donderdag 4 juli 2013

Eigenzinnig en niet bang


(Deze tekst schreef ik voor het liber amicorum ter gelegenheid van het afscheid van de socioloog Bart van Heerikhuizen als Universitair Hoofddocent aan de Universiteit van Amsterdam.)

Het was eind jaren tachtig en ik volgde de colleges Grondslagen van de Sociologie van Bart van Heerikhuizen. Ik weet niet eens meer over welke Grote Socioloog het ging, maar toen Bart zei: “net zoals de Spin Sebastiaan*, het is niet goed met hem gegaan” maakte mijn hart een sprongetje. Want ik herken me wel in Sebastiaan, met zijn drang van binnen, die je zou kunnen omschrijven als een moreel kompas. In de colleges over de grondslagen vond ik de heipalen voor mijn eigen sociologische fundamenten. Daarom, speciaal voor Bart, een stukje over de betekenis van de Spin Sebastiaan voor de sociologie.

 “Door het raam klom hij naar binnen, eigenzinnig en niet bang. Zeiden alle andere spinnen: kijk daar gaat hij met zijn drang.”

We leven in een tijd waarin dit morele kompas van groot belang is. Het  geeft richting aan het zelfsturende individu, dat zich in decennialange processen van democratisering en individualisering heeft losgemaakt van dwingende verbanden en zelf het eigen lot en de richting van zijn/haar leven in handen heeft genomen. Maar inmiddels is dit morele kompas van individueel kenmerk tot belangrijkste bepaler, ja zelfs tot enige bepaler en neoliberaal geloofsartikel verheven. Niet langer wordt naar generaties lange processen van seksespecifieke socialisatie, structurele ongelijkheid en discriminatie gekeken als bijvoorbeeld vastgesteld wordt dat er nog steeds minder vrouwen dan mannen aan de top zijn. Nee, die vrouwen hebben het aan hun eigen laksheid te danken dat zij niet verder komen. Zo is althans de toon van het huidige debat.

Inmiddels wordt ieder aspect van het menselijk leven en leed als een puur individuele zaak opgevat. Elke verwijzing naar omstandigheden wordt afgeserveerd met het dodelijke verwijt van slachtofferdenken, dus men zit zich harentrekkend in een hoekje te verbijten, wat ook als gevolg heeft dat er nauwelijks nog gedemonstreerd wordt. Want je zou allen maar protesteren tegen je eigen falen. Geen wonder dat vakbonden vergrijzen en juist de ouderenpartij zo groot wordt. De jongeren maken zich stille verwijten. Of zijn succesvol en hebben dat natuurlijk óók aan zichzelf te danken.

Dit is waar C. Wright Mills op doelde in zijn boek The sociological imagination (1959). Hij geeft het voorbeeld dat wanneer één persoon werkloos is, dat een persoonlijk probleem is dat in de privésfeer moet worden opgelost. Maar als 15 miljoen van de 50 miljoen werknemers werkloos zijn, dan moet je niet kijken naar het domein van mogelijkheden van het individu, maar naar de structuur van economische en politieke instituties.Het pleidooi van Mills voor een onderscheid tussen persoonlijke problemen en  publieke issues is nu weer heel actueel. Sociologische verbeeldingskracht is verder te zoeken en harder nodig dan ooit. De focus moet verschoven worden van persoonlijke verdienste danwel individueel verwijtbaar falen naar een perspectief waarin de situatie gezien wordt als kruispunt tussen de eigen biografie en de geschiedenis en structuur van de samenleving. Niet om aan de eigen verantwoordelijkheid te ontkomen, maar juist om deze scherper afgebakend te krijgen. Ondanks het belang ervan voor het individuele leven, mag de context van het morele kompas niet uit het oog verloren worden. De som van alle morele kompassen tezamen is namelijk geen samenleving met een moreel kompas, maar juist één zonder. Als we niet uitkijken.

Hier komt de tegendraadsheid van de Spin Sebastiaan uitstekend van pas. Het vergt moed om je web te spinnen, het weven van verbindingsdraden tussen de persoonlijke verhalen, om te zien dat het web als geheel méér is en een geheel eigen patroon – of zo je wilt figuratie - laat zien. Wat de Spin Sebastiaan doet, is het bedrijven van echte sociologie, hij heeft vast college bij Bart gevolgd.
Het vergt eigenzinnigheid, tegen de hoofdstroom van kortzichtigheid en reductionisme in, om als socioloog het web te weven, om je drang te volgen, eigenzinnig en niet bang. Nu maar hopen dat het de sociologen beter vergaat dan de Spin Sebastiaan. Hij werd opgeveegd.

*Uit het gelijknamige gedicht (1951) van Annie M.G. Schmidt
Literatuur: C. Wright Mills: The sociological imagination (1959)
Paul Verhaeghe: Identiteit (2012)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen