woensdag 14 november 2012

Een goede school kan zonder ouderbetrokkenheid


(Dit artikel schreef ik in juli 2012 voor Profiel, vaktijdschrift voor het MBO)

Er is de laatste tijd veel te doen over ouderbetrokkenheid. Demissionair Minister Van Bijsterveldt is er druk mee, ondanks dat ze toegaf zelf nauwelijks naar de scholen van haar kinderen te zijn geweest. Pedagogen buitelen over elkaar heen met boeken over het belang van ouderbetrokkenheid en de seminars en workshops schieten als paddenstoelen uit de grond.


Er zijn in het debat over ouderbetrokkenheid veel misverstanden.(1) Zowel ouders als leerkrachten denken vaak dat het moet gaan om hulp van ouders (meestal moeders) in de school en in de klas. Maar uit onderzoek blijkt dat ouderbetrokkenheid thuis: dat ouders belangstelling hebben voor de schoolse activiteiten van hun kinderen en hen daarbij ondersteunen, méér gunstige invloed heeft op de schoolprestaties dan participatie van ouders in de school.(2) Ook de schoolleiders geven de voorkeur aan een betrokken thuissituatie. Niet alle ouders vinden dit even gemakkelijk: ruim een kwart van de ouders (van kinderen op de basisschool) mist de instructies voor deze vorm van ouderbetrokkenheid.(3)

Wanneer het schoolmilieu en het thuismilieu optimaal aansluiten, profiteren kinderen daarvan met betere opleidingskansen (en daarmee samenhangend: gezondheid en levensgeluk).(4) Streven naar ouderbetrokkenheid lijkt daarom een positieve zaak, zowel voor de school als voor de ouders. Toch zijn er wel een paar kanttekeningen te plaatsen.

De eerste kanttekening is dat de afstand tussen school en thuis in de afgelopen decennia juist kleiner geworden is. De enorme stijging in onderwijsdeelname van de afgelopen zestig jaar heeft een sterk nivellerende werking gehad op onze samenleving (5) Doordat de huidige generatie ouders een middelbare of hoge opleiding hebben gehad(6), is voor de meeste leerlingen nu de kloof tussen schoolmilieu en thuismilieu kleiner dan vroeger het geval was. En ondanks dat moeders tegenwoordig over het algemeen werken, besteden ouders tegenwoordig twee keer zoveel tijd aan hun kinderen als een generatie daarvóór.(7) Verreweg de meeste ouders kunnen hun kinderen goed steunen in hun onderwijsloopbaan, de cultuur thuis sluit aan bij de eisen van het onderwijs.(8)

De betrekkingen tussen school en ouders zijn wel veranderd. School staat niet meer op het traditionele voetstuk en de groep ouders is niet alleen èn mondiger èn diverser geworden, maar heeft ook een grotere werkdruk en andere prioriteiten. Moeder zit niet meer thuis.(9) De verwachtingen die de scholen van ouders hebben, zou in dat opzicht dan ook moeten worden bijgesteld. Zo kun je het uitbesteden van huiswerkbegeleiding opvatten als een uiting van sterke ouderbetrokkenheid.(10) Communicatie is essentieel, met name de communicatie van school naar ouders, over het programma en wat er van de kinderen en hun ouders verwacht wordt.

Er is echter een groep jongeren die buiten de boot dreigt te vallen. Zij hebben ouders die laaggeschoold zijn, anderstalig zijn of om welke reden dan ook niet de capaciteiten hebben om aan te sluiten bij het onderwijsmilieu. Met name het (v)mbo heeft te maken met deze groep ouders, en ondervindt een –soms grote-cultuurkloof die communicatieproblemen veroorzaakt. Voor de schoolleiders en docenten in het mbo die hiermee te maken hebben en die streven naar ouderbetrokkenheid, betekent dit dat zij, náást hun gewone onderwijstaak(11), de grootst denkbare maatschappelijke kloof moeten zien te overbruggen. Het betrekken van deze groep ouders zal een vrijwel individuele aanpak vergen. Om ze te vinden, bellen, mailen, thuis te bezoeken, hen ertoe te brengen naar school te komen, afspraken met ze te maken, enzovoorts. Het kan (12), maar is enorm arbeidsintensief. Deze tijd zou veel beter in het onderwijs zelf gestoken kunnen worden.

De tweede kanttekening is dan ook dat wanneer ouderbetrokkenheid belangrijker wordt, de succeskansen van kinderen in het onderwijs afhankelijker worden van de betrokkenheid van hun ouders. Kinderen van ouders die hen om welke reden dan ook niet kunnen ondersteunen, gaan er dan relatief op achteruit. Daarentegen zijn juist zij erbij gebaat als het onderwijs van zichzelf goed is, en kansen biedt aan àlle jongeren. Bied daarom desnoods liever ondersteuning via het zorgteam in de school, voor wie dat nodig heeft. Wellicht kun je een intake-gesprek met beide ouders verplicht stellen, bij binnenkomst op 16-jarige leeftijd.(13) Maar nogmaals, juist voor die jongeren die thuis op weinig steun kunnen rekenen, is dit eerder een extra belasting dan een manier om ze doelgericht te ondersteunen.

Juist in het mbo gaat het om jongeren van 16 tot ongeveer 20 jaar. Dat is een leeftijdsfase waarin jongeren al veel losser komen te staan van hun ouders. Op Twitter stond een stelling die mij deed rillen: “kinderen zijn nooit te oud voor ouderbetrokkenheid.” (14) Wat is er gebeurd met het opvoedingsideaal om kinderen te willen opleiden tot zelfstandige volwassenen? En in hoeverre is het zinvol om de ouders van een 18-jarige (nog afgezien van het feit dat die inmiddels wettelijk volwassen is) er te elfder ure met de haren bij te slepen?

Het belangrijkste bezwaar is dan ook dat alle aandacht voor ouderbetrokkenheid afleidt van de opdracht van het onderwijs: onderwijs. Het onderwijs lijkt weer eens te worden ingezet als panacee voor sociale vraagstukken, in dit geval de opvoeding van de ouders en de maatschappelijke integratie. En de eisen die aan ouders worden gesteld worden juist verhoogd in plaats van naar beneden bijgesteld. Dat strookt niet met de realiteit thuis en is bovendien niet productief.

Ouderbetrokkenheid moet in het onderwijs daarom niet te zwaar gaan wegen. Een goede communicatie over de wederzijdse rechten en plichten is essentieel. Vooral moeten de scholen hun verwachtingen aan ouders bijstellen naar de maatschappelijke realiteit. Maar de echte energie moet in de kwaliteit van het onderwijs zelf gestoken worden. Die komt alle jongeren ten goede. Een goede school kan zonder ouderbetrokkenheid.
 

Noten:
(1) Zie ook mijn blog: Ouderbetrokkenheid als antwoord op welk probleem? http://miekevanstigt.blogspot.nl/2012_05_01_archive.html
(2) Spectrum: Ouderbetrokkenheid thuis: sleutel voor schoolsucces, 2007.
(3) Bron: De Volkskrant van 23 mei, onderzoek gedaan door Ecorys
(4) Levensgeluk en gezondheid hangen vooral samen met inkomen, welke in hoge mate afhankelijk is van het opleidingsniveau. SCP: De Sociale Staat van Nederland, 2011 en Dronkers en W. Ultee (red.): Verschuivende ongelijkheid in Nederland: sociale gelaagdheid en mobiliteit. Assen: Van Gorcum, 1995 (46-66). http://arno.uvt.nl/show.cgi?fid=76866
(5) De deelname aan het hoger onderwijs steeg van 5 procent van de 18-25 jarigen in 1950 naar 40 procent van die leeftijdsgroep in 2010. http://www.trendsinbeeld.minocw.nl/grafieken/3_1_1_3.php
(6) De verdeling in Nederland is volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek als volgt: in 2003 was een kwart van de bevolking tussen 25 en 65 jaar hoogopgeleid (HBO of hoger) en zo’n 32% laagopgeleid (basisonderwijs en onder het niveau van de startkwalificatie). De rest, zo’n 43% zit daartussen en vormt het brede midden. Er is een bijzonder sterk verband tussen het opleidingsniveau van de ouders en de onderwijskansen van hun kinderen. Kortom, de cultuur thuis is in sterke mate bepalend. http://www.cbs.nl/nl-nl/menu/themas/onderwijs/publicaties/artikelen/archief/2005/2005-1745-wm.htm
(7) Bron: CBS: Gezinsrapport 2011.
(8) Dat wil zeggen: wat betreft opleidingsniveau. Volgens het mentaliteitenonderzoek van Motivaction verschillen de waarden van ouders van die van docenten. Terwijl veel docenten de post-materialistische waarden aanhangen van maatschappelijke betrokkenheid, persoonlijke ontwikkeling en idealisme, hangen ouders vooral de waarden van de moderne burgerij aan: luxe, comfort en status. Eigen verantwoordelijkheid en zelfontplooiing staan op een veel lager pitje. Dit botst tussen leerling en docent, en tussen school en ouders. F. Spangenberg en M. Lampert: De Grenzeloze Generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeders. Motivaction/NwA’dam, 2009.
(9) Het percentage moeders met werk is in totaal maar liefst 78%. 50% van de moeders heeft een baan van tussen de 20 en 34 uur per week. http://www.cbs.nl/nl-nl/menu/themas/arbeid-sociale-zekerheid/cijfers/extra/werkende-moeders.htm
(10) De meeste ouders helpen namelijk niet of nauwelijks bij het huiswerk maken. http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/vrije-tijd-cultuur/publicaties/artikelen/archief/2001/2001-0723-wm.htm. Ouders die hun kinderen naar huiswerkbegeleiding sturen, ondersteunen op die manier de schoolcarrière van hun kind. Het gaat om 15-16% van de ouders in het jaar 2008-2009 www.rijksoverheid.nl/bestanden/documenten.../188000a-2.pdf
(11) En zonder de extra middelen die hiervoor nodig zijn.
(12) Maar lang niet altijd met het gewenste resultaat, zie voor een treffende beschrijving van de moeilijkheden om deze groep te bereiken: Margalith Kleiwegt (2005): Onzichtbare ouders, de buurt van Mohammed B.
(13) Hoewel uiteraard ook veel jongeren via omwegen en dus op oudere leeftijd het mbo binnenkomen, en terwijl er lang niet altijd sprake is van twee vindbare en verenigbare ouders.
(14) Harry Cox van het CPS op Twitter, 21 juni 2012

 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen