geen enkel programma helemaal bewezen effectief is, zijn 9 programma’s voorlopig goedgekeurd op basis van theoretische onderbouwing en empirische bevindingen, en 4 programma’s vooralsnog afgewezen. De overige  bijna 50 programma’s zijn afgewezen.

Nu de verplichte anti-pestmethode zo dichtbij komt, groeit de verontwaardiging en het protest. Uit wetenschappelijke hoek klinkt het verwijt dat nog geen enkele methode bewezen is, en dat bovendien de betrokken onderzoekers zelf banden hebben met een bepaald anti-pestprogramma (Bram Orobio de Castro in Trouw van 16 april 2014 en Bob van der Meer in Nieuwsuur van 26 mei 2014). Uit onderwijskundige hoek klinkt het dat protocollen een bedreiging zijn voor de eigen verantwoordelijkheid van de leerkracht en  “algemene protocollen zullen nooit voor alle gevallen een specifieke oplossing kunnen bedenken.” (Hartger Wassink in de NRC van 30 mei 2014). En laatst hoorde ik een afdelingsleider vwo zuchten dat ze van Den Haag nou eenmaal aandacht moesten besteden aan het onderwerp pesten.

Wim Ludeke van de PO-raad betoogt in Nieuwsuur (26 mei 2014) dat scholen prima in staat zijn om zelf te bepalen wat zij nodig hebben om pesten aan te pakken. Een keuze  uit 13 programma’s is volgens hem geen keuze, om dat ze niet noodzakelijk aansluiten bij de school, de omgeving en het schoolveiligheidsbeleid. Hij pleit ervoor het onderwerp pesten een integraal onderdeel te laten zijn van het schoolveiligheidsbeleid, waarbij gericht gekeken worden naar “zwakke scholen” (wat betreft de veiligheid dit keer). “Besturen en scholen zijn heel wel in staat om naar hun eigen situatie te kijken en daar een passend aanbod in te vinden” en “de politiek komt met die actie na twee vreselijke incidenten, en we hebben in Nederland altijd de neiging om daarin een tikkeltje door te slaan.” Hij pleit voor beter overleg met het veld, om te zien of die methodes ook in de praktijk aansluiten.

Tijd om eens even wat misverstanden op te helderen.

Ja, de anti-pestwet is opgekomen naar aanleiding van twee zelfmoorden door pesten, die in de media veel verontwaardiging en zorg losmaakten. Maar vooral werd daardoor duidelijk welke omvang pesten op scholen heeft (en dan heb ik het nog niet over pesten op het werk of pesten in tehuizen en instellingen). Omdat definities van pesten in onderzoeken verschillen, en omdat zelfrapportage niet altijd betrouwbaar is, variëren de cijfers rond pesten, maar aangenomen kan worden dat in het primair onderwijs 10 procent van de kinderen regelmatig gepest wordt en in het voortgezet onderwijs 6 procent, en dit zijn voorzichtige cijfers, want vooral oudere kinderen geven vaak niet toe gepest te worden (bron: NJI). Als deze cijfers kloppen, dan worden ruim 200.000 kinderen regelmatig gepest. Nou zal het aantal gepeste kinderen per school kunnen verschillen, maar het is niet waarschijnlijk dat er veel scholen zullen zijn waar helemaal nooit wordt gepest, daarover straks meer.

Pesten kan, vooral wanneer het langer aanhoudt, leiden tot ernstige psychische klachten bij het slachtoffer en zelfs lichamelijke gevolgen hebben, die soms tot veertig jaar na dato nog meetbaar zijn. Enkele duizenden kinderen worden zo ernstig gepest dat ze helemaal niet meer naar school gaan. Hoe ingrijpend pesten is, konden we zien in het programma Project P, van RTL. Daarnaast is pesten schadelijk voor de dader (die heeft een grotere kans op crimineel gedrag in de toekomst), voor de meelopers (die vaak meepesten om niet zelf het volgende slachtoffer te zijn), voor de sfeer en veiligheid van de school en zelfs, in ernstige gevallen, voor de schoolprestaties van de hele groep.

Wat ook duidelijk werd bij Project P, is hoe structuréél pesten kan zijn. Het lijken kleine of grotere incidenten: een duw, een keer een bijnaam, een kapotte tas, een trap tegen je rug, een keertje pootje haken, kinderen die weglopen als je naast ze gaat zitten. Maar al deze incidenten bij elkaar vinden dus gedurende de hele dag plaats, verzieken elke schooldag, en maken het slachtoffer tot een emotioneel wrak, nooit wetend wie de volgende aanvaller zal zijn, of wat hij moet doen om het te voorkomen. Vergeet daarbij niet dat je elke keer weer naar school moét. Toch beschouwen veel scholen en leerkrachten pesten als een incident, waardoor de oorzaak makkelijker bij het slachtoffer gezocht wordt: die vertoont ook wel raar gedrag of zoekt de problemen op. Of hij is niet weerbaar genoeg, wat wil je met ouders die bij elk wissewasje op school komen klagen. Tragisch genoeg zijn veel van deze gedragingen juist een gevolg van pesten, en in ieder geval geen excuus ervoor.

De praktijk is anders

Hoezo kunnen scholen dit best zelf beoordelen en oplossen? Als er iéts duidelijk is geworden van de discussies in het afgelopen jaar, is dat zij dit juist niét kunnen en niét doen. Kinderen melden pesten vaak niet, omdat ze geen vertrouwen hebben in een goede en stevige aanpak, en vrezen dat het optreden van de leerkracht (“jongens, niet zo flauw, niet meer doen hoor!”) alleen maar averechts zal werken. Waar ze overigens helemaal gelijk in hebben. Wanneer het pesten zulke vormen heeft aangenomen dat kinderen en hun ouders er niet meer omheen kunnen, lopen deze laatsten lopen soms maandenlang de schooldeur plat, zonder dat het pesten opgelost wordt. Of zoeken in arren moede een andere school, die helemaal niet staat te springen om hun kind warm te ontvangen ‘als ze op die school gepest is, zal dat op onze school zéker gebeuren.’ (geparafraseerd citaat uit Alles over pesten, p. 199)
En dit zijn géén incidenten. De meest gangbare reacties wanneer het over pesten gaat, zijn ontkenning (dit is geen pesten, het is een geintje) en beschuldiging van het slachtoffer (die doet ook raar, is niet weerbaar genoeg, zoekt de problemen steeds op). En scholen zien vaak niet hoe structureel het pesten is, maar hanteren een incidentenpolitiek: brandjes blussen, zuchtend dat ze nou wéér moeten optreden, of “dat dit de vervelendste klas in jaren is”.

Incidentenpolitiek is geen antwoord op een structureel probleem

Laten we wel zijn: een school is zowel in sociaal als in fysiek opzicht een ingewikkelde constructie, en een onnatuurlijke situatie. We zetten kinderen op grond van hun leeftijd in een grote groep (en met vele groepen in een groot gebouw), fysiek verwijderd van ouderlijk toezicht, met daarbij één (vaak nog wisselend ook, in ieder geval elk jaar een andere) volwassene, die niét is opgeleid in het hanteren van groepen. Omgaan met pesten is op de pabo een keuzevak. Ongelooflijk. Terwijl een goede sfeer in de groep bepalend is voor het welzijn van alle leerlingen (niet alleen het slachtoffer) en voor het succes van al het leren. Niet alleen nemen mensen niet snel iets aan van iemand zonder status (dus ook niet van een leraar zonder gezag); een onveilige sfeer zorgt voor slechtere schoolprestaties. Dat kan iedere leerkracht bevestigen die een klas overneemt waarin het vorige jaar veel gepest is.

Pesten is niet het zoveelste maatschappelijke probleem dat van bovenaf de school in wordt gegooid; pesten is het probleem van de school, van het onderwijs zelf, of ze nou willen of niet. En de praktijk is dat veel leerkrachten en schoolleiders niet zien wat er voor hun neus gebeurt, of denken dat dergelijk gedrag nou eenmaal bij kinderen/pubers hoort, of zuchtend zeggen: “jongens, stoppen nou”. Juist omdat pesten een structureel probleem is, en juist omdat scholen in de praktijk vaak tekortschieten, is een structureel anti-pestbeleid noodzakelijk. Dus géén protocol dat pas bij escalatie van de plank wordt gehaald.

Scholen en bestuurders hebben een ingewikkelde en ook zware taak, zeker gezien het feit dat zij overdag verantwoordelijk zijn voor het welzijn van kinderen, die verplicht onder hun hoede worden gegeven. Maar dat zij nu zo verontwaardigd zijn betreft niét de zorg over het welzijn van die leerlingen, maar de aantasting van hun eigen status en autonomie. De anti-pestwet is motie van wantrouwen en ze zijn dan ook op hun tenen getrapt. In plaats van blij te zijn dat zij in hun zware taak worden ondersteund met onderzoek naar geschikte programma’s in plaats van de zoveelste beunhaas, mopperen ze dat ze gedwongen worden te kiezen. In plaats van zich zorgen te maken over de vele, vele slachtoffers, maken zij zich zorgen over hun imago.

Helpt een verplicht anti-pestprogramma?

Dat is nog maar helemaal de vraag. Een effectief programma is nog geen effectieve aanpak, dat hangt namelijk helemaal af van de manier waarop de school er in de praktijk mee omgaat. Tegen hakken in het zand zijn zelfs de beste anti-pestprogramma’s niet of nauwelijks bestand. De kwaliteit van een team, zowel in samenwerking als in de sociale slagkracht, bepaalt in hoeverre er op een school gepest wordt. Gezien de complexe sociale structuur van een school is het onvermijdelijk dat er wel eens wat gebeurt. Noem mij één school waar helemaal niet, nooit, gepest wordt en ik ga er wonen. 
Voor een echt veilige sfeer zal de school zich moeten ontwikkelen tot een lerende organisatie, waarin docenten zich gezamenlijk inzetten voor een goede sfeer en daarbij feedback, hulp en ondersteuning van elkaar accepteren. Maar ook is het nodig dat ze ondersteuning accepteren van de overheid, in de vorm van kennis over pesten en keuring van anti-pestprogramma’s. Of beter nog: aanvullende opleidingen en trainingen, en een verplicht vak groepsvorming op de pabo’s en lerarenopleidingen.

Wat echt nodig is, is inzicht in de problematiek van pesten, zowel voor het slachtoffer als voor de school als geheel. Pesten duidt op een structureel probleem in de groep, en uiteindelijk op een gebrek aan sturing en leiderschap. Scholen hebben daarmee een zware maatschappelijke taak en een enorme verantwoordelijkheid, en kunnen daarbij alle hulp gebruiken die ze krijgen kunnen, ook van de overheid. Maar de eerste stap moet toch echt zijn dat ze die verantwoordelijkheid erkennen, en niet bij de media (tikkeltje overdreven ophef), bij het slachtoffer (niet weerbaar genoeg), bij de dader (kinderen zijn nu eenmaal wreed) of bij de ouders (lastig, klaagcultuur) neerleggen. Uiteindelijk zal een stellingname tegen pesten, vóór een veilige school, niet alleen de slachtoffers, maar iedereen, tot en met het team en de schoolresultaten, ten goede komen. En welke school wil dat nou niet?