zaterdag 15 september 2012

Het puberbrein

Breinonderzoek is hot. Volgens Dick Swaab “zijn”  wij “ons brein”. Tal van verschillen tussen mannen en vrouwen, tussen jongens en meisjes worden tegenwoordig verklaard vanuit breinverschillen. Dat is een heerlijk houvast in deze tijden en het lost ook veel problemen op. Mannen kunnen het  niet helpen dat ze slecht communiceren, het is hun brein. En vrouwen kunnen niet achteruit inparkeren of kaartlezen. Het is hun brein.

Dit mag dan herkenbaar en overzichtelijk lijken, het geeft ook een probleem. Vooral als je als vrouw wèl blijkt te kunnen kaartlezen, of achteruit inparkeren. Of als een man dat niet blijkt te kunnen. Toch wordt dat vaak niet opgevat als signaal dat de theorie niet klopt, maar veel meer als een individuele afwijking. Dat is op drie manieren problematisch. Ten eerste wordt een theorie in stand gehouden die gewoonweg niet klopt, ondanks alle signalen die daarop wijzen. Uit onderzoek blijkt dat er voor de meeste eigenschappen geen tweedeling te maken is tussen mannen en vrouwen, en dat er een veel grotere overlap is tussen mannen en vrouwen dan het verschil tussen die twee. (1)

Het tweede probleem is dat de theorie die zegt dat er wezenlijke breinverschillen zijn, een rol gaat spelen in de opvoeding van meisjes en jongens. Zo wordt er tegen jongensbaby’s minder gepraat dan tegen meisjesbaby’s en krijgen jongens ook veel meer ruimtelijk speelgoed dan meisjes. Als dan vervolgens uit breinonderzoek blijkt dat jongensbreinen meer ruimtelijk inzicht hebben, dan moet je je dus afvragen wat precies aangeboren is en wat precies aangeleerd. Want breinen ontwikkelen zich ook nog na de geboorte. Dit idee van neuroplasticiteit wordt door de populaire breinverwijzers consequent over het hoofd gezien. Verschillen tussen jongens en meisjesbreinen moeten daarom niet alleen biologisch verklaard worden maar hebben een belangrijke maatschappelijke component.

Het derde probleem is dus dat maatschappelijke verschillen in stand gehouden worden en goedgepraat worden vanuit de wetenschap van het brein, vanuit onze biologie. Terwijl er in feite sprake is van ongelijke behandeling en dus van ongelijke kansen. Als een meisje van jongs af aan technisch speelgoed zou krijgen en te zien en horen zou krijgen dat het voor meisjes heel vanzelfsprekend is dat ze technisch inzicht hebben, dan pas zou ze haar talent maximaal kunnen ontwikkelen. Dus denk je eens in wat een kansen we laten liggen. Datzelfde geldt voor jongens: hoe kunnen die zich tot gevoelige, zorgende vaders ontwikkelen als zij vanaf dag één te horen krijgen dat ze vooral stoér moeten zijn?

Maar nu het puberbrein. Op zich is de gedachte dat een brein nog niet helemaal ontwikkeld is, best logisch. Maar ook hier moeten we oppassen met het trekken van conclusies.  Want neem nu dit voorbeeld: de hoogleraar ontwikkelingspsychologie Eveline Crone, bekend van het boek Het puberende brein, stelde in een interview in De Volkskrant het volgende:

 “’Adolescenten reageren anders en sterker op emoties dan volwassenen.’ `Als er sociale relaties op het spel staan, zoals bij sociale uitsluiting het geval is, werkt hun prefrontale cortex veel harder.'" Crone verklaart dit vanuit de ‘puberhormonen’, de verhoogde hoeveelheid geslachtshormonen die vanaf het begin van de puberteit worden aangemaakt.” (2)

Gezien de introductie van deze column vraag ik me af in hoeverre dit niet ook, in ieder geval voor een deel, een verklaring achteraf is. Want er zijn voor de pubers van nu zeer dwingende sociale omstandigheden, die hun leven bepalen. Waarom dan de oorsprong voor hun gedrag alleen in hun biologie gezocht? 

Anders dan in agrarische of nomadische samenlevingen, sturen wij – met name vanaf de jaren `50 van de vorige eeuw – jongeren steeds langer naar school. We hebben een samenleving waarin kinderen op school en in hun vrije tijd, vooral onder leeftijdgenoten verkeren. Op de sportclub en muziekles, met vriendjes en vooral op school hebben ze met elkaar te maken – en nauwelijks met volwassenen of met verticale leeftijdsgroepen.  Dit maakt dat sociale uitsluiting een groot risico is en dat het goed omgaan met leeftijdgenoten inderdaad van levensbelang is. Dit zal een enorme invloed hebben op hun gevoelens en prioriteiten en het lijkt me aannemelijk dat het zelfs terug te vinden zal zijn in hun brein. Maar dat wil nog niet zeggen dat hormonen daarvan de oorzaak zijn, wellicht zelfs eerder een gevolg ervan. Denk aan die neuroplasticiteit: het opgroeien heeft invloed op de breinontwikkeling.

Om dit te onderzoeken zou men moeten nagaan of deze puberhormonen op dezelfde manier werken en in dezelfde mate terug te vinden zijn bij jongeren die deze sociale achtergrond van dagelijkse omgang met leeftijdgenoten niét hebben. Bijvoorbeeld bij jongeren die van kind af aan thuisonderwijs hebben gehad, of jongeren in andere culturen, waarin zij met mensen van alle leeftijden omgaan of waarin jongeren al vroeg “volwassen” zijn. Voor zover ik weet is dit echter nooit onderzocht. Dus voorlopig houd ik een slag om de arm bij verklaringen vanuit hersenonderzoek of puberhormonen, zéker als die voorbijgaan aan de sterke invloed van de maatschappelijke realiteit.

Voetnoten:
(1)   Lees bijvoorbeeld: Asha ten Broeke: Het idee M/V, of Cordelia Fine: waarom wij allemaal van Mars komen.

(2)  Eveline Crone in De Volkskrant, 15 september 2012
(

Oorspronkelijke versie september 2012, bijgewerkt september 2014 voor radiocolumn op RTV Rijnmond  Copyright Mieke van Stigt


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen