donderdag 1 maart 2012

Citotraining, of waarom ambitie geen vies woord is

Voorafgaand aan de Cito-toets[1] blijken veel ouders van kinderen uit groep 8 hun kind naar speciale Cito-trainers te sturen, om het optimaal op de Cito-toets voor te bereiden. In verontwaardigde artikelen wordt geschreven over ouders die hun kind onder buitensporige druk zetten, en over kinderen die “van de spanning niet kunnen slapen en met zwetende handen aan de Cito-toets beginnen.”[2] Het is overigens niet bekend hoevéél ouders hun kinderen naar zo’n training sturen. Een docente in groep 8 heeft dit jaar “twee meisjes met Cito stress”[3]. In een hele klas met gemiddeld 25-30 kinderen lijkt dat nog reuze mee te vallen.

Maar je zou je moeten afvragen waaróm sommige ouders hun kind naar een Cito-training sturen. Wat zegt dat over die ouders, over het onderwijs en over onze samenleving?

In een notendop bevat deze discussie namelijk vele aspecten, die allen zeer Nederlands zijn. Om te beginnen kennen wij ongeschreven regels van goed ouderschap. Daarin moeten kinderen vooral gelukkig zijn, en “ongedwongen zichzelf”. Ouders die hun kinderen pushen, overtreden deze regel. Ze overtreden ook de ongeschreven regel van gelijkheid, waarin al te openlijke ambitie voor jezelf of voor je kinderen, wordt afgestraft.

De Nederlandse cultuur is een gelijkheidscultuur. Niemand is beter dan de ander en loodgieters zijn net zo hard nodig als hersenchirurgen. Ouders die hun kind koste wat kost naar havo-vwo willen hebben, zouden zich dan ook moeten schamen, er is toch niets mis met een vmbo-diploma? Het gaat er toch om dat je kind gelukkig is? Maar het rapport De Sociale Staat van Nederland 2011[4] laat iets anders zien. Daaruit blijkt dat de levensstandaard, het inkomen en zelfs de gezondheid van mensen, in hoge mate samenhangt met hun opleidingsniveau. Met andere woorden: het maakt wel degelijk verschil of je kind loodgieter wordt, of hersenchirurg[5]. En ook al is het taboe om het hardop te zeggen, ouders weten dit. En kiezen er dan toch voor om, tegen de ongeschreven regels in, hun kind extra te laten ondersteunen.[6]

De idealen van gelijkheid, geluk en “jezelf zijn” overheersen met name in het basisonderwijs in Nederland. In andere landen worden er hogere eisen gesteld aan kinderen. En dan blijkt, dat kinderen er veel beter tegen blijken te kunnen dan wij denken, als ze een beetje worden gepusht. Dat ze met een beetje aanmoediging tot méér prestaties in staat blijken te zijn. Bovendien leert een kind dat je iets kunt bereiken door hard ervoor te werken. Dat is een betere mentale uitrusting dan het hier overheersende idee dat je er nu eenmaal talent voor moet hebben. Want waarom worden ouders er niet op aangesproken als zij hun kinderen laten meedoen aan talentenshows als The Voice Kids, maar wel als zij ze naar citotraining sturen? Omdat je blijkbaar wel een talent mag hebben, maar niet iets méér mag willen zijn dan de ander. Overigens geldt deze tolerantie dan weer niet voor hoogbegaafde kinderen, die (met hun ouders) vaak op onbegrip en grote weerstand kunnen rekenen.

Op de basisscholen heerst dus de cultuur van gelijkheid en geluk. Maar aan het eind van de basisschool komt de realiteit van ongelijkheid in zicht. Die begint bij de Cito-toets, die als verdeelsleutel is gaan werken. Maar dat deze zo zwaar weegt, komt door de tweedeling die in het vervolgonderwijs is ontstaan. Door de onderwijsveranderingen van de afgelopen 15 jaar is er een kloof ontstaan tussen het beroepsvoorbereidende onderwijs (vmbo) en het algemeen vormend onderwijs (mavo-havo-vwo)[7].  Het opklimmen van lagere naar hogere onderwijsniveaus is vrijwel tot stilstand gekomen, terwijl doubleren óók wordt ontmoedigd: eerder wordt een kind naar een lager niveau doorgestuurd. Scholen worden namelijk afgerekend (door zowel de overheid als door de ouders) op hun slagingspercentage. Kinderen die het niveau niet dreigen te halen, worden daarom  naar een lager niveau doorverwezen. Zo kan het gebeuren dat de vwo’s  uitpuilen van de (serieus studerende en goed samenwerkende) meisjes, terwijl de (wat onbesuisder) jongens in het havo oververtegenwoordigd zijn.

Het is het gebrek aan doorstroming dat de Cito-stress veroorzaakt. Als een kind heel graag naar een bepaalde school wil en weet dat het daarvoor 532 punten moet scoren, staat het onder grote druk, omdát het maar één kans krijgt. Ouders kiezen dan voor een training, desnoods met een “verkeerd schooladvies” als gevolg. Afstromen kan altijd nog, als het echt niet gaat. Maar ze hopen dat het hogere niveau hun kind tot betere prestaties prikkelt. En vaak werkt dat ook zo. Ook bij deze ouders overheerst de wens dat hun kind vooral gelukkig is. Zij willen de “juiste” plaats voor hun kind, niet per sé de hoogste. Maar ze hebben niet altijd het vertrouwen dat het kind daar vanzelf terecht zal komen[8].

Want er is nog een ander aspect. De kloof is niet alleen een intellectuele, maar ook een culturele kloof. Ook dit mag niet hardop gezegd worden, maar ook hiervan zijn ouders op de hoogte. De cultuur op het vmbo draagt ertoe bij dat het voor het kind nóg moeilijker wordt om naar boven op te klimmen. De kinderen die wèl naar het vmbo gaan, hebben hier ook last van. Omdat ze het gevoel hebben in het `afvoerputje’ terecht gekomen te zijn, omdat ze geassocieerd worden met problemen in plaats van met goed vakmanschap, omdat de weg naar boven afgesneden is en omdat daardoor de ambitie in de onderwijscultuur ontbreekt.

Kortom: ouders die hun kind naar een Cito-training sturen hebben daar vaak goede redenen voor. In plaats van naar hen te wijzen, zouden we ons eens achter de oren moeten krabben bij het bestaan van een dramatische breuklijn tussen schoolsoorten en schoolculturen. Maak doorstroming èn het koesteren van ambities op alle momenten en in alle schoolniveaus mogelijk, zodat de laatbloeiers, de dromers, de stapelaars en de toekomstige vaklieden er óók uit kunnen halen wat erin zit.


[1] Dit blogartikel verscheen eerder als opinie-artikel op www.ouders-online.nl (12 februari 2012)
[4] Sociaal Cultureel Planbureau, 2011.
[5] Overigens zijn loodgieters inderdaad onontbeerlijk en worden zij ook prima betaald. Dit geldt helaas niet voor de meeste beroepen waar het vmbo en aansluitend het mbo voor opleidt. Daarnaast is er ook sprake van een relatief hoge kans op voortijdig schoolverlaten.
[6] En kijken wel uit om daarvan iets tegen de leerkracht te zeggen, zie NRC Handelsblad 7 februari 2012: “Falen voor de Cito-toets is verboden”
[7] Zie mijn hoofdstuk: “jeugd van school naar werk, ontwikkelingen en achtergronden”, hoofdstuk 5 in: F. Spangenberg en M. Lampert (2011): De Grenzeloze Generatie en de onstuitbare opmars van de B.V. IK
[8] Zo is het niet vanzelfsprekend dat een hoogbegaafd kind de Cito-toets goed zal maken, omdat hij of zij de vragen vaak anders interpreteert…


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen